Meisjes vinden die dingen wauw

door Yorgos Dalman

Cass zit tegenover me aan de keukentafel en schenkt ons een whisky in. Hier is waar we van elkaar verschillen. Ik drink Johnnie Walker Double Black en zij zweert bij Ballantine’s vanwege dat nummer van Tom Waits.
     ‘Ik kan er niet meer tegen,’ begint ze. Ze snift wat en kijkt een andere kant op.
     ‘Oké,’ zeg ik. Ik merk dat ik dezelfde kant opkijk. Er is niets te zien behalve een messenset dat met een magneet aan de muur hangt.
     ‘Je zegt altijd oké.’
     ‘Dat is het ook.’
     ‘Laat ook maar,’ zegt ze. Ze verschuift de fles Ballantine’s iets.
     Cass woonde in een studio toen we elkaar ontmoetten op een feestje. Ik vond haar nogal jongensachtig. Haar haar was korter en donkerder dan het mijne en ze kon kauwgom kauwen op een manier die de aandacht trok, zeker wanneer ze iets tegen je zei en ze dat kauwen met kleine rukjes van haar onderkaak tussen de woorden door deed.
     Op een gegeven ogenblik zei ze: ‘Sorry hoor’, trok in het bijzijn van iedereen met een ruk haar spijkerbroek naar beneden en zette een insulinespuit in haar linker bil. ‘Moet ik soms even doen,’ zei ze koeltjes. ‘Ik heb er geen zichtbaar probleem mee,’ zei ik. En daarna zei ik dat ik dit het meest sexy vond dat ik deze week had meegemaakt. Diezelfde avond eindigde ik bij haar in bed en daar waren we opeens: zij en ik en haar linker bil en de rest van de wereld en alles leek goed.
     Ik wil de fles Ballantine’s pakken om voor Cass in te schenken maar met een kort hoofdgebaar slaat ze het af. Onze keukentafel is niets meer dan een uitklapbaar campingtafeltje. Gekocht bij het tuincentrum voor € 29,90. Samen hadden we het naar de bushalte getild, alsof het een zware sofa betrof. We hadden gelachen toen.
     ‘Herinner je je deze tafel nog?’ vraag ik.
     Cass veegt haar mondhoek droog. ‘Ja,’ zegt ze.
     ‘Alsof we een sofa meenamen.’
     ‘Ja,’ zegt ze nog een keer, kortaf.
     Ik woonde in een kamer van tweeëneenhalf bij tweeëneenhalf toen ik Cass ontmoette. Het was een veredeld washok op de eerste verdieping van een oud herenhuis. We moesten met negen bewoners een badkamer delen. Ik had een veldbedje met een tv op het voeteneind. De magnetron stond op de middelste plank van mijn klerenkast. Ik had een koelkastje van een oud-bewoner overgekocht en op de vensterbank stalde ik het broodbeleg. Cass vond dat intrigerend, dat ‘leven in de marge’. ‘Daar zit een roman in,’ zei ze. Ik vond het goed. Ik vond op dat moment eigenlijk alles goed. Cass bleef een keer overnachten. De hele nacht hadden we de slappe lach op dat veldbedje. Toen ik bij haar introk hadden we samen voor dat veldbedje nog een afscheidsrede gesproken voordat het naar de stort ging.
     Cass schenkt opnieuw in, neemt een slok maar verslikt zich. ‘Jezus,’ zegt ze. Ze veegt een onbedoelde traan weg. ‘Ik wou dat alles eens normaal werd. Toen ik je ontmoette was je vreemd, maar wel anders. Vreemd maar lekker. Je had die verhalen. Dat je uit het raam klom van het gekkenhuis en er ’s nachts op uitging. Dat je mesjogge dingen deed. In je onderbroek in een vlaggenmast klom. Zelfbedachte bluesliedjes brulde bij de ingang van de Hervormde Kerk. Dat vond ik mooi. Dat was spannend. Misschien was ik naïef. Ik weet het niet. Ik ben ook maar een meisje. Meisjes vinden die dingen wauw. Maar op een gegeven ogenblik word je groot. Worden de dingen anders. Wil je verder. Samen iets opbouwen. Daarvoor is meer nodig dan een messenset van je schoonouders en een uitklapbaar campingtafeltje.’ Met de zijkant van haar hand veegt ze de gemorste whisky van tafel. ‘Je hield van me vanwege de littekens op mijn arm,’ zegt ze dan. ‘Je zei me dat ik mocht snijden wat ik wou en dat je het allemaal goed vond en dat je nadien de aardappelmesjes voor mij in de vaatwasser wilde stoppen. Maar meisjes ontgroeien hun littekens vroeg of laat en wanneer het dan laat is willen ze meer dan alleen je zorgzame vingers over de korstjes.’
