De nieuwe Nederlandse staatskunst volgens Jan Doms

door JACE van de Ven

In een reactie op een van mijn vorige columns schreef de kunstenaar Jan Doms blij te zijn dat Brabant Cultureel nog over serieuze kunst schrijft. De Brabantse kranten komen daar niet meer aan toe. “Zelfs de nieuwe Nederlandse staatskunst, gefinancierd door aan de overheid gelieerde staatsfondsen zoals het Mondriaan Fonds” komt daarin volgens Doms niet aan bod. Ik vroeg hem wat hij bedoelt met ‘de nieuwe Nederlandse staatskunst’?

Jan Doms in 2010. Foto > Martin Stoop

Jan Doms (1949) is een kunstenaar die zijn beelden presenteert via installaties, performances en door samenwerking met vertegenwoordigers van andere kunstdisciplines zoals dans of architectuur. Hij reisde naar tal van landen om te zien hoe kunstenaars onder andere omstandigheden dan hier de wereld van nu proberen te verklaren in kunstprojecten. Hij gaf de aanzet tot tal van vernieuwende interventies in de kunst. Een conventie bevestigen, daar houdt hij niet van, Jan Doms. Maar dat terzijde. Wat bedoelt hij met de nieuwe Nederlandse staatskunst? Er volgde een uitgebreid antwoord waaruit ik u hier graag citeer:

“In het naoorlogse Nederland werden vanuit de wederopbouwgedachte twee regelingen voor kunstenaars ingevoerd die bekend zijn geworden als de beeldende kunstenaarsregeling (BKR 1956-1987) en in 1951 de 1%-regeling voor de kunsttoepassing bij gebouwen. Toen ik in 1976 aan de kunstacademie afstudeerde op het gebied van constructief beeldhouwen, werd ik aangemoedigd om – zoals dat toen genoemd werd – in de BKR te gaan. Ik herinner mij nog dat een voltallige BKR-commissie op bezoek kwam bij mijn eerste grootschalige project ‘Het Fitnesscomplex of… je wilt er toch goed uit zien’. De commissieleden waren totaal verbijsterd door dit artistieke instant fitnesscentrum vol met verenstalen oefenobjecten zoals bijvoorbeeld een uit de kluiten gewassen stalen halter met gewichten in de vorm van enorme flexibele slagroomkloppers. Die gaven tijdens het sporten een oorverdovende geluid af met behulp van elektronica, gecreëerd door de musicus Ernst Bonis.”

 Interactieve installatie ‘Fitnesscomplex, of …… je wilt er toch goed uit zien’ in de centrale ruimte van ENNU (tegenwoordig PARK). Foto > persbureau Van Eindhoven.

“De commissieleden vreesden dat ik mij met deze vorm van dynamische, interactieve performancekunst zou aanmelden voor de BKR. Gelukkig kon ik ze geruststellen. Ik deed het niet, omdat niemand mij wist te vertellen hoe je als kunstenaar weer uit die benarde positie van BKR kon komen. Mijn eenmalige ervaring in die tijd met de 1%-regeling – je moet het toch een keer proberen – leverde dezelfde conclusie op. Ook toen al begon men vanuit de bureaucratie te werken met een wervingsproces gebaseerd op de ‘open call’. Dat houdt in dat je als kunstenaar op je knieën naar de commissie moet kruipen om kans te maken op een opdracht.”

Als kunstenaar op je knieën naar de commissie moeten kruipen om kans te maken op een opdracht.

BKR en 1%-regeling bestaan niet meer, maar volgens Doms betekent dat niet dat het er in Nederland beter op is geworden: “In 1994 richtte het toenmalige Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur de Mondriaan Stichting op, thans bekend als Mondriaan Fonds. In het kielzog daarvan kwamen er nog meerdere fondsen en prijzen op landelijk, provinciaal en gemeentelijk niveau. De kunst hoefde zich geen zorgen meer te maken. Geld volop, geld dat werd toegekend door enthousiaste kunstkenners als museum- en theaterdirecteuren en kunsthistorici.”

“Maar begin jaren tachtig werd het openbaar bestuur omgeturnd tot de BV openbaar bestuur. Het land, de provincies en de steden werden voortaan gemanaged in plaats van bestuurd. De uit de bureaucratie voortspruitende managers stelden hun eigen politieke en economische doelen en toonden weinig respect meer voor de integriteit van kunst en kunstenaars. Zij namen de cultuurafdelingen van de overheid en de daaraan gerelateerde fondsen in stilte over. Zij bedienen zich daarbij van een leger van zogenaamde onafhankelijke adviseurs / curatoren, die zich uitgeven voor experts en zich omwille van hun verdienmodel zonder gêne committeren aan de eisen van de bureaucratie en de politiek.”

