Kreek Daey Ouwens verstopt haar verdriet om Guillaume in wit

Kreek Daey Ouwens is een dichteres met een heel eigen stem en van weinig woorden. In haar nieuwste bundel die erg persoonlijk is speelt het wit op de pagina’s een essentiële rol. Wat doet het wit in de poezie en hoe werkt dat in deze bundel?

door Carina van der Walt

Op 30 augustus 2020 werd in Eindhoven Guillaume gepresenteerd, de nieuwe dichtbundel van Kreek Daey Ouwens. Guillaume is een bundel die de discussie over het belang van wit in gedichten opnieuw aanwakkert. Taalkundigen, literatoren, recensenten en dichters hebben in het verleden hun hoofden gebogen over deze kwestie. Daey Ouwens tast in haar nieuwe bundel de grenzen van de witte ruimtes af. Hoe ver kan zij gaan zonder woorden? Wat betekent zoveel wit? Gaat er iets verloren? Verliest ze hiermee haar lezers? Is het nog een dichtbundel, wanneer vijf lege pagina’s, zes pagina’s met tekeningen en tien pagina’s met telkens een enkele zin of waarneming aan de lezer worden gepresenteerd? 

K. Schippers heeft ook nagedacht over wit in gedichten. In een van zijn laatste gedichten in de bundel Een leeuwerik boven een weiland dichte hij zo erover:

Wit

Het wit tussen regels
Ook het wit tussen woorden

Dat is iets anders dan
‘daar staat niets’
of
‘daar gebeurt niets’

Wit wordt gezien
omdat het op papier
niet alleen is

Vergezeld wit geeft richting aan ogen

Richting lijkt er ook altijd
te zijn als je gewoon
om je heen kijkt: toch hoeft
er niet speciaal iets te gebeuren

Dat is het verschil met papier:
zolang er wit is
volgen er meestal wel
scènes of gebeurtenissen

Wit is een oude meester

Niet niets

Emeritus hoogleraar Jan Renkema van de Universiteit van Tilburg plaatste in 2018 in Neerlandistiek. Online tijdschrift voor taal- en letterkundig onderzoek een paar gedachten over ‘Het wit van de pagina’. Hij concludeerde: ‘(…) niets in taal is niet niets, maar iets’ en verder verkende hij ‘het inhoudsloze gesprek’ door middel van spaties en stiltes. De nummer één definitie van taal voor Renkema komt van een Engelstalige dichteres die in de Victoriaanse tijd een mannelijk pseudoniem moest aannemen om haar werk te kunnen publiceren. George Eliot (Mary Ann Evans, 1819-1880) schreef: ‘Speech is but broken light upon the depth of the unspoken.’ De diepte van het niet gesprokene moet symbolisch worden weergegeven op papier.

Misschien is dat de functie van wit? Zo ver gaat Renkema echter niet. Hij stelde wel dat het wit van de pagina een voorwaarde is om een stukje tekst als een gedicht te kunnen herkennen. Het was de Neerlandica Yra van Dijk die door haar demonstratie van Hans Favereys gebruik van wit in het gedicht Het sneeuwt Peter Henk Steenhuis, filosofieredacteur bij Trouw, aanzette tot het artikel ‘Poëzie / Dankzij het wit’. Steenhuis citeert Van Dijk: ‘Maar wie poëzie probeer te lezen met aandacht voor het typografisch wit moet er een andere leeswijze op nahouden. Niet de samenhang van een tekst maar de breuken en gaten daarin krijgen de aandacht. De witte plekken hebben betekenis, in de eerste plaats áls witte plekken. (…) niet alleen wat er staat verdient aandacht, ook wat er niet staat. Niet het geheel moet je proberen te begrijpen, ook de delen.’

Tussen

In zijn artikel waarschuwt Steenhuis voor ‘hineininterpretieren’ of, kort door de bocht, in het wilde weg interpreteren binnen het eigen perspectief. Daar sluit ik doelbewust bij aan met betrekking tot Guillaume. Met Van Dijks praktische toepassingen en met de waarschuwing van Steenhuis ging ik de lege pagina’s van Daey Ouwens bundel te lijf. Ook hield ik haar eigen woorden in gedachten: ‘Guillaume is zeker mijn meest persoonlijke bundel.’

Kreek Daey Ouwens > portret door Theo Rikken

De bundel gaat over haar verstandelijk gehandicapte jongere broertje. Hoe weinig woorden sommige gedichten ook al hebben, ik ga lezen wat er direct voor en direct na de lege pagina’s staat. Bij drie lege pagina’s word ik zo wijzer over wat er in de wit verstopt staat. Een voorbeeld is tussen pagina 28 en pagina 30:

Kraai, zegt Vader
Zeg eens kraai!