     ‘Oké,’ zeg ik. (Stom antwoord dus.)
     Cass bijt op haar onderlip. ‘Ik ben nu klaar met snijden en als ik toch een terugval krijg doe ik het heimelijk, zonder dat je het weet. Ik wil een vrouw zijn in jouw bijzijn, onvolmaakt misschien, maar wel volgroeid en volwassen. Niet vast blijven zitten in een appartement waar in geen half jaar een kruimeldief doorheen is gehaald en waar de vloer bezaaid is met pizzadozen en goedkope horror-dvd’s.’
     ‘Als je wilt, flikker ik al die zooi vandaag nog van het balkon,’ zeg ik. ‘En die pizzadozen erbij.’ Ik trek mijn muts van mijn hoofd en laat hem door mijn vingers gaan. Het is een gebreide muts, zo oud dat ik me niet meer kan herinneren wanneer ik hem gekregen heb. Ik heb hem altijd op, ze geeft iets van structuur aan dat lange haar van mij. Winter, zomer, voorjaar, dat ding past in elk seizoen. Net als mijn baardje dat zo, met dat lange haar, de cirkel in mijn gezicht rond maakt. Cass houdt van dat gezicht. Althans, dat zei ze vroeger vaak. Maar vroeger is een ander seizoen. Misschien is de esthetiek van mijn gezicht tegenwoordig niet meer zo urgent. Niet meer terzake doende. Ik heb weinig ego, ik hoef geen podium, maar die terloopse, koerende woordjes van haar onder het eten of ergens op de hoek van twee straten tijdens een avondwandeling waren altijd zo sprankelend als alcohol geweest.
     ‘Ik houd de dingen graag zoals ze nu zijn. Ik zie geen nut in verandering.’
     ‘We moeten dóór,’ zegt ze. ‘Snap je dat dan niet? Alles staat stil bij ons. Ik kan net zo goed buiten op het balkon gaan zitten kijken hoe de klimop bij onze overburen groeit. Of hoe de lucht boven de daken langzaam verandert.’
     ‘Wie stilstaat kan niet verdwalen,’ probeer ik gevat te zijn.
      Cass pakt haar fles en zet die met een klap op tafel. Haar haar heeft slagen die de schijn geven van wanorde. Maar bij haar is alles mooi. ‘Dat idiote werk van je,’ zegt ze dan. ‘Dat uitzichtloze inpakken. Wie help je daar toch mee?’
     ‘Het is werk,’ zeg ik. ‘Het is wat ik doe. Ik doe mijn ding en ik cash mijn poen. En daar betalen we deze ranja van.’ Ik hef mijn glas op.
     Cass schuift haar fles opzij. ‘Dan maar zonder ranja. Kan me niets schelen. Ik zie hier geen overwinning meer in. Jij hebt meer in je mars. Al ben je waarschijnlijk de laatste die dat wil toegeven.’
     ‘Je weet hoe moeilijk het voor mij is werk te vinden. Ik mag blij zijn dat ik iets heb.
     ‘Onzin.’
     ‘Geen zinnige baas die erover denkt mij aan te nemen.’
     ‘Dan ga er maar voor vechten,’ zegt Cass. ‘En als je dat niet alleen kunt, dan doen we het samen.’
     Ik werk bij Groen, Inc. Een groente- en fruitgroothandel. Ik kwam er zo’n twee jaar geleden aanzetten. Ik zocht werk. Of het werk zocht mij. Zoiets moois was het. Ik kreeg de functie van allround inpakker. Op de eerste dag werd ik mee naar buiten genomen en kreeg een paar rubberen handschoenen in mijn handen gedrukt. Ik mocht alle asbakken aan de muren bij de laadperrons leegmaken en schoonpoetsen. De asbakken waren grote metalen reservoirs die niet waterdicht waren en na elke regenbui was de inhoud verworden tot een plakkende peukenbrij.
     Nadat alle asbakken glommen als zilverwerk mocht ik de losliggende pallets verzamelen en op een stapel leggen. Geen verkeerd karwei zolang de stapel niet boven schouderhoogte uitkwam. Maar dat deed de stapel al gauw wel. En de volgende ook.
     In de pauzes bleef ik vaak buiten tussen de kratten zitten, ook als het regende. De chef kwam wel eens het perron op om een peuk te roken. Dan zag hij mij zo zitten, dacht er het een en ander van en liep weer naar binnen.
