Revalidatieroman ‘Erg hè!’ van Petra Jorissen komt precies op tijd

Nobelprijswinnaar Olga Tokarczuk leert dat woede helder maakt, inzicht geeft, ja zelfs de bron van kennis is. Mij is juist geleerd dat woede je blik vervormt, je oordeel verbastert. Petra Jorissen gooit met haar boek ‘Erg hè!’ die overzichtelijke overtuiging overboord. Hoe had zij, een geboren dwarslaesie met verlamde benen, zonder woede haar leven moeten begrijpen? De woede van Jorissen is geen boosheid; het is waakzame dwarsheid.

door Han Roijakkers

‘Niet op dezelfde voet doorgaan? Dacht het juist wel’, monkelt romanpersoon Julia in de lift na een dwingend advies van de revalidatiearts. Die dwarsheid is haar kompas. Die dwarsheid neemt niemand haar af. Het advies van de arts luidde: drie maanden Revalidatiecentrum Olympiade. Julia kreeg met het ouder worden klachten aan schouders, armen en polsen en last van afnemende lichaamsfuncties. Zij moet haar leven anders aanpakken en daar zal ze met een behandelteam aan werken. Julia gaat het aan. Zij moet wel. Ondanks haar angsten een van hen te worden: de gedehumaniseerden, de objecten, de slachtoffers, al de schrikbeelden die nog in een getherapeutiseerde jeugd verstopt zitten.

Hartversterking

In de Olympiade rollen en krukken de revalidanten zich tussen slaapkamers, oefenzaal, sportzaal, zwembad, een zitkamer met banken, computers en een hometrainer. Godzijdank is er een café met muziek en alcohol vanaf vijf uur ’s middags. Daar zoekt Julia haar toevlucht voor haar dagelijkse hartversterking of een schuilplaats na negenen als bedgordijnen te weinig privacy geven. Julia is het ‘vrouwtje met het opschrijfboekie’.

Het revalidatiecentrum wordt bestuurd door artsen, verpleegkundigen, ergotherapeuten, jonge blonde fysiotherapeuten en strikte regels. Het hoofdprogramma is therapie: oefenen, oefenen, oefenen. Oefensuccesjes zijn de carrièrestappen van de revalidant. Julia ziet zichzelf terug. Zij ziet het twaalfjarige kind dat moest leren lopen met ijzeren beugels en leren korset. Ze hoort het opzwepende regiem van: ik móet, ik zál, ik kán, ik wíl. Juffrouw Martina moedigt haar aan: lamme kinderen moeten niet klagen, maar leren verdragen want anders bereiken ze nooit iets.

In het heden van de Olympiade zitten vooral verse dwarslaesies. Ze trekken als een bonte stoet voorbij. Mannen en vrouwen, gevarieerd in klasse en kleur, geteisterd door ongelukken, mislukte operaties, ziekten, amputaties, uitgezaaide kankers. Ze praten niet al te veel over zichzelf, maar hier en daar lekken de emoties naar buiten. Het gaat over pijn en ongemak, relaties en seks, het eeuwig wachten op voorzieningen en hulp. De vele gevalletjes van zwa ka (zwaar kut).

Nadagen

Soms hoort Julia het aan. Soms loopt ze er voor weg. Met Johan, haar bedbuurman en een lezer zoals zij, beleeft Julia zijn melancholische ‘nadagen’ tot hij naar huis gaat. Dan mag hij lekker euthanasie doen, zegt buuf Bettie volkomen echt en goedbedoeld nu ze weet wat pijn is. Het bewustzijn van onoplosbare pijn wordt verdoofd met snacken, met snoepparty’s, met lachgas, een sigaretje in het rookhok, drugs misschien, spirituele healing en ‘ober nog een rondje’. Julia mag zich graag vergeten in gesprekjes over mooie lipstick, een nagellakje, een bloesje. Damespraat staat voor levenslust, voor de stap naar de wereld.

De Julia uit de roman, en ongetwijfeld haar schrijver, is niet meer in verzet tegen de handicap die het leven beperkt en kleineert. Maar in het geworstel van haar mede-revalidanten stuit ze op haar verzet van vroeger. Met die woede in hoofd en hart koos zij na de speciale scholen voor een gewoon lyceum, voor gewoon studeren, voor gewoon onafhankelijk wonen. De woede is geweest, maar wat het vuur heeft opgestookt, smeult na in onverteerbare herinneringen. Stuk voor stuk nachtmerries zijn het. Misschien vertelt Julia die herinneringen om ze definitief op te ruimen.

