Stem van oma geeft het persoonlijk leed in ‘Hogere natuurkunde’ universele lading

Ellen Deckwitz geeft in haar dichtbundel ‘Hogere natuurkunde’ een indrukwekkend en krachtig beeld van haar oma en opent daarmee een raam op het leven in Nederlands-Indië. Een familietrauma ontspint zich uit ogenschijnlijk losse verhaallijnen en flarden poëzie. Het ‘hogere’ van de natuurkunde manifesteert zich als zwijgcultuur. Voor deze bundel ontving Deckwitz de E. du Perronprijs 2019.

door Carina van der Walt

In de eerste vertelling in Hogere natuurkunde gaat het over een hartinfarct dat Deckwitz’ oma treft. Oma heeft nooit haar roze hartpilletjes genomen. Pilletjes ‘zo fijn dat het wel bloemblaadjes leken’, schrijft Deckwitz op pagina vijf in charmante prozastijl. Oma overleed, maar blijkt in de derde strofe een zeer eigenzinnige dame te zijn geweest: ‘Verstopt achter de foto’s van je ouders lagen er honderden, zo gerangschikt dat het leek alsof er achter de lijstjes kransen waren gelegd van de allerfijnste kersenbloesem.’

Ellen Deckwitz met een boeket van de organisatoren na de overhandiging van de E. du Perronprijs in de LocHal. Foto > Nadine Keulaars

Deze beschrijving met een suggestie van broosheid mag bij de lezer de omslagfoto oproepen van de roman Lichter dan ik van Dido Michielsen, waarmee ze de Nederlandse Boekhandelsprijs 2020 won. Michielsen liet zich daarvoor inspireren door het leven van haar Javaanse betovergrootmoeder Isah rond het jaar 1850 in Nederlands-Indië. Deze Isah was anders dan Deckwitz’ oma een fragiel vrouwtje. De eerste drukken van zowel Lichter dan ik als Hogere Natuurkunde verschenen in september 2019.

De verhouding van Nederland ten opzichte van Indonesië is de laatste tijd nadrukkelijk in het nieuws. Het jongste boek hierover is Revolusi van David Van Reybrouck. Op de vraag van interviewer Jeroen van Kirs in NRC Handelsblad waarom een Belg in het Nederlandse verleden wroet, antwoordt Van Reybrouck: ‘Ik heb lang getwijfeld. Was ik als Belg nu de persoon om dit te doen? … Het is de schuld van Congo (2010).’ In Revolusi schrijft Van Reybrouck ook over de Gurkhas. Deze Nepalese soldaten in het Britse leger bevrijdden Japanse interneringskampen zoals dat waarin de oma van Deckwitz zat.

Woordenschat

De woordenschat van Deckwitz valt op in de beschrijvingen van haar land van herkomst. In het spoor van haar oma belandt zij in een klimaat waar ‘de wind zweet uit mijn haren [kamt]’. Iemands overgrootvader ‘tijgert’ door de omgeving met een ‘KNIL-label’ vastgestrikt op zijn jasje. Ze ruikt ‘kruiden’ en benoemt tropische fruit in de taal van Zuidoost-Azië: ‘dorian, / pisang, / manga, / ketimoen’. Zo zingt zij de zoete Indonesische namen voor een stekelig afrodisiacum, een banaan, een mango en een komkommer van die streek, terwijl ze ‘de bekende en veel te lichte munten’ uitwisselt ‘voor een kraam waar ze gedroogde vleermuizen verkopen’. De stem van haar grootmoeder moedigt haar aan:

(Sla beschimmelde bananen nooit af.
Grijp altijd meteen de pepers,
die zitten vol vitamine c.)

Oma’s adviezen staan telkens tussen haakjes. Haar wijsheden vergezellen Deckwitz. Er spreekt strijdvaardigheid en een sterke overlevingsdrang uit deze adviezen die oma op haar kleindochter overdraagt.

(Drink altijd zelf opgevangen regenwater kleintje,
nooit uit een ton, daar drijven dingen in.)

De herhalende, liefdevolle aanspreekvorm ‘kleintje’ kan de lezer niet ontgaan. Deel twee van de bundel wordt aangekondigd met ‘Grootmoeder (1921-2014)’. Daarin worden oma’s uiterlijk en innerlijk onverwacht robuust beschreven in hyperbolen:

Benen van staal,
borstkast van titanium.
Immuunsysteem van een rioolwerker,
het geweten van een beurshandelaar.

Concertpianist

De lezer neemt vervolgens kennis van twee dingen. Oma was zeer muzikaal. Zij verklaart zelf dat ze de concertpianist Soerjadi ‘met gemak tegen de vlakte’ speelde. De muzikaliteit komt terug op pagina 39-40, waar zij moeiteloos een stuk van Liszt speelt. Alleen het middelste stuk is ze vergeten. Tijdens haar jeugd in de tropen moest ze veel oefenen. ‘Zwetende vingers op ivoor, / de moesson overstemde soms de metronoom, // dagelijks herhalen tot de tonen waren ingesleten / en de muziek beklijft ondanks de talloze buigingen / voor de zon’. Oma verklaart het vergeten middelste stuk laconiek en niet zonder humor:

(Ach kleintje, ik had honger,
heb dat stuk waarschijnlijk opgegeten.)

‘Ze lacht steeds harder om het opeten van Liszt.’ Ook in het Jappenkamp hielp humor de vrouwen in hun dagelijkse strijd om te overleven. Hun eigen moederdrang speelde een onderschikte rol. Die was niet van toepassing op hun situatie en werd verzwegen. Spot en zelfspot waren een manier van overleven.

(We moesten dagelijks knielen voor die vlag,
het werd even minder zwaar toen we zagen
dat het net een enorm gebruikt maandverband was,
jongens wat hebben we gelachen en daar kwamen ze
al met hun stokken. Tja. Wie je lijf heeft, heeft gelijk,
mij kregen ze er niet onder, een goede grap
mag wat kosten, zelfs al kon ik daarna
nooit meer iets anders zien dan elke maand
die vlag in mijn onderbroek.)

Nageslacht

Ten tweede wilde oma geen kinderen, maar dat heeft zij altijd verzwegen voor haar eigen dochter. De kleindochter mag het weten. Zij was een geharde vrouw, een overlever. In tijden van oorlog speelt het verwekken van nageslacht een ondergeschikte rol, ‘ze zei dat voortplanting onmenselijk was’.

(Ik hoefde niet zo nodig
kinderen maar ja in mijn tijd
hadden we daar geen pillen voor.)

En verder:

(Ze lieten me aan de lopend band baren,
geen baby wist me te vergiftigen.)

Desondanks geeft zij aan haar kleindochter adviezen om te overleven, alsof het nog altijd oorlog is:

(Draag altijd een broek,
dan komen ze minder snel
tussen en benen.)

En

(Kopstoot tussen hun ogen, kleintje.)
(Geef ze die ram, dan kun je door.)

Overlevingsdrang

Hogere natuurkunde loopt bijna vanzelfsprekend uit op een beschrijving van de jaarlijkse Nationale Dodenherdenking. In deel elf wordt een toekomstblik daarop aangekondigd met plek en datum: ‘De Dam. 4 mei 2025’. Deckwitz staat met haar familie in een zee van mensen. Iets uit het collectieve geheugen van de Nederlanders herhaalt zich. De schreeuw op de Dam uit 2010. Zij beschrijft hoe haar familie aan het rennen gaat – ‘ik neem mijn familie op en daver door al die stemmen heen, / door al dat vlees,’ – ‘ik herken mijn mensen in meters afstand’. De drang te overleven neemt haar over. En oma’s stem wordt een oorworm: (Schop ze tegen de knieën, dan kun je weg.)

Deckwitz bevestigt met Hogere natuurkunde iets dat ik al eerder heb waargenomen. In culturen waar oorlog en onderdrukking gespeeld hebben, ontstaat een zwijgcultuur. Wie bijvoorbeeld de Jodenvervolging in Duitsland of Apartheid in Zuid-Afrika moest overleven, vertelde niets. Het directe nageslacht ervaart alleen maar zwijgen. De oma’s en opa’s verbreken die zware stiltes van hun oorlogstrauma fragmentarisch aan een uitverkoren kleindochter of kleinzoon. Dat is niet anders met Ellen Deckwitz en haar oma uit een Japans interneringskamp als Ambarawa. Daardoor krijgt het persoonlijke in Hogere natuurkunde een universele lading.

Ellen Deckwitz, Hogere natuurkunde. Amsterdam / Antwerpen: Uitgeverij Pluim 2019, 80 pp., ISBN 9789492928054, pb., € 21,99 (e-book € 14,99).

https://uitgeverijpluim.nl

Lees ook op Brabant Cultureel
Ellen Deckwitz wint met ‘onheilspellende’ dichtbundel E. du Perronprijs 2019
Dichteres Ellen Deckwitz: Waarschuwende woorden van Du Perron nog altijd actueel

Ellen Deckwitz en moeder over hun (groot)moeder.

© Brabant Cultureel 2020

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.