2022 in met een tas vol herinneringen

door Arnold Verplancke

De feestdagen zitten er weer op. Zonder noemenswaardige problemen ben ik het jaar 2022 in gegleden. Nooit gedacht dat ik dit jaartal nog eens zou schrijven. Het klinkt zo ver weg als je jong bent. Evenmin verwacht dat theaters en horeca dicht zouden zijn en dat je bewonderend naar elkaars creatieve mondmaskers zou kunnen kijken: zo’n lapje voor mond en neus.

In de kamer klinkt een beetje te vroeg Liebster Jesu, mein Verlangen, de cantate die Bach schreef voor de eerste zondag na Epiphaneia. Op dat feest vieren gelovigen dat de goddelijkheid van Jezus zich openbaart. Het valt op dezelfde datum als het meer bekende Driekoningen. Op de cd uit 1970 zingt de Nederlandse Elly Ameling de sopraanrol als de zoekende mensenziel en de bas antwoordt dat hij in de woning van zijn vader is en dat zij haar hart met hem kan verbinden. Het is een van de vele geestelijke cantates van Bach, in tegenstelling tot de wereldlijke als de Kaffeekantate, De Jagdkantate en de Bauernkantate. Die laatste heb ik in 2020 nog gezien op een boerenerf in Peize (Groningen), vertaald als Boerencantate en heel leuk gezongen en gespeeld door Klaartje van Veldhoven uit Westerhoven en Mattijs van de Woerd.

Bach

Waarom luister ik naar Bach, behalve dan dat deze feestcantate precies voor begin januari is geschreven? Ten eerste omdat Bach natuurlijk niet kapot te krijgen is en zijn muziek nooit gaat vervelen. Maar ook omdat ik net bericht heb gekregen dat het Bach festival in Brugge, waar ik in de tweede helft van januari naartoe zou gaan, weer is afgelast. Vorig jaar ook al. Eerst had de Belgische overheid vorige maand bepaald dat er nog maar tweehonderd mensen in een zaal mochten vanwege corona; een nogal arbitrair aantal. Daarna dat theaters en concertzalen helemaal dicht moesten. Die tekenden daartegen beroep aan en de Raad van State stelde hen in het gelijk: dus geldt het maximum van tweehonderd weer. Ja met zo’n jojobeleid kun je geen festival in de lucht houden.

Pannekoek

Ook oudjaar heb ik anders gevierd dan in het recente verleden. De jaarwisseling wisten we vaak te combineren met een concertreisje naar bijvoorbeeld Boedapest of Bratislava. Een mooie opera bijwonen, een concert, een stadswandeling maken, een museum bezoeken en niet te vergeten lekker eten met de reisgenoten om het jaar uit te luiden en een goed glas heffen om het nieuwe in te wijden. Niet dit jaar. Ongeveer vijfhonderd meter over de grens in België ben ik aangeschoven bij een bevriend echtpaar en op mijn verzoek hebben we de laatste uren van 2021 naar Peter Pannekoek bekeken. Niet dat ik hem kende, integendeel, maar in een paar serieuze kranten had ik goede beoordelingen gelezen.

Dat viel een beetje tegen. Ik heb niet één keer echt moeten lachen en een enkele keer gegrinnikt. Maar dat ligt helemaal aan mij, denk ik, en niet aan hem. Ik heb in de loop van de tijd misschien teveel conferenciers en cabaretiers gezien. Te vaak deels voorspelbare grappen gehoord en gekunstelde woordspelingen, zowel van de professionals als van mijn verbaal sterke vriendenschaar.

De enige die er voor mij met kop en schouders bovenuit blijft steken, is Wim Kan (1911-1983) en daarmee verraad ik natuurlijk tegelijk mijn leeftijd. Een oudejaarsavond zonder zijn speelse en spitsvondige schetsen van zowel de politiek als het alledaagse leven, kon ik mij vroeger niet voorstellen. Ik herinner me hoe ik met een ouderwetse spoelenbandrecorder zijn conference met een microfoontje opnam van de radio. Iedereen in de kamer moest natuurlijk doodstil zijn. En later kocht ik alsnog de langspeelplaten, waarop de radioregistratie vastgelegd bleek.