     Cass had enthousiast gereageerd toen ze hoorde dat ik een job had. ‘Het zal je wat stabiliteit geven,’ zei ze.
     ‘Ja,’ had ik geantwoord. Verder wist ik niets te zeggen.
     De chef haalde me al gauw naar binnen en bracht me naar een werktafel met daarop een weegschaal en enkele dozen plastic zakken. Er kwam vanaf de perrons een oneindige toevoer van uien, broccoli, bananen en paprika’s. Die mocht ik sorteren, inpakken, verzendklaar maken en, als de chauffeurs te lui waren, de vrachtwagens inrijden. De chef keek toe en zag dat het goed was. Na een week gaf hij me een stel werkschoenen met stalen neus, een schort, nieuwe rubberen handschoenen en een haarnetje. ‘Nu is het voor echt, jongen,’ zei hij. ‘Welkom.’
     Dat het werk na een maand hetzelfde was en bij de wisseling van seizoenen nog steeds deerde me niet. Een nieuw jaar kwam vanzelf en de oneindige sliert uien, broccoli, bananen en paprika’s ook. Ik dacht niet na. Ik velde geen oordeel. Ik greep beet, pakte in, zette klaar en tussen dat alles door kroop ik buiten tussen de kratten en deed mijn ding met de stilte en de broeierige geur van rottend fruit in de afvalcontainers en soms de regen.
     ‘Wat wil je dan dat ik doe?’ zeg ik. ‘Ik heb geen ambities. Wat ik doe bevalt me. En wat ik niet doe bevalt me misschien nog meer.’
     Ze schuift haar stoel opzij. De viltjes zijn onder de poten weggesleten en het schuiven maakt een piepend geluid. ‘Erg zen,’ zegt ze.
     ‘Ik zie het probleem niet.’
     ‘Mensen veranderen. Mensen moeten dat, dat zijn ze aan elkaar verplicht.’
     ‘Misschien heb je gewoon een goed shot insuline in je linker bil nodig.’
     ‘Stop daarmee!’ zegt ze.
     Ik sta op. Loop wat rond. ‘Zo’n showtje zou mij in elk geval goed doen,’ zeg ik.

Cass zet de fles whisky terug op de plank. Ze heeft een blauwe plek op haar schouder in de vorm van een sluipende kat. Mooi net zo vanonder de gerafelde rand van haar shirt waarvan ze de mouw heeft afgescheurd.
     ‘Cass,’ zeg ik. Ik sta tegen het aanrecht geleund. Ik trek de muts van mijn hoofd, laat hem een ogenblik door mijn handen draaien. ‘Als ik alleen maar-‘ (maar ik kan me niet bedenken hoe ik die zin moet afmaken.) ‘Als je het wilt,’ zeg ik dan. ‘Als je het echt wilt dan stop ik met werken daar. Geen broccoli en uien meer.’
     ‘En dan?’
     ’En dan zoek ik een modieus kantoorbaantje. Zo een waar ik de hele dag, ‘Ja, chef’, ‘Nee, chef’ en ‘Goed, chef’ moet zeggen en eindeloos onbestemde statistieken moet uittikken. Gegarandeerd een toekomst met doorligwonden op mijn zitvlak, een horloge van de zaak en elk jaar een dertiende maand.’
      ‘Verdomme,’ zegt Cass. ‘Jij kunt ook nooit serieus zijn.’
     ‘Ik ben bloedserieus,’ zeg ik. ‘En als ik mijn haar ervoor moet afknippen doe ik dat ook nog.’ 
     Cass blaast agressief door haar samengeperste lippen. ‘Dat doe je toch niet.’
     ‘Nee,’ zeg ik. ‘Waarschijnlijk niet.’
     ‘Nee,’ zegt ze. ‘Jij bent geboren om je eigen ding te doen. En dat ga jij echt niet veranderen. En verdomme dat ik dit weet.’ Ze loopt de keuken uit. De treden kraken. Ik hoor haar boven met een deur slaan.
     Ik leun tegen het aanrecht. Ik denk aan zen en aan gescheurde mouwen en aan de kat die haar klauw had uitgeslagen. Dan schenk ik voor mezelf nog een Johnnie Walker in. Double Black. De Double Black is duurder dan het reguliere Black Label. Het verschil is dat de dronk meer rokerig en intenser is.

Ik herinner me een gure oktoberavond, lang geleden. We waren op een feestje geweest, zo’n feestje dat gevuld was met luidruchtige mensen met nietszeggende, lege gezichten. We hadden de grootste lol met elkaar. Niemand had door dat we hen en de hele wereld uitlachten. Goedkope drank vloeide rijkelijk. Toen het begon te stortregenen trok Cass me naar buiten.
     ‘Haal me weg van hier!’ gilde ze.
     Als doorweekte scheepsratten kwamen we thuis. Onderweg naar boven schopten we onze kleren uit. Cass rolde over de vloer en kon haar slappe lach niet stoppen. Ze gromde diep als een wild dier. Ik ging op de grond liggen en deed alsof ik haar filmde. Cass zag me met mijn zogenaamde camera en kroop in gekromde tijgerhouding naar me toe, klaar om me te bespringen.
     Die nacht lagen we dicht tegen elkaar aan. ‘Dit doen we nog een keer,’ fluisterde ik. Ze giechelde. ‘Wat dan precies?’ zei ze. Ik proestte het uit en moest haar het antwoord schuldig blijven. ‘Weet ik niet,’ zei ik. ‘Maar ik weet wel dat we het nog een keer doen.’ Ze giechelde nog een keer, wreef haar klamme haren tegen me aan en slaakte een zucht.
     Al gauw kon ik haar zware, regelmatige ademhaling horen. Ik bleef wakker en staarde in de duisternis. Wanneer een late, verdwaalde auto door de straat reed, kroop het licht van de koplampen over het plafond.
     Opeens sprak Cass. Haar stem klonk kalm en kraakhelder. ‘Kijk uit, liefje,’ zei ze. ‘De zakjes vallen van het plafond!’
     ‘Wat zei je,’ vroeg ik verbaasd. Maar Cass antwoordde niet. Pas toen ik haar zware, regelmatige ademhaling weer hoorde, realiseerde ik me dat ze in haar slaap gepraat had.
     Het was een wonderlijk moment waarover ik tot diep in de ochtend bleef nadenken. Ik nam me heilig voor haar hierover de volgende dag te vertellen. Echter toen het de volgende dag werd observeerde ik haar alleen maar, haar bewegingen, haar gebaren, haar lippen wanneer ze sprak en zei verder niets en tot op de dag van vandaag waren haar woorden van die afgelopen gure oktobernacht mijn geheim gebleven.
     Ik loop de trap op, de gang in. De gang is leeg. In de slaapkamer trek ik stilletjes mijn kleren uit.
     Cass ligt met haar rug naar me toe als ik het bed instap.
     ‘Ik weet dat je wakker bent,’ fluister ik. ‘Het spijt me. Het spijt me voor alles.’
     Ik luister een ogenblik naar haar ademhaling. Haar linkerschouder gaat zachtjes op en neer.
     ‘Ik ga bij je weg,’ zegt ze.
     Ik kus haar op haar schouder. ‘Ik weet het,’ zeg ik.
     ‘Je bent een klootzak,’ zegt ze. ‘Je bent het niet maar ik wil het. Ik wil dat ik je voor klootzak kan uitmaken.’
     ‘Probeer het gewoon,’ zeg ik.
     ‘Het lukt me niet.’
     Ik kus haar arm.
     ‘Doe dat niet,’ zegt ze. ‘Ik wil je kunnen haten.’
     Ik kus haar in haar zij. ‘Moet ik je daarbij helpen?’
     Ze draait zich om en slaat met haar kussen tegen me aan. ‘Hou op met die woorden! Je weet dat ik je zo niet de baas kan zijn!’
     ‘Ik weet het,’ zeg ik. Langzaam duw ik haar benen uit elkaar.
     ‘Doe het niet,’ zegt ze.
     ‘Rustig maar,’ zeg ik. Ik kus de binnenkant van haar dijen, ik kus haar kruis, trek haar slipje uit en lik haar langzaam naar een hoogtepunt. Ze verzet zich nog even maar laat me dan los en komt klaar met een onderdrukte kreun. Dan begint ze te snikken.
     ‘Wat is er?’ vraag ik.
     ‘Toch ga ik bij je weg.’
     Ik vlei me tegen haar aan en begraaf mijn gezicht in haar hals. ‘Is goed,’ zeg ik. ‘Maar nu nog even niet. Nu gewoon blijven liggen. Alleen zo blijven liggen. We hebben nog even.’
     Cass zegt niets. Haar schouder gaat weer zacht op en neer. Ze weet dat ik gelijk heb.
Ik heb altijd gelijk. We hebben nog even.

Illustraties: Hans Lodewijkx

© Brabant Cultureel 2021