Een verstaanbare Gerry van der Linden, geheel tegen haar principe

De poëzie van Gerry van der Linden is vaak gesloten, raadselachtig. Niet zo in haar nieuwe bundel. De gedichten blijven wel als goede poëzie open voor meerdere interpretaties, maar het geheel is goed invoelbaar en navolgbaar. Melancholie en weemoed, maar ook berusting overheersen.

door Lauran Toorians

Het woordspel is zo oud als Homerus. Je noemt jezelf ‘Niemand’, steekt de Cycloop zijn enige oog uit en er wordt hard geroepen dat niemand het heeft gedaan. De nieuwe bundel van Gerry van der Linden (Eindhoven 1952) heeft als titel Niemand blijft het langst en ‘niemand’ treedt meerdere keren in de bundel op. Het is een bundel vol melancholie – of is het weemoed? – over ouder worden, terugblikken en afscheid nemen. De taal is speels en sterk associatief, maar blijft toegankelijk en de bundel is zo actueel dat ook corona er een rol in speelt, zonder als zodanig te worden benoemd.

Gerry van der Linden. Foto > Patrick Siemons

Dat de bundel toegankelijk is, meer dan eerdere bundels van Van der Linden, is bewust zo bedoeld en wordt uitgesproken in het korte gedicht ‘Ik wil jouw hand nemen en geven wat ik heb’:

Ik wil jouw hand nemen en geven wat ik heb
ik wil mijn hand geven en houden wat ik heb

(ik wil dit gedicht verstaanbaar maken
geheel tegen mijn principe)

Afscheid

Voor iedereen die de tijd van leven krijgt, komt er een moment dat je beseft meer verleden te hebben dan toekomst. Voor sommigen betekent dat meer herinneringen dan dromen, maar dat hoeft natuurlijk niet. Wel betekent het regelmatig afscheid nemen, op allerlei manieren en om tal van redenen. In recente bundels van mannelijke dichters ‘op leeftijd’ bespeurde ik een deels nogal verkrampt vastklampen aan herinneringen en frustratie over verloren sexappeal. Daarvan is bij Van der Linde geen sprake. Zowel de wereld zelf als je plaats daarin verandert en Van der Linde ervaart dat en reflecteert daarop. Zonder kramp, maar met een melancholische berusting.

Dat betekent geen willoze overgave. Verlies is pijnlijk en dat blijkt wanneer Van der Linde naar de natuur, en vooral naar de bomen kijkt. Bomen zijn onder de grond met elkaar verbonden en rijzen boven ons uit met takken die weliswaar in het najaar hun blad verliezen, maar die in de lente weer uitbotten en opnieuw beginnen. Dat is de mens niet gegeven. Ook dit thema komt in Niemand blijft het langst in verschillende vormen terug en al lezend bracht dit mij meteen de beroemde regel ‘April is the cruellest month’ uit de gedichtencyclus The Waste Land van T.S. Eliot in herinnering (April is the cruellest month, breeding / Lilacs out of the dead land, mixing / Memory and desire, stirring / Dull roots with spring rain).

Maar waar Eliot hier de wreedheid van de natuur ziet, lijkt Van der Linden te berusten. Want inderdaad, we moeten achterlaten en ‘nu ga ik niemand achterna / niemand blijft het langst / nu is het tijd voor omkijken zeggen ze’. De regels komen uit het gedicht ‘Als kind keek ik vaak over mijn schouder’ en ook hier een haast onontkoombare associatie, nu met Orfeo en Euridice uit de klassieke mythologie. Bij dat duo was omkijken juist verboden om aan de dood te kunnen ontsnappen. Maar voor wie verval, verlies en dood accepteert, is omkijken niet bezwaarlijk en breekt er een tijd aan dat omkijken juist zinvol is, zeggen ze.

Heden

De bundel opent met een gedicht waarin de ik-persoon constateert ouder te zijn geworden – ouder ‘dan mijn moeders hand’ – en lijkt te aanvaarden ‘Dat er tranen op de zeeën zijn als kroonluchters’ (de regel waarmee het gedicht zowel opent als eindigt). Daarna volgen drie thematische afdelingen: ‘Alles is vroeger’, ‘Stemmen’ en ‘Binnenin, buitenom’. In de eerste staan (jeugd)herinneringen centraal. In de tweede ook, maar dan in relatie tot anderen of door de blik van anderen en in de derde afdeling zijn we in het heden en wordt daarop gereflecteerd, dus ook op de stilte en de stilstand die corona heeft gebracht. Afzonderlijke titels hebben de meeste gedichten niet. Dat is dan steeds de eerste regel. Het laatste gedicht in de bundel vormt daarop een uitzondering:

Van A naar Z en zo voort

Een vogel aan de kant van de weg
slaat zijn vleugels

regen ploft kraters in de wei

een wolk
blijft hangen voor het raam
schuift mij achteloos opzij

er zit ritme in de lucht

(de route is kort
de reis duurt lang).

Gerry van der Linden, Niemand blijft het langst. Amsterdam: Nieuw Amsterdam 2021, 64 pp., ISBN 9789046829196, pb., € 20,00.

Nieuw Amsterdam.nl

© Brabant Cultureel 2022

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.