Twan Arts brengt een aanstekelijke ode aan de cinematografie aan de hand van 100 films

Een filmgeschiedenis aan de hand van honderd films van 1902 tot nu en met veel extra informatie. Dat biedt het boek van Twan Arts in eerste instantie. Maar misschien nog wel belangrijk is dat hij zijn grote enthousiasme voor film weet over te brengen op zijn lezers en daarmee hopelijk ook op studenten.

door Pieter Siebers

Aan de hand van honderd films schetst Twan Arts, docent film bij Fontys Hogescholen, een beeld van de ontwikkeling van de cinematografie. Niet alleen komt zijn grote liefde voor het medium tot uitdrukking, ook maakt hij de lezer deelachtig van een breed scala aan wetenswaardigheden. De relatie met andere kunstvormen en die tussen film en politiek, de diverse genres, biografische gegevens, technische aspecten en veel meer. Het is een uiterst leesbaar en enthousiasmerend boek. Met bovendien een literatuur- en begrippenlijst, een serie webadressen waar (details van) besproken films bekeken kunnen worden en een personenregister die het tot een naslagwerk maken dat niet alleen voor studenten in de filmhoek interessant is.

Twan Arts

Studenten wegwijs maken in de ontwikkelingen

Aan het einde van de jaren tachtig van de vorige eeuw werd ik docent kunst- en mediageschiedenis aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht. Mijn taak was om de studenten van de afdeling Beeld en Media Technologie wegwijs te maken in de ontwikkelingen op het gebied van beeldende kunst vanaf het begin van de negentiende eeuw, gerelateerd aan de opkomst van fotografie en film.

Waar het gaat om beeldende kunst kan een beginnend docent terugvallen op een canon – hoezeer daar ook op valt af te dingen. Dat was anders met fotografie en film, waar de ontwikkelingen zich minder lieten vangen in stromingen, stijlen of scholen. Zoiets als een overzichtswerk of handboek – gebruikelijk bij kunstgeschiedenis – bestond indertijd niet, althans bij mijn weten. Laat staan een canon. Gevraagd naar films die op de studenten indruk hadden gemaakt, bleek de toen net verschenen Bond-film ‘The Living Daylights’ hoog op het lijstje te staan. En, bij de vraag wat als een klassieker werd beschouwd, werd meerdere malen ‘Jaws’ genoemd, van Steven Spielberg uit 1975.

1975

Aangezien ik het niet alleen over publieksfilms – hoe goed gemaakt dan ook – wilde hebben, had ik twee voorbeelden meegenomen uit mijn eigen filmgeschiedenis. Daar gingen we, in een verduisterde collegezaal op het Hilversumse mediapark. Ik toonde – op een VHS-band – een paar scenes uit de eerste film die ik begin jaren zeventig zag op mijn middelbare school. Dat was ‘Fanfare’, geregisseerd door Bert Haanstra, die met Jan Blokker ook het scenario schreef. Gemaakt in 1958 en met anderhalf miljoen bezoekers nog steeds een van de best bezochte Nederlandse bioscoopfilms. De studenten keken er met allengs meer gefronste wenkbrauwen naar: de verhandeling in zwart-wit over een dorpse twist tussen muziekgezelschappen zei hen in het geheel niets.

1958

Slechts twee studenten hadden A Clockwork Orange gezien

Op de VHS-tape stond ook een langer fragment, uit ‘A Clockwork Orange’, het tot op de dag van vandaag huiveringwekkende epos van Stanley Kubrick uit 1971. Hoe groots de rol van Beethovens muziek in die film dan ook, en de veelgeprezen de hoofdrol van Malcolm McDowell ten spijt: slechts twee studenten hadden de film gezien. Iedereen was overigens wel onder de indruk, van een paar nogal gewelddadige scenes.

