Over de tijd die zomaar met je op de loop kan gaan

door JACE van de Ven • Repetitiefoto’s Zwarte Kersen | Liesbeth Reeser > Henk van Weert

Nog geen twee jaar geleden schreef ik in deze column vol lof over het boek Zwarte Kersen van Peter van Vlerken, over de theatermonoloog die daarvan door Liesbeth Reeser gemaakt is en ook door haar gespeeld wordt, ben ik al even lyrisch.

Ik zag het stuk in Ons Mierloos Theater in een multifunctionele zaal met hoog podium. Dat hoorde wel een beetje bij de vrouw die op het toneel verbeeld wordt. De boerin Miet. In haar tijd werd toneel in dorpen nog in parochiehuizen gespeeld, maar het boek Zwarte Kersen en de theatermonoloog verdienen meer. Ze zijn geen heemkundig verslag hoe het er in Mierlo aan toe ging decennia geleden, maar een universele verbeelding van hoe het de boeren op de Brabantse zandgrond tussen de jaren 1950 en 2000 verging, de tijd waarin de meeste kinderen uit boerengezinnen voor een ander beroep kozen en de overgebleven boerderijen met hun grondgebonden gezinnen verwerden tot agrarische bedrijven. De hoofdfiguren Miet en Piet zijn in het begin van het verhaal doorsnee dorpsfiguren, ze eindigen als anachronistische curiositeiten, zoals ik destijds al in de recensie van het boek schreef. En dat is een spiegel die men het publiek overal voor kan houden.

Liesbeth Reeser, als actrice en theatermaker vooral actief bij het Eindhovense gezelschap Carte Blanche, speelde al eerder met succes monologen gebaseerd op boeken. Zij schrijft die theaterteksten zelf en laat zich wat de regie betreft bijstaan door haar partner Stefan Jung. Ook nu weer blijkt dat een geweldige combinatie. Omdat Carte Blanche onder meer werkt met mensen aan de rand van de samenleving heeft Reeser zich eerder bezig gehouden met de verbeelding van dementie. Die ervaring zal haar zeker van pas gekomen zijn in Zwarte Kersen, een monoloog die verteld wordt door Miet als oude en eenzaam achtergebleven vrouw. Dement, maar met een heldere kijk op het verleden en op het als schande ervaren noodlot daarin, haar kinderloosheid. Meer nog dan in het boek is dat in de monoloog de droeve kern van het verhaal.

In die monoloog, die ongeveer een uur en een kwartier duurt, zien we een vrouw in een wit nachthemd in een tehuis. Haar kwetsbaarheid wordt nog versterkt door het feit dat zij de hele voorstelling op blote voeten ronddoolt. Wat herinner ik me nu weer, zie je haar soms verschrikt denken, want niet alles is goed gegaan in haar leven en daar lijkt ze soms op bijna panische wijze bedroefd om. Die droefheid hangt de hele voorstelling op poëtische wijze om haar heen. Zelfs als ze lacht, heeft dat iets verontschuldigends.

De droefheid hangt de hele voorstelling op poëtische wijze om haar heen

Op die manier zet Liesbeth Reeser op ontroerende wijze een personage neer dat zo graag iedereen in haar leven gelukkig gemaakt had, als vrouw, als schoondochter en als moeder. Aanvankelijk is er nog de stille euforie als haar menstruatie niet op tijd en stond is, later komt er de hoon van haar schoonmoeder, de momenten van confrontatie met zichzelf als er een kalfje geboren wordt, of erger nog, de tranen als zij een biggetje dat niet aan de speen van de zeug kan de fles moet geven. En elke maand is er weer de teleurstelling als ‘de rooie lappen’ weer witgewassen moeten worden en aan de draad te drogen gehangen. Zij verzet zich tegen haar schuldgevoel, maar speelt dat zo, dat het publiek voelt dat dit er onderhuids wel is, ook al weet zij als toneelpersonage en weten wij als publiek niet waar de oorzaak van de onvruchtbaarheid ligt. Alles culmineert uiteindelijk in het verwijt van haar man die haar altijd verdedigd had: “Als ik een zoon had gehad, dan was alles anders geweest.”

Dat klinkt wat melodramatisch, maar zo is het stuk en de uitvoering ervan niet. Zeker, emotie wordt niet geschuwd, maar nergens overdreven, de tekstzegging is vaak vrolijk van toon en de hele monoloog kent een energiek en afwisselend ritme. Intussen gaat het leven van een vrouw voorbij, anders dan ze had gewild. En op de achtergrond gebeurt met het leven van haar man hetzelfde. De tijd haalt hen in. “Wij zijn niet meer in de mode, Piet”, zegt Miet als zij beiden hun teleurstellingen verwerkt hebben en zij van afstand met verwondering de zich verwijderende tijd nakijken. Hun paard is dan allang gestorven en de boerderijtjes van vroeger zijn verbouwd tot villaatjes voor mensen met dikke banen in de stad.

Ik vraag mij af of de monoloog Zwarte Kersen ook mensen aanspreekt die in een stad geboren zijn en opgegroeid. Ik denk het wel, want het gaat hier niet om hoe oude beroepen verdwenen en de mensen erachter met hen, maar om hoe je dat leven van ons, dat je maar één keer leeft, niet altijd naar je eigen hand kunt zetten. Machten en krachten buiten je om kunnen je buitenspel zetten zonder dat je het in de gaten hebt of er iets aan kunt doen. Dat gebeurt overal, maar zeker en heel nadrukkelijk gebeurde het in de decennia dat de mechanische tijd overging in de elektronische. Dat hebben Peter van Vlerken, Liesbeth Reeser en Stefan Jung verbeeld op een wijze die je raakt, helder en poëtisch tegelijk, met een vleugje humor hier en daar en op een manier dat je er nog eens aan terugdenkt.

In verband met de weer opspelende coronadreiging zijn nieuwe uitvoeringen van Zwarte Kersen voorlopig opgeschort.

© Brabant Cultureel 2021