De BKR, van wandversiering tot kunst met een grote K

Drieëndertig jaar na beëindiging van de spraakmakende Beeldende Kunstenaarsregeling, ook wel Contraprestatie genoemd, verschijnt er een gedegen studie over dit onderwerp door Fransje Kuyvenhoven van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het onderzoek rekent af met de geringschattende oordelen en mythes over de BKR.

door Irma van Bommel

‘Ach, echte talenten komen er toch wel, zonder BKR. Van Gogh heeft nooit BKR gehad.’ Louw de Graaf, minister van Sociale Zaken, deed deze uitspraak in 1983. Hij was geen voorstander van de Beeldende Kunstenaarsregeling (BKR) en hiermee sloeg hij de plank volkomen mis. Van Gogh is inderdaad wereldberoemd geworden, maar pas na zijn dood. Hij heeft nooit kunnen leven van de verkoop van zijn werken.

Karel Appel (1921-2006) ontkende in de Contraprestatie gezeten te hebben, maar 5 werken kwamen via de regeling in de rijkscollectie terecht, waaronder dit werk ‘Lucht en mensen’ uit 1948

De Beeldende Kunstenaarsregeling, wat weten we er nog van? Kunstenaars kregen geld van de overheid om van te leven. In ruil daarvoor leverden zij werk in. Maar de regeling liep uit de hand. Teveel kunstenaars deden er een beroep op en lang niet alle werken waren van niveau. Werken werden zoveel mogelijk ondergebracht bij instellingen en bij de kunstuitleen. Maar door de enorme toestroom puilden depots van het rijk en van de steden uit. Zo ontstond een negatief beeld over de BKR-collectie, die in feite geen collectie was.

Fransje Kuyvenhoven deed in opdracht van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) onderzoek naar de geschiedenis van de BKR en naar de perceptie. Het resultaat is het boek Een monument voor de BKR. De geschiedenis van een spraakmakende kunstenaarsregeling (1949-1987). Mythen werden ontzenuwd, interessant feitenmateriaal kwam boven water.

Nee, ik geloof niet dat er zoveel misbruik van de regeling wordt gemaakt. Ik ken die verhalen wel, over kunstenaars die in een dag wat in mekaar flansen omdat ze weer iets moeten inleveren bij de BKR, maar ik ben benieuwd wie dat dan zijn, want ik ben ze nog niet tegengekomen. 

(Uitspraak van Willem Gorter, schilder, in 1979)

Uit een groot onderzoek naar de BKR-regeling in 1983, uitgevoerd door het Instituut voor Sociaal-wetenschappelijk Onderzoek uit Tilburg, kwam naar voren dat tachtig procent van de kunstenaars serieus en professioneel werkte.

Selectie

Het boek van Kuyvenhoven begint met een selectie van honderd werken uit de BKR-periode, op volgorde van binnenkomst. Die selectie is meteen al een verrassing. Alsof de makers van het boek willen zeggen: laat de werken voor zich spreken, kijk eens naar de werken en oordeel dan zelf. Werken van Karel Appel, Corneille, Constant en Lucebert openen de rij, niet bepaald de B-categorie van de Nederlandse kunst.

Na de honderd foto’s van kunstwerken volgt pas de tekst. In het voorwoord, geschreven door Susan Lammers, directeur van RCE, lezen we dat het onderzoek naar de BKR al was begonnen door Rik Vos, directeur van de Rijksdienst die toen Instituut Collectie Nederland (ICN) heette. Na zijn overlijden in 2016 zette Fransje Kuyvenhoven het onderzoek voort.

‘Kruis’ uit 1966-1967 van JCJ Vanderheyden (1928-2012) kwam via de BKR-commissie in ’s-Hertogenbosch terecht bij de Rijksdienst

De Beeldende Kunstenaarsregeling werd in 1949 in het leven geroepen door het ministerie van Sociale Zaken, lezen we, met als doel de armlastige kunstenaar tijdelijk een inkomen te verschaffen, in ruil voor een artistieke tegenprestatie. De gedachte was om de kunstenaar meer inkomen te geven dan alleen bijstand, zodat hij geld zou hebben voor de aanschaf van materialen. Het idee was ook dat de kunstenaar zich dan in alle vrijheid zou kunnen ontwikkelen, zonder te hoeven letten op de verkoopbaarheid van het werk.