1971

Het gesprek dat zich daarna ontspon maakte vooral duidelijk dat er van zoiets als een filmcanon nauwelijks sprake kon zijn. Maar hoe zouden studenten tot kennis van de cinematografie hebben kunnen komen? Literatuur was schaars, en duur. Anders dan in de wereld van beeldende kunst en architectuur waar een grote hoeveelheid handboeken bestond. En zoiets als internet stond nog in de kinderschoenen. Die situatie is wel wat veranderd: de literatuurlijst in het boek van Twan Arts maakt duidelijk dat er in de eerste twee decennia van deze eeuw het nodige is verschenen.

Bewust van de valkuilen en beperkingen van een canon

Die vaak academische literatuur (‘gortdroog’) volstond niet voor Arts, die nu de ontwikkeling van de cinema schetst aan de hand van honderd films. Een soort canon dus en het lijkt mij dat de aanleiding voor zo’n opzet ligt in ervaringen die hij als filmdocent opdeed, soortgelijk aan die van ondergetekende meer dan dertig jaar geleden. Arts stelt in elk lemma de films centraal en is zich – getuige zijn voorwoord – geheel en al bewust van de valkuilen en beperkingen die een canon met zich meebrengt: ‘En voor iedere film die is gekozen, is een veelvoud aan films ook niet gekozen. Dat de keuzes openstaan voor discussie is evident.’ Over Stanley Kubrick – wiens ‘2001 – A Space Odyssey’ tot Arts’ lijst van honderd behoort – schrijft hij bijvoorbeeld dat hij ‘zonder te overdrijven’ minstens tien films van deze regisseur in het boek had kunnen opnemen.

1968

Zulke passages komen in het boek veelvuldig voor en in de teksten openbaart zich de grote liefhebber die Arts vooral is. Zijn bevlogenheid om ons deelachtig te maken van de filmische snoeptrommel die een eeuw cinematografie heeft opgeleverd is groot en zijn aanpak is niet die van de academische filmhistoricus of de theoretische beschouwing. Arts ontpopt zich als de man van de praktijk wiens hart enthousiast klopt voor films, de docent die zijn studenten niet alleen deelgenoot wil maken van zijn kennis van de filmgeschiedenis, maar ook van zijn liefde ervoor.

De reeks van honderd opent met ‘Le voyage dans la lune’

De films die hij heeft geselecteerd, zo blijkt al meteen uit het eerste lemma, staan niet op zichzelf en representeren een bepaalde aanpak, ontwikkeling of thematiek. De opening van de reeks van honderd is voor ‘Le voyage dans la lune’, een dertien minuten durende, wonderlijke film van de Fransman Georges Méliès uit 1902. Het is een ‘stomme’ zwart-wit film met een nog steeds actueel onderwerp: buitenaardse reizen. De film was enige tijd onvindbaar, maar toen in 2011 een volledig gerestaureerde versie werd vertoond tijdens het filmfestival van Cannes wist die het publiek nog steeds te betoveren.

Poster bij de later ontdekte met de hand ingekleurde Le voyage dans la lune. Zie onder dit artikel.

Arts parafraseert het verhaal, legt uit waar de kracht van de film ligt, maar gaat ook in op het personage van de regisseur, een manusje van alles met veel technisch vernuft die zelf de decors voor de film schilderde. Daarmee wordt duidelijk gemaakt dat de theatercultuur invloed had op de filmpioniers, maar blijkt ook de alzijdigheid die het beroep van regisseur toen vergde. Arts zet de film in een heldere context door aandacht te besteden aan wat Méliès onderscheidt van anderen, aan zijn oeuvre, maar ook aan de receptie van de film en het historische belang ervan. Zijn toon is soms die van de historicus, maar vaker die van de bewonderende recensent die hand in hand gaat met de enthousiaste docent die hij zonder twijfel is.

1903

De tweede film is ‘The great train robbery’ (1903), de eerste western. Geregisseerd door Edward Porter, een voormalig medewerker van uitvinder Thomas Alva Edison die aan het einde van de negentiende eeuw al korte films produceerde in zijn Edison Studios in New York. Aan de hand van deze film neemt Arts ons mee in de eerste vernieuwingen zoals het filmen buiten de studio’s en het (horizontaal) bewegen van de camera (de ‘pan’). En passant wordt nog de opkomst van de bioscopen aan de orde gesteld, die in Amerika aanvankelijk ‘nickelodeons’ heetten – naar (en dat wist ik niet) de toegangsprijs, die een ‘nickle’ bedroeg, een stuiver.

Het ontstaan van nationale filmstromingen

De chronologische opbouw van het boek brengt met zich mee dat we lemma voor lemma meer te weten komen over niet alleen de betreffende film, maar ook over de opkomst van bioscopen, kenmerken van de eerste speelfilms, genres als de slapstickkomedie of filmmusical, het ontstaan van nationale filmstromingen, en – in 1927 – de komst van de eerste geluidsfilm, ‘The Jazz Singer’. Rol en betekenis van de wereldoorlogen en de Russische Revolutie komen aan de orde. De Russische Revolutie werd in 1925 herdacht in de ‘De pantserkruiser Potemkin’, een film die ook door Arts hoog wordt geprezen, met name door de montage. En aan de hand van klassiekers als ‘King Kong’, de western ‘Stagecoach’, de tekenfilm ‘Sneeuwwitje en de zeven dwergen’ en ‘Gone with the wind’ wordt de uitbouw van de filmindustrie geschetst, bekend geworden als Hollywood.

1925 (Panzerkreuzer Potemkin, russische affiche)
1927
1933

De lof en eer waarmee Arts de films en regisseurs bespreekt is er in het bijzonder voor ‘Citizen Kane’ (Orson Welles, 1941) vanwege diens gebruik van flashbacks en de bijzondere cameravoering, de ‘deep-focus’-techniek. Dergelijke begrippen zijn niet vanzelfsprekend (net zomin als bijvoorbeeld ‘poëtisch realisme’ of ‘direct cinema’), maar ze zijn in het boek afgedrukt in rode letters, wat betekent dat ze door Arts worden uitgelegd in de (heldere) begrippenlijst die achterin is opgenomen.

1939
1941
1954 (Seven Samurai, Japanse poster)

Klassiekers die nog regelmatig worden vertoond

Na de oorlog wordt de schatkist van de filmindustrie alsmaar rijker gevuld, met bijdragen ook uit Azie zoals ‘Seven Samurai’ van Kurosawa uit 1954, wiens naam ‘haast synoniem’ zou worden met de samuraifilm waarin de zwaardvechter te vergelijken is met de held uit westerns. De films uit de laatste vijf decennia die Arts voor het boek geselecteerd heeft, zijn veelal klassiekers die nog regelmatig worden vertoond op televisie of via streamingdiensten.

1972
1976
1994

In de teksten wordt gelukkig ook regelmatig aandacht besteed aan regisseurs van wie geen film is geselecteerd voor de lijst van honderd, zoals de grootheden Jim Jarmusch en Lars von Trier. Wel komen we van hen het een en ander te weten, en dat maakt dan weer nieuwsgierig. Nederlandse regisseurs zijn schaars vertegenwoordigd in het boek en het kan dan ook geen verrassing zijn dat mijn jeugdheld Bert Haanstra geheel en al onvermeld blijft. Daar valt over te twisten, net als over het ontbreken van foto’s of filmstills in het boek (waarschijnlijk een kwestie van rechten), maar desondanks had ik indertijd het boek van Twan Arts zonder twijfel opgenomen in de literatuurlijst voor mijn studenten. Omdat er veel uit valt te leren en omdat het een permanente aanmoediging is om films te gaan zien, en herzien. Vier sterren!

Twan Arts, Het lijkt wel een film. De ontwikkeling van de cinema in 100 films. Tielt: LannooCampus 2023, 280 pp., ISBN 9789401488266, pb., € 29,99.

Beeld voorpagina > scène uit 2001: A Space Odyssey

www.lannoo.be/nl

www.filmdokter.com

© Brabant Cultureel 2023

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *