Armenzorg in het Land van Ravenstein

Van de hand van Annemarie van Lith-Droogleever Fortuijn is onlangs het boek Armenzorg in het Land van Ravenstein in de achttiende eeuw verschenen.
Armenzorg was lang een kerkelijke aangelegenheid. Niet gek, natuurlijk, want het tonen van medeleven en het geven van hulp, voedsel, kleding aan behoeftige medemensen behoort tot de goede werken die de kans op een plaatsje in de hemel vergroten. In de middeleeuwen was deze zorg dan ook per parochie georganiseerd, maar al in de late middeleeuwen kwamen daar ook stedelijke en andere meer wereldlijke instituties bij en met de komst van de Reformatie werd de situatie nog weer complexer. Ook veranderde in de zestiende eeuw de kijk op armoede. Van algemeen geaccepteerd gegeven – met nut voor de schenkers – werd het iets dat diende te worden bestreden. Wie kon werken, moest werken voor de kost en alleen de ‘eigen armen’, armen uit de eigen gemeenschap (stad, dorp of parochie) die echt niet anders konden, werden nog bedeeld. Bedelen werd strafbaar en zelfs het geven aan bedelaars kon worden beboet.

De zorg bestond veelal uit uitdelingen van brood of graan en – vooral in de wintermaanden – kleding. Dat werd bekostigd uit fondsen die werden gevuld uit de (pacht)opbrengsten van boerderijen of landbouwgronden die in het bezit waren van de Armentafel, vaak ook Tafel van de Heilige Geest genoemd. Soms ook door schenkingen of legaten. De Armentafel (de kas) werd beheerd door armmeesters die uit de gemeenschap werden aangesteld, net als schepenen, borgemeesters (die de dorpskas beheerden), het kerkbestuur en nog zo enkele openbare bestuurslichamen. Die bestuurders moesten bemiddeld zijn – ze stonden veelal zelf garant en werden voor korte periodes van een jaar tot enkele jaren aangesteld en legden verantwoording af aan de overheid en de gemeenschap. Zeker in kleine gemeenschappen was de spoeling vaak dun en kon het dus gebeuren dat dezelfde mensen in dergelijke functies rouleerden. En dat lang niet altijd uit enthousiasme. Bovendien kon lang niet iedereen lezen en schrijven, zodat het bijhouden van een administratie en het afleggen van verantwoording niet altijd vanzelfsprekend was. Tenminste iemand in de groep diende die elementaire scholing te hebben en waar het bestuur uit slechts één of twee personen bestond, moest soms vrouw of een kind bijspringen.

Charitas

Dit alles valt te lezen in een nieuwe studie over de armenzorg in het Land van Ravenstein. Die spitst zich toe op de achttiende eeuw, maar het ‘systeem’ bevatte toen nog veel elementen die veel ouder waren. Het Land van Ravenstein was in de achttiende eeuw een echt land met een eigen vorst (de keurvorst van de Pfalz die nog veel meer titels bezat). Het was katholiek, geen onderdeel van de Republiek der Verenigde Nederlanden en bestond uit Ravenstein als hoofdstad en een aantal dorpen met Boekel als meest zuidelijke ‘grensplaats’.
Annemarie van Lith-Droogleever Fortuijn analyseerde voor elk van deze plaatsen het functioneren van de armenzorg die hier per dorp was georganiseerd. De scheidslijn tussen arm en niet-arm was erg dun. Het kon voorkomen dat een armmeester later zelf tot armoede verviel en moest worden bedeeld en omgekeerd kon iemand ook uit armoede opklimmen en armmeester worden, of kerkmeester wat qua regelgeving een vergelijkbare functie was. De conclusie die de auteur helemaal aan het eind trekt, luidt: ‘De armenzorg binnen de Ravensteinse dorpen lijkt een steeds volgehouden voortzetting van de middeleeuwse charitas.’ Het boek is door de aard van het onderwerp vrij technisch, maar tal van kaderteksten met concrete ‘gevallen’ brengen de achttiende-eeuwse mensen als individuen in beeld. (lt)

Annemarie van Lith-Droogleever Fortuijn, De armenzorg in het Land van Ravenstein in de achttiende eeuw. Tilburg: ZHC / Woudrichem: Pictures Publishers 2020, 328 pp., ISBN 978-94-92576-32-3, hb., € 24,95.

Uitgeverij ZHC

Picturespublishers.nl

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.