Ironie

Waarom Wim Kan wel en Peter Pannekoek niet? Lastig om een vergelijking te maken over zoveel generaties heen. Ook die laatste gaat wel in op de politiek en behandelt op zijn manier de actualiteit. Maar negatiever, naar mijn gevoel. Bij Kan overheerst de ironie. ‘Komische humor’ zoals hij het zelf pleegt te noemt. Wel kritisch, zeker wel, maar nooit destructief of nihilistisch. Bij een jonge generatie komieken heb ik soms het gevoel dat er werkelijk niets meer deugt en zeker niet bij beleidsmakers. Als je Kan goed beluistert, klinkt er altijd wel iets van begrip door: zo van die jongens en meisjes in Den Haag hebben het ook niet gemakkelijk.

Wim Kan was van de komische humor, bij hem overheerste de ironie. Bij een jonge generatie cabaretiers heb ik soms het gevoel dat er werkelijk niets meer deugt.

Kan wisselde zijn conference ook af met liedjes en hij schreef niet zelf alle teksten, maar gebruikte die van veel ‘bekwame’ mensen, om in zijn termen te blijven. Van Seth Gaaikema bijvoorbeeld, Simon Carmiggelt, Kees van Kooten, Jaap van der Merwe. Of hij varieerde op bekende songs als Jelle sal wel sien (Yellow Submarine) over Jelle Zijlstra, Strebers in the night (Strangers etc) of Sammy (van Ramses Shaffy). Sommige liedjes bleven jarenlang nagalmen, zoals Lijmen Jan (over Jan de Quay).

Natuurlijk moest je de politiek goed volgen om Wim Kan te kunnen volgen en waarderen. Ik draai zijn platen nog maar zelden. Ik heb ze al vaak gehoord en bovendien zijn er maar weinig (jongere) kennissen die ze nog zullen begrijpen. Ze zitten zorgvuldig in het rode Koffertje van Wim Kan. Inclusief het bijbehorende boek 40 jaar Wim Kan met Corry aan zijn zijde uit 1976, geschreven door Wim Ibo. Dat beschrijft hun levensgeschiedenis, inclusief de tijd dat Kan als dwangarbeider van de Japanners moest werken aan de Birma spoorlijn. Iemand die dat niet weet, snapt zijn felle verzet ook niet tegen het officiële bezoek van de toenmalige keizer Hirohito aan Nederland. Kan en Corry Vonk maakten in 1941 een tournee door voormalig Nederlands-Indië toen de oorlog uitbrak. Zijn liedjes Hirohito Hitparade uit 1967 en Er leven haast geen mensen meer…. (die het na kunnen vertellen) uit 1971 getuigen op een schrijnende manier van de mensonterende en gruwelijke behandeling die zij en vele anderen ondergingen.

BN’ers

De vergelijking met Pannekoek gaat op alle manieren mank, maar nogmaals dat ligt ook aan mij. Als Kan grappen maakt over Zwolsman (Zwolsman is binnen….) weet ik dat Zwolsman een rijke onroerend goedhandelaar is die net de pier van Scheveningen heeft gekocht. Bij Pannekoek c.s. hoor ik soms opmerkingen over kennelijk bekende Nederlanders (BN’ers) van wie ik nog nooit gehoord heb of over wie ik de grappen in ieder geval niet begrijp. Zij zullen zich wel manifesteren op een commerciële tv-zender of een YouTube kanaal, die ik nooit zie. Mijn zwakke punt dus.

In deze coronatijd, nu de theaters dicht blijven, is de verleiding groot om met Wim Kan en Corry Vonk te zingen De lichtjes doven, maar liever draai ik toch Uithuilen en opnieuw beginnen van Kan en zijn onmisbare pianist Ru van Veen.

Bach, Liebster Jesu, mein Verlangen (BWV 32)

Boerencantate

Het eerste tv-optreden van Wim Kan, 1973

Wim Kan in 1971 over de Birma spoorlijn:
Er zijn bijna geen mensen meer…

© Brabant Cultureel 2022