Albert Hagenaars bezingt zijn helden

Met Bergen op Zoom als basis de wereld rond, steeds op zoek naar cultuur en spiritualiteit en open voor indrukken allerlei. Albert Hagenaars pelgrimeert in zijn jongste dichtbundel en brengt een ode aan wie en wat hem inspireert.

door Lauran Toorians

Zeven maal zeven klinkt als een ritueel en zeven maal zeven gedichten doet al gauw denken aan een bezwering. Als de titel van de bundel dan ook nog Pelgrimsgrond luidt, is al snel duidelijk dat de dichter hier op zijn knieën gaat en hulde betoont aan zijn helden. Die dichter is Albert Hagenaars (Bergen op Zoom 1955) die we kennen als productief, bereisd en belezen en bovenal betrokken bij mensen. Scheppende mensen vooral. Hagenaars – zelf ooit begonnen als beeldend kunstenaar – werkt graag en veel samen met andere creatieve geesten van allerlei snit, wat dan ook weer leidt tot vertalingen over en weer.

Albert Hagenaars

Cultuurcanon

Pelgrimsgrond is opgebouwd uit zeven afdelingen met elk zeven gedichten. De eerste afdeling heeft als titel ‘Te woord’, wat klinkt als een oproep (te wapen!). Of dat precies zo is bedoeld, is niet helemaal duidelijk. De zeven gedichten reflecteren op zeven auteurs die – mogen we aannemen – Hagenaars inspireren: Hadewijch, Charles Baudelaire, T.S. Eliot, H. Marsman, Gerrit Achterberg, Jan Hanlo en Paul Celan. En zo gaat het verder. In de afdeling ‘Onder ogen’ passeren zeven schilders. Hier ook de eerste naam die verrast doordat hij niet tot de breed geaccepteerde cultuurcanon behoort en dus meer dan de andere kunstenaars een persoonlijke keuze van Hagenaars is. Het betreft de Javaanse schilder Affandi (1907-1990) aan wie in Yogyakarta een museum is gewijd dat aanleiding gaf tot een gedicht. Dat er over Affandi geen Nederlandstalige Wikipediapagina bestaat, kan worden gerekend tot de schande die rust op onze omgang met het koloniale verleden. Dat Hagenaars hem eert met een gedicht is wat minder verrassend voor wie de nauwe verbondenheid kent van de dichter met Indonesië. 

In ’Tussen de oren’, de afdeling over muziek, beginnen we zelfs in Indonesië. ‘Palaran’, de titel van het eerste gedicht in dit deel, is een genre in de gamelanmuziek waarin een solo wordt gezongen over een instrumentale begeleiding. Het gaat hier over ‘snerpend zingende // oude vrouwen die weet hebben van liefde / en verlies, het belang van regels en wetten’. Het volgende gedicht brengt ons met Jacob Obrecht ‘Terug in Bergen-op-den-Zoom’ en naar de westerse klassieke muziek.

‘Verzaking’ is de titel van het eerste gedicht in de afdeling ‘Snijwerk’ waarin films inspireerden. De filmtitel is Carna, een vervreemdende documentaire over het carnaval in Bergen op Zoom. Ook exotisch en opnieuw een persoonlijke keuze. Persoonlijker dan de andere zes films die tot het vaste repertoire behoren. Helemaal persoonlijk is de afdeling ‘Bekoring’ waarin de gedichten refereren aan (intieme?) ontmoetingen met personen van wie we niet meer krijgen dan de initialen. Alleen al daardoor laten deze gedichten de lezer meer ruimte om te associëren en te interpreteren dan de andere gedichten in de bundel.

Fragmentarisch

Met de afdeling ‘Bedevaart’ naderen we de pelgrimsgrond van de titel. Hier zien we Hagenaars als reiziger met een spirituele inborst in China, Cambodja, Spanje, Nederland, Litouwen, Polen en Noorwegen. In de laatste afdeling treffen we dan de ‘Idolen’: Wiracocha, Kali, Jhwh, Baäl Moloch, Sucellus en Allah. De bundel sluit af met enkele ‘aantekeningen’ die wel enkele (half)citaten thuiswijzen, maar verder toch weinig houvast bieden waar de lezer dat mogelijk zou wensen. Zo is het nuttig te weten dat Sucellus een Gallische (Keltische) godheid is waarvan een fragmentarisch beeldje werd gevonden in Bergen op Zoom, samen met een groot aantal geofferde (stuk gegooide) kleine amforen op een plek die een heiligdom zal zijn geweest.

De gedichten in deze bundel zijn nergens een-op-een beschrijvend. De titel en het noemen van de het kunstwerk of de kunstenaar bieden een handvat, maar de teksten zijn vooral poëtisch en associatief. De bundel bouwt ook mooi op, als een pelgrimage op weg naar de allerhoogste. En dat met een haiku van Matsuo Kimera (wie dat ook mag zijn) als waarschuwend motto: ‘reizen naar schrijnen / die wachten op wie ze zelf / zal moeten vullen’. Het lijkt een variant op wat een anonieme Ierse dichter schreef in de negende eeuw: ‘Op weg naar Rome: / veel moeite, geringe winst! / De koning die je hier zoekt, / – tenzij je hem meebrengt – vind je niet.’ De ware pelgrimsgrond ligt thuis, en thuis is waar je bent.

Albert Hagenaars, Pelgrimsgrond. Haarlem: In de Knipscheer 2022, 80 pp., ISBN 978-94-93214-32-3, pb., € 18,50.

www.indeknipscheer.com

www.alberthagenaars.nl

© Brabant Cultureel 2022

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.