dichterbij de mieren en de miereneter – gedicht en kortverhaal

door Carina van der Walt


dichterbij de mieren

als Erik Pinksterblom in wolstad Wollewei
verduidelijk je ernstig met opgeheven knuistje
mieren hebben het druk druk in elk huisje
flukse werksters gaan niét ongemerkt voorbij

met voelsprieten over grafstenen op kerkhoven
loer je over je brilletje, mompel je wol in de mond
o, was dat zo? Darwin geïnspireerd door de neef van Peerke Donders?
onder de onbeschreven derde zerk ligt Willem II – niet te geloven!

Solms Solms binnensmonds leven
zoek je inspiratie op een wandeling 
sprietloop je met die stadsvertelling
‘lang-zal-hij-leven-veel-zal-zij-geven’

vooruit vooruit een kloek besluit
nu niet langer alleen een mier
trekt allen uw rapier
& werpt u samen op de buit! 

mierenmoed was nodig nummer 4
maar hoe dichter bij de dichters
des te meer blijf je mier