De managers namen de cultuurafdelingen van de overheid en de daaraan gerelateerde fondsen in stilte over.

Volgens Doms ontstond er een nieuwe bestuursmodel naar de voorbeelden van Iron Lady Margaret Thatcher en van Stalin in Nederland, vrij vertaald door figuren als Halbe Zijlstra als Kunst-is-voor-het-volk-en-mag-niets-kosten. “Begin jaren negentig ging ook de Provincie Noord-Brabant zich richten op de productiekant van de kunsten en het ontwerpen. Ik was destijds met collega’s druk in de weer met grootschalige multidisciplinaire kunstprojecten onder de naam De Maatschap Internationaal en trad daarmee op in Nederlandse, Belgisch en Duitse theaters en op festivals. Een ambtenaar van de provincie belde mij dan ook vol verwachting met de vraag of wij als maatschap structurele subsidie wilden. Ik wees het aanbod af. Doodse stilte aan de andere kant van de lijn.”

Doms zegt niet toegehapt te hebben, omdat de kunstenaar bij zo’n aanbod maar voor een jaar de mogelijkheid krijgt te maken wat hij zelf wil maken. “Het tweede jaar zouden ambtenaren aan mijn kop komen zeuren en het derde jaar zouden ze me zijn gaan vertellen wat ik zou moeten maken om het recht op subsidie te kunnen behouden. Daar had ik echt geen trek in. Immers, een kunstenaar hoort op autonome wijze te bepalen wat hij maakt. Politiek en bureaucratie hebben daar geen enkele zeggenschap over, want dan is de kunst dood!”

Een kunstenaar hoort op autonome wijze te bepalen wat hij maakt

De jaren daarna heeft Jan Doms zich erover verbaasd dat er zoveel kunstenaars waren die bereid bleken zich met handen en voeten te willen binden aan provincie, rijk en gemeenten en zich uitleverden aan een keur aan fondsen. “Waarschijnlijk in de ijdele hoop hun eigen artistieke paden te mogen blijven bewandelen. Begrijpelijk, zeker waar het bijvoorbeeld een dansgezelschap betreft. Dat kun je als individu op private basis nooit in stand houden. Daar heb je de belangeloze hulp van de overheid bij nodig. Maar zo gauw je niet meer voldoet aan de ‘staatskunst’-eisen, gelegitimeerd door een leger van ‘staats’-adviseurs, ligt alleen de uitgang van ‘subsidieland’ nog voor je open.”

Doms heeft een punt. Het sluipende proces van alles dwangmatig te moeten vertalen in verdienmodellen, heeft de laatste decennia een grauwsluier over de kunst gelegd. Vrijheid in de kunst bestaat alleen voor haar of hem die in het straatje van het management past. Managers die volgend jaar in een duurdere baan misschien software verkopen of een reisbureau opzetten. Of zoals Jan Doms het zegt: “Kon je vroeger nog spreken met een directeur van een conservatorium die componist was, nu tref je een manager aan die je trots vertelt dat hij geen verstand van muziek heeft.”

In artikelen over de beeldend kunstenaar Antoon Versteegde en de schrijver Anton Dautzenberg roerde ik op deze plaats het sluipend proces van de liberale politieke knechting van de kunsten al eerder aan. Volgens Jan Doms is het helemaal geen sluipend proces meer: “Overheden en fondsen schamen zich nergens meer voor. Deze nieuwe ‘kultuurkamers’ zijn een renderend verdienmodel van en voor de kunstexperts / curatoren en een leger daaraan gelieerde ‘staats’-kunstenaars. Zij bedienen zich van ronkende nieuwsbrieven, opgesteld door specialisten op het gebied van communicatie, om weerspannige kunstenaars te verstaan te geven dat het niet de bedoeling is dat zij zelf bepalen welke kunst ze het licht laten zien. Je hebt je te houden aan de regels van de ‘staatskunst’ als je financiële ondersteuning wilt verwerven. Voor wat, hoort wat! Wie betaalt, die bepaalt.”

© Brabant Cultureel 2022

Reacties (1)

  1. Theo van Keulen schreef:

    Chapeau Jan voor dit goed gefundeerd verhaal, je slaat de spijker op zijn kop.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.