Mythe

Lange tijd werd aangenomen dat de BKR in het leven was geroepen als genoegdoening voor het verzet van de kunstenaars tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hier zijn echter geen bewijzen voor gevonden. Sterker nog, tweederde van de kunstenaars die in de beginjaren gebruik maakten van de BKR stond daarvóór ingeschreven bij de Kultuurkamer.

Die eerste tijd na de oorlog was er niets te verdienen. Ik heb toen nog in de Kontraprestatie gezeten. Appel ook, die stond achter mij in de rij. 

(Harry van Kreuningen, schilder-graficus)

Het werk ‘Electrische stoel’ uit 1966 van de in Eindhoven geboren kunstenaar Woody van Amen (1936) werd nog hetzelfde jaar via de Beeldende Kunstenaarsregeling aangekocht.

Er zaten veel meer kunstenaars in de BKR dan zij zelf publiekelijk wilden toegeven. Karel Appel beweerde (in 1975) tijdens een interview nooit in de Contraprestatie te hebben gezeten, maar vijf van zijn werken in de rijkscollectie (RCE) zijn via de regeling verworven. Willem Sandberg, directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam, was lid van de Amsterdamse BKR-commissie en het was bij het beoordelen van werk voor de regeling dat hij de schilders Karel Appel en Jan Sierhuis ontdekte.

Niemand wil beweren dat het allemaal grote kunstenaars zijn in de BKR. Maar het is wel een feit dat praktisch iedere belangrijke kunstenaar in Nederland ooit eens in de BKR heeft gezeten. 

(Jan Sierhuis, schilder, in 1979)

Toename

De BKR was een regeling, geen wet, wat betekende dat gemeenten niet verplicht werden de regeling uit te voeren, maar gemeenten kregen de gemaakte kosten wel grotendeels vergoed. De kunstwerken zouden gelijkelijk worden verdeeld over gemeenten en rijk en worden ondergebracht bij (semi)publieke instellingen. De kunstwerken moesten voordat ze werden uitgeleend eerst worden geïnventariseerd. Dat ging lange tijd goed, tot midden jaren zestig. Daarna liep het aantal kunstwerken op. Dat had te maken met een toenemend aantal kunstenaars dat gebruik maakte van de regeling. En dat had weer te maken met een toename van het aantal kunstacademies.

BKR-werken kwamen met duizenden per jaar bij de Rijksdienst binnen. Depots waren overvol. Voor het beschrijven en fotograferen van de werken was nauwelijks plaats. Kazernestraat, Den Haag, 1976

Van begin af aan was er kritiek op de regeling, vanuit de maatschappij, de politiek en de kunstenaars. Waarom werden kunstenaars als aparte groep gezien en waarom hadden zij geen sollicitatieplicht? Voor de BKR stond geen vast bedrag op de begroting, waardoor het ook uit de hand kón lopen.

De BKR was een sociale voorziening, geregeld door Sociale Zaken. Het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM) zat niet te wachten op de kunstwerken. Het was immers geen zorgvuldig door conservatoren opgebouwde collectie, maar een willekeurig samengestelde verzameling. Sociale Zaken vond dat CRM zorg moest dragen voor de opslag, de registratie en de uitleen van de werken. Maar CRM wilde daar nauwelijks geld voor vrijmaken. Voor Cultuur was maar een klein budget beschikbaar, al het geld ging naar de regeling van Sociale Zaken. De situatie in de depots van de Rijksdienst waren schrijnend: te weinig ruimte voor opslag, onvoldoende mensen en middelen om de kunstwerken te inventariseren en te fotograferen. En dat betekende weer dat de uitleen stagneerde. Dat er iets moest veranderen, bleek wel uit de cijfers. In 1987 had de Rijksdienst meer dan tweehonderdduizend BKR-werken in beheer, de gemeenten gezamenlijk driehonderdduizend.

Afhankelijk

Maar ook de kunstenaars waren niet altijd tevreden. Zij waren afhankelijk van commissies die hun werk moesten beoordelen. Dat gebeurde nogal eens willekeurig. Criteria om gebruik te mogen maken van de BKR veranderden regelmatig, waardoor velen buiten de boot vielen. En kunstenaars wilden dat CRM zich ging bezighouden met kunstbeleid en niet Sociale Zaken.

Marlene Dumas (1953) kwam in 1976 vanuit Zuid-Afrika naar Nederland om te studeren aan Ateliers ’63, daarna vestigde ze zich blijvend. Het werk ‘Vrouwtjie’ en ‘Mannetjie’ (1981) leverde ze in bij de BKR net voordat ze docent werd aan de Academie voor Beeldende Vorming te Tilburg.

Pas in 1982 veranderde er wat. De verzorgingsstaat werd onbetaalbaar verklaard en er was een herziening nodig. Onder het kabinet Lubbers veranderde CRM in WVC (Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur) met Elco Brinkman als minister. Onder zijn bewind werd de BKR afgebouwd. Dat het afschaffen van de BKR te maken had met de grote werkeloosheid – en de vele uitkeringsgerechtigden – in het begin van de jaren tachtig wordt in het boek niet benoemd, maar is wel een gevolg van de veranderde politieke aanpak.

Afstoten

Brinkman zorgde er ook voor dat de Rijksdienst de beschikking kreeg over een groot pand, depotruimtes, een budget voor kunstaankopen en hij gaf bovendien de Rijksdienst de opdracht om een groot deel van de BKR-werken af te stoten. Dat gebeurde door onderscheid te maken tussen werken van culturele waarde (CW) en bijzonder culturele waarde (BCW). Twintigduizend werken op het totaal van ruim tweehonderdduizend kregen de status BCW. Oftewel, er werd onderscheid gemaakt tussen wandversiering en kunst met een grote K. Het onderbrengen van de werken met CW-status bij instellingen en de kunstuitleen was een gigantische klus die jaren in beslag zou nemen. Uiteindelijk ging een deel terug naar de kunstenaars of werd ver beneden de marktwaarde verkocht op veilingen. Werk dat total loss was – het betrof circa drieduizend werken – werd vernietigd. De werken met de status BCW maakten voortaan deel uit van de rijkscollectie.

De IJslandse kunstenaar Sigurdur Gudmundsson (1942) studeerde in 1963-’64 aan Ateliers ‘63 en vestigde zich in 1970 definitief in Nederland. Algemeen werd gevreesd dat veel buitenlandse kunstenaars af zouden komen op de BKR. Dat viel in de praktijk wel mee. Gudmundsson werd bekend met zijn gefotografeerde performances, zoals dit werk ‘Horizontal thoughts’ (1971) en stond daarmee aan de wieg van de geënsceneerde fotografie in Nederland. 

De tekst in het boek is aangevuld met foto’s, krantenknipsels en cartoons die een goed beeld geven van de onhoudbare situaties in depots, de bijeenkomsten met politici en de ludieke protestacties van kunstenaars. De geschiedenis van de BKR wordt chronologische verteld, maar wordt regelmatig onderbroken door geelgekleurde pagina’s tekst die dieper ingaat op tal van onderwerpen, zoals de cijfers, bronnen, negatief imago, aanrommelende kunstenaars, kunstenaarsverzet, niet-Nederlanders, de vrije markt, het kunstvakonderwijs en topkunst. Vooral in deze teksten worden mythes ontzenuwd en nieuwe feiten onthuld. Ons beeld van de BKR-periode kan worden bijgesteld.

Fransje Kuyvenhoven, Een monument voor de BKR. De geschiedenis van een spraakmakende kunstenaarsregeling (1949-1987).
Zwolle: Waanders / Amersfoort: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2020, 308 pp., ISBN 978-94-6262-311-8, hb., € 35,00.

Waanders & de kunst

Beeldhouwer Arie Berkulin (1939) begon als tekenaar-schilder. In 1971 leverde hij ‘Zeefdruk II’ (1969) in bij de BKR. Een jaar later werd hij docent aan de Academie voor Beeldende Vorming in Tilburg

Na de lockdown te zien:
Een monument voor de BKR, t/m 9 mei 2021 in het Gorcums Museum.www.gorcumsmuseum.nl

Keramiek uit de Rijkscollectie. Vier decennia BKR – 1949-1987, t/m 16 mei 2021 in het Purmerends Museum.
www.purmerendsmuseum.nl

© Brabant Cultureel 2021