Bij het afscheid van Gerrit van den Hoven

door JACE van de Ven

Vijfentwintig jaar was hij kunstredacteur van het Brabants Dagblad, Gerrit van den Hoven (63) ging begin deze maand met pensioen. De laatste jaren van zijn kunstredacteurschap verliepen gaandeweg in grotere eenzaamheid, uiteraard door corona, maar ook door het feit dat steeds minder journalisten zich met kunst en de kunsten bezighouden.

Gerrit van den Hoven

De media – op enkele serieuze kranten en tijdschriften na – hebben zich van de kunst afgekeerd. De kunst zelf is teveel naar binnen gericht en de kennis erover is verdwenen. Konden veel mensen zich vroeger opwinden over schilders als Karel Appel – ‘Dat kan mijn kleinkindje ook!’ – tegenwoordig weet niemand meer wie Karel Appel of een vergelijkbare grootheid uit de kunsten is. De hele discussie over kunst en kunstenaars is uit het maatschappelijk debat verdwenen. En als het woord kunst al opduikt, dan gaat het over geld: dit of dat kunstwerk is te duur,  of de kunstsector hangt bij de verdeling van overheidsgelden aan de achterste mem.  Maar meestal wordt de kunst gewoon doodgezwegen.

Karel Appel, 1962. Foto van Ed Van der Elsken.

Toen Gerrit van den Hoven in 1995 kunstredacteur van het Brabants Dagblad werd, was die discipline daar net een serieus onderdeel van de krant aan het worden. Sinds korte tijd was er een dagelijkse kunstpagina – de krant had nog een groot formaat pagina’s – en de vier kunstredacteuren specialiseerden zich elk op hun eigen kunstrichtingen. Gerrit kreeg popmuziek en beeldende kunst toebedeeld. Daarnaast bestonden er een wekelijkse film- en uitgaanspagina en heel regelmatig pagina’s met boekbesprekingen. Wanneer je iedereen meetelde, hielden zich bij het Brabants Dagblad rond het jaar 2000 acht redacteuren op een of andere manier met kunst en cultuur bezig. In 2021, nu Gerrit van den Hoven weggaat, was hij de enige en hij wordt ook opgevolgd door maar één redacteur, Annemiek Steenbekkers. Uiteraard liep tegelijk de vaste ruimte voor kunst in de krant ook terug tot zo nu en dan een incidenteel bericht of interview.

Ook de krant is schuld aan het wegstoppen van kunst en cultuur in onze maatschappij.

Kunst, waar praten we ook over? Het gaat in onze maatschappij waarin alleen economische cijfers lijken te tellen over nog niet één procent van ons nationale budget. Over nog geen half procent. En toch richten politici die spiritueel niet hoger dan een meter kunnen springen hun altijddurende gramschap op de kunst. En dat is nog niet het ergste. Die meningen lijken even serieus genomen te worden als die van hen die zich wel in de materie verdiept hebben. Mensen die de ballen verstand van iets hebben, tikken vliegensvlug – met twee duimen – een zoekwoord in op hun mobiel en roepen een seconde later hoe het zit, terwijl zij de informatie die ze rondblèren aan niets kunnen linken omdat ze niet zouden weten waaraan. Vaak hebben ze daartoe zowel thuis als in het onderwijs niets meegekregen.

Ook de krant is schuld aan het wegstoppen van kunst en cultuur. Vóór Gerrit van den Hoven – we overlapten elkaar enkele jaren – was ik zelf vijfentwintig jaar kunstredacteur van het Brabants Dagblad en hoewel ik het geluk had de ruimte voor kunst in de krant te zien toenemen, moest ik altijd strijd voeren voor de serieuze kunst. De krant wilde per se laag inzetten. ‘Mien uit Oerle’ (als deze naamgeving in dit verband discriminerend is, ligt het niet aan mij, want het zijn de letterlijke woorden van de hoofdredactie destijds) moest het onmiddellijk kunnen begrijpen.

Dat vind ik niet. Mien mag er best enige moeite voor doen. Pas toen ik de regels van het snookerspel kende, begon ik snookerwedstrijden op tv interessant te vinden en eerlijk gezegd vond ik mijn eerste olijf ook niet lekker, terwijl ik nu kan zweren bij olijven uit Kalamata. Omdat ik alle soorten geproefd heb. Met andere woorden: als je naar iets toe beweegt, zoals een keeper naar de bal die op hem afgeschoten wordt, zul je daar je voordeel mee doen. Ook in de kunst.

Laten we de werkbijen in de kunst, ook al begrijpen we ze niet altijd, koesteren.

Toen Gerrit van den Hoven bij ons op de kunstredactie kwam en ik hem vroeg wat zijn achtergrond op dit gebied was, refereerde hij aan een studie Nederlands, maar ook aan Openbaar Kunstbezit. Hij was van jongs af aan in aanraking gekomen met kunst via zijn vader. Die was geabonneerd op  Openbaar Kunstbezit. Hij kreeg elke week een afbeelding van een kunstwerk thuisgestuurd. Die prikte hij in de huiskamer aan de muur. En als kind luisterde Gerrit samen met zijn vader naar het radioprogramma over het kunstwerk van de week. Ik vond dat geweldig. Het herinnerde mij aan een van de allereerste colleges tijdens het eerste jaar van mijn rechtenstudie. De hoogleraar  Oud Vaderlands Recht vroeg of iemand wist wat erfgooiers waren. Ik stak mijn vinger op en legde het hem uit. Hij zei: “Prima, hoe weet je dat?” “Uit een AO-boekje”, antwoordde ik in alle eerlijkheid. Daar moesten de andere kraaknieuwe studenten om lachen, want zij volgden een universitaire studie en AO-boekjes waren destijds – bestaan ze nog?* – bedoeld om middelbare scholieren wat algemene ontwikkeling bij te brengen. Ik ben professor Coopmans nog steeds dankbaar dat hij erop wees dat ik dankzij zo’n AO-boekje wel de enige was die wist wat erfgooiers waren.

De reeks Actuele Onderwerpen.
Hier is het AO-boekje 907 Erfgooiers (1952) te lezen.

De liefde tot kunst is iedereen aangeboren, maar moet wel vanaf vroege leeftijd gekoesterd worden om te kunnen bloeien. En als je weet waar je over praat, is het makkelijker om iets te waarderen. Neem bijvoorbeeld maar van mij aan: In de kunst wordt over het algemeen heel hard gewerkt, voor heel weinig geld, wat die éénmeterhoogspringers ook durven beweren. Laten we de werkbijen in de kunst, ook al begrijpen we ze niet altijd, koesteren. En ook mensen als Gerrit van den Hoven, die, alle tegenwerking ten spijt, aandacht blijven vragen voor die eenzame zwoegers in de kunsten die ons omringen en die zo goed als onzichtbaar zijn geworden. Mogelijk slagen we erin om via hen in de wereld om ons heen iets beter te begrijpen. En al zou dat niet eens waar zijn en zouden we het alleen maar denken, dan heeft het nog zijn waarde. Dat je überhaupt tot denken wordt aangezet, waar gebeurt dat nog?

* De AO-reeks bestaat nog steeds, zie: profielactueel.nl/actuele-onderwerpen

© Brabant Cultureel 2021