Zo zegt de dokter over het vierjarig kind na de negende penicillinekuur dat moeder L. er maar niet veel kosten meer op moet maken. Ook buurvrouw vindt het maar niks dat ze aan het zevenjarige kind gaan ‘snijden’ om er nog wat van te maken. Want het kind is wild en als ze kan lopen, loopt ze maar onder een auto. Buurvrouwen blijven een plaag in Julia’s kinderleven. Ze verstikken het ‘zorgenkiendje’ met medelijden. Later als Julia er als ieder meisje leuk wil uitzien snapt zo’n buurvrouw niet waarvoor ze moeite doet; je bent zo en je blijft zo. Rebelleren met opvallende kleren en make-up wordt de schande van de buurt. Buurvrouwen slaan de bezorgde moeder ermee om de oren. Zelfs mensen die het goed voorhebben, verliezen een moreel decorum. Zoals hoofdzuster Elizabeth in het ziekenhuis. Moeder mag haar kind niet verwennen. Dan gaan ze op uw kop zitten schijten, meent de non. Gaat zij ook doen, zegt de non. Ze heeft een willetje. Dat moet u zien te breken. En wie zet een zevenjarig rolstoelkind tegenover een massale rolstoelvrouw, een stuiptrekkende, zwijgende vitusdans patiënt om een volwassen gebrekkig mens te ontmoeten? Als leerproces. De geschokte vader kan er geen woorden voor vinden.

Paternalisme

Petra Jorissen (1950) doorspekt haar jeugdherinneringen met Brabantse woorden en zinnen. Maar die klinken niet zacht en ze brengen niets dierbaars en warms boven, zoals Guus Meeuwis graag doet. Jorissen tekent in de mytylschool hoe het Noord-Brabant van de jaren vijftig zucht onder het paternalisme van pastoors en nonnekes en standsverschil en sociale controle. Julia wil niet naar de gebrekkigenschool. Daar moet ze naar toe, moederke, aldus de pastoor, dáár zijn ze allemaal gelijk, dáár horen ze thuis, zulke kinderen. Het is de school waarvoor koningin Juliana geen tijd heeft. Het is de school waarop de de muziekleraar de kinderen schoffeert met de Mattheüs die ze vast niet meekrijgen van thuis.

Petra Jorissen, auteur van Erg hè! Foto > Liesbeth Sluiter

Van boven ben je goed, zegt de moeder. Toch is het niet goed genoeg; Julia moet weesgegroetjes bidden om haar beentjes te genezen. De last van lamme beentjes word bezwaard met de angst voor een toekomst bij de nonnetjes in het gesticht. Diezelfde angst steekt op als een ‘charmante dartelende’ vrouw op de televisie Het Dorp voor gebrekkigen bij elkaar jubelt. Julia wil er niet heen. Nooit. ‘Je kunt je eigen altijd ophangen’, zegt vriendin Ireentje. ‘Dat moet jij doen als je in de val loopt.’

Gehakt

Nog één keer laait Julia’s verzet op. Haar oud-collega, beleidsmedewerker in een gehandicaptenorganisatie verschijnt ook voor revisie in de Olympiade. Job, een provocerende activist, wil met haar opnieuw de strijd van invalidies tegen validies starten. Samen maken ze nog even gehakt van de glamourinvalide, uitgebeeld in de film Intouchables, en dan kan Julia afscheid nemen. Zij hoeft niet meer, maar ze is blij dat Job het zaadje van validisme, de strijd om bij de mensen te horen, blijft uitplanten onder nieuwe invalidies.

‘Pijn voor gevorderden’ is een bon mot van de schrijver. De roman staat bol van zulke merktekens van relativering, afstandelijkheid en verkapte humor. Die gladgestreken gevoelens in Erg hè! zijn vermommingen van heldhaftigheid. Iedereen zou dit boek moeten lezen. Als oefening in nederigheid. Het komt precies op tijd tussen de bombastische klaagzangen over coronablues, coronaneurose en coronaverongelijktheid.

Petra Jorissen, Erg hè! Uit het leven van een rolmodel. Een revalidatieroman. Utrecht: Uitgeverij de Gaaff 2020, 208 pp., ISBN 978-90-93127-04-3, pb., € 19,99.

Petra Jorissen (1950)
Kwam als heel jong kind rond 1951 in Eindhoven wonen en verbleef in haar jeugd een kleine vijf jaar in het RK Binnenziekenhuis. Op de Gustaaf Christ Mytylschool (school voor kinderen met fysieke beperkingen), behaalde ze haar mulodiploma. Ging daarna naar de havo en aansluitend naar de sociale academie. Deed een paar jaar later de opleiding Nederlands MO A. 
Haar eerste baan was als vormingswerker, daarna als beleidsmedewerker bij een organisatie voor mensen met beperkingen in Amsterdam, de stad waar ze nog steeds woont.  Sinds 1998 werkt ze als freelance publicist en schrijft voornamelijk over kwesties in de gezondheidszorg. Ze schreef een boek over gehandicapte kunstenaars en Helden op stokken, een boek over gehandicapte Afrikanen.

Han Roijakkers (1946)
Studeerde Nederlandse taal en letterkunde en was werkzaam in reclame en onderwijs. Ze woonde twaalf jaar in Frankrijk en keerde in 2013 terug naar Eindhoven. Van haar hand verscheen het boek Door de spiegel van A.F.Th. van der Heijden. Op haar weblog Kantelpunt schrijft ze onder meer over maatschappelijke onderwerpen en literatuur. 

www.uitgeverijdegraaff.nl

Illustraties > Hans Lodewijkx

© Brabant Cultureel 2021