Verschuiving

door Herman Schaap >

1 Blikverruiming

Hoe lang ik om me heen blijf kijken,
wat ik ook waarop projecteer,
hetgeen ik eigenlijk wil bereiken 
vervaagt, ontglipt me keer op keer.
Een waas voltrekt zich min of meer
voor het zicht naar binnen en naar buiten.
Als keek ik door beslagen ruiten.
Of ik me blind naar binnen keer.
Maar toch neem ik het niet voor lief.
Ik kies meervoudig perspectief.

2 Jager

Mijn leven laat zich laag na laag ontleden,
afgronden diep verdwijn ik uit het heden.
Protagonist ben ik, held van een sage
die generaties lang is doorverteld.
Al heeft mijn steenbijl vaak een boom geveld,
de horizon onttrekt zich aan mijn pijlen.
Sluipenderwijs verstrijken wrede dagen,
gedruip, gefladder, fluisteren – alom
gekraak. Er dreunt ver weg iets kolossaals,
Hoog boven mij slaan goden op de trom.

3 Roofdier

Een geur van wild, ik kan het niet weerstaan.
Een nieuwe zin bekruipt me, doet me gaan
langs lijnen van een ongekend verlangen.
Ik denk niet meer, ben door een kracht bevangen
die mij vooruit jaagt, achter sporen aan.
Ik heb een doel, het trilt in mijn sensoren,
ik vang elk teken op. Niets gaat in mij verloren,
terwijl mijn vacht langs scherpe takken snijdt,
oeroude vegetatie wijd en zijd.
Geconcentreerd. Door niets nog te ontsporen.

4 Geest

Beweging in het oude hout. Misschien
is dit gekraak de afdruk van gedachten
die zijn ontwaakt na jaren, jaren wachten
waarin dit huis geen mens meer heeft gezien.
Niet meer alleen! Als rook, in ijle vlagen,
omcirkel ik wat zij verborgen achten.
Ik observeer. Ik proef wat in hen leeft,
de loden dromen die zij met zich dragen.
Het allermeest kan ik mijzelf beklagen,
het deel van hen dat ongebonden zweeft.

5 Engel

Wie weet ben ik te ijl, de mens ontstegen,
mijn lichaam als met dun penseel getekend,
te zwaar toch ook onder de hemelingen.
De zielen zie ik van het licht bewegen,
aan weefsel dat voortdurend sterft geketend.
Je hoort een drang, een weemoed in hun zingen.
Hun droefheid voelt ternauwernood het strijken,
zo vluchtig als mijn vleugels om hen zijn.
Een zachtheid wil ik brengen in hun pijn.
Verbannen moet ik hen, te na, ontwijken.

6 Schipper

Snel stroomt het water langs de lege weiden,
en wit als melk spat het uiteen langs steen,
het brult en bonkt tot waar het zich verwijdt.
Daar is de plek waar ik de overzijde
bereiken kan; ik stuur de boot dáárheen,
de stroom en stukken rots trotserend,
waarnaar het boegbeeld met zijn vleugels wijst.
De passagiers, van postnataal tot grijs,
bestaan alleen nog tijdens deze reis.
Ik ben de enige die weer zal keren.

7 Satelliet

Ik cirkel hoog, geleid door oude krachten.
Al mijn gedachten stuur ik naar de aarde.
Mijn lens neemt ongekende stelsels waar,
peilloze diepten, duizelend van duur,
en schijnsels die miljoenen jaren wachtten.
Terwijl ik naar de flakkerhemel tuur,
bepeinzend wat decennia mij brachten,
bespeur ik bij mijzelf een nieuwe neiging:
object te zijn van een immense stijging,
een glinsterende flits in het azuur.

8 Drone

Ik ben het cool gereedschap van de dood,
joystickgestuurde droom van jongensgeesten.
De wind raast langs mijn huid van composiet.
Olympisch is mijn oog, dat niets ontziet,
diep mijn gegrom, dat angsten uitvergroot
bij stipjes die beneden als een stroom
uit mijn bereik proberen weg te wezen.
Vergeefs, coördinaten zijn bekend.
Een sterker Icarus is nu herrezen,
die zonneschichten naar de aarde zendt.

9 Scanner

Magnetisch is mijn schoot. Als omgekeerd
bevallen komt het lichaam bij mij binnen.
Onzichtbaar laat ik de atomen spinnen,
terwijl ik al hun golven registreer
en pulsen door mijn schakelingen gaan.
Ik kan haarscherpe beelden presenteren.
Zij brengen, kantelend het scherm passerend,
aan het licht wat onderhuids evolueert,
halsreikend naar een parallelbestaan.
Ik zie. Ik ben. Degene die creëert.

10 Blikvernauwing

Mijn inzicht krimpt. Tja, Googleglass,
hoe meer ik zie hoe meer ik mis.
Ik denk dat ik de data wis.
Het blikveld grenzeloos? Ik pas.
Te lang al ben ik weggeweest,
besef ik. Onkruid op het pad.
Nu kom ik langs het raam, zij leest.
Ach, wisseling van perspectief,
er is zoveel wat ik vergat,
de dagen hier, mijzelf, mijn lief.

Herman Schaap (Wageningen 1949) was tot 2012 leraar Nederlands in Breda en promoveerde intussen op werk van Henriette Roland Holst. Poëzie van hem verscheen onder meer in Hollands Maandblad. Zijn gedichten zoeken een vaste vorm voor een intrigerende moderniteit.

Beeld: Hans Lodewijkx

© Brabant Cultureel 2022

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.