Bomen helemaal zwart

Vader opnieuw:

Kraai!
Zeg Kraai!

Jouw thuis,
dat was de oude kat,
moeders washandje

te groot kind op een wip

(Hierna volgt een lege pagina 29)

We zitten aan tafel. Het hek piept.
Vader komt thuis. Hij is al bijna binnen.
We zijn blij als Vader thuiskomt.
En we zijn ook een beetje bang.
Moeder brengt een lepel pap naar Guillaumes mond.
Zijn tong is dik.
Vader grijpt de lepel.
Rakelings langs Guillaumes oog.
Kun je nog steeds niet praten!

Wat gebeurt hier in het wit tussen de twee gedichten? Is dat niet het aldoor ondoorgrondelijk zwijgen van een gehandicapt kind? Het moest pijnlijk zijn, als oudere zus. Daey Ouwens verstopt haar verdriet hierover op een lege pagina in een inhoudsloos gesprek met haar lezers.

Op dezelfde wijze worden de verstopte betekenissen van de uitgestrekte lege witte pagina’s duidelijk met het weggaan van Guillaume op pagina 52 en de dood van Guillaume op pagina 70. Waarom, waar, hoe en op welk moment mag de lezer zelf invullen. Op pagina’s 18 en 54 zijn jammer genoeg dan weer geen verbanden te leggen tussen voorafgaande en daaropvolgende gedichten.

Animatie

Guillaume wordt doorgaans in de tekeningen van Ineke van Doorn uitgebeeld zonder een mond, ook op het omslag van de bundel. Voor de presentatie van Guillaume maakte Van Doorn een hartverscheurende animatiefilm waar hij zielsgelukkig in zijn eentje door de lucht zweeft of samen met zijn eend in een vijver plonst. Moeder is een toevluchtoord voor Guillaume. Zo tekent Van Doorn in Dans treffend hun relatie.

Maar moeder is ook de verzorgster die Guillaume seksueel opwindt in een badscène die barst van suggestie en tegelijkertijd lichtjaren verwijderd is van een andere badscène met een gehandicapte in het collectieve literaire geheugen. Vasalis’ ‘De idioot in het bad’ uit Parken en Woestijnen is een en al onschuldig lijden vergeleken met:

Guillaume staat rechtop in bad.
Rillend van opwinding.
Moeder wast. Buik benen tussen zijn benen.
Moeder neuriet.
Vader komt.
Moeder stopt

Wat opvalt bij de pagina’s met één enkele zin of waarneming in relatie tot Van Doorns tekeningen is dat de tekst daar even goed als onderschrift bij de tekeningen zou kunnen dienen. Vergelijk ‘We houden van onze broer     Ten diepste’ op pagina 39 met de tekening op pagina 40 waarin Guillaume voor het eerst getekend is met een kroon op zijn hoofd. Vergeet niet na te denken wat de implicatie kan zijn van de spatie tussen bovenstaande opmerking en de intensivering ervan met ‘Ten diepste’. Dit ‘Ten diepste’ (of juist niet) valt ook visueel volledig in de diepte op de verder witte pagina. Dergelijke ‘onderschriften’ staat ook op de bladzijden 46, 60 en 67. telkens gevolgd door een tekening.

Gaat er iets verloren in Guillaume? Verliest Daey Ouwens haar lezers met een te veel aan witte pagina’s en spaties door het niet in woorden kunnen uitdrukken van het lijden en het verdriet in hun gezin? Is een gehandicapt broertje zoveel te veel? Elke lezer moet het zelf bepalen. Ik eigen mijzelf de woorden van George Eliot toe: ‘Blessed is the man, who having nothing to say, abstains from giving wordy evidence of the fact.’

Kreek Daey Ouwens, Guillaume. Amsterdam: Wereldbibliotheek 2020, 80 pp., ISBN 9789028451056, pb., € 22,99.

www.wereldbibliotheek.nl

Lees ook:

Het wit van de pagina (Jan Renkema): www.neerlandistiek.nl/2018/09/het-wit-van-de-pagina/

Poëzie / Dankzij het wit (Peter Henk Steenhuis): www.trouw.nl/nieuws/dankzij-het-wit~b297a5c7/

Yra van Dijk, Leegte, leegte die ademt. Het typografisch wit in de poëzie. Nijmegen Vantilt 2006. 

De idioot in het bad (M. Vasalis): www.gedichten.nl/nedermap/gedichten/gedicht/35582.html

Illustratie boven dit artikel: Guillaume door Ineke van Doorn

© Brabant Cultureel 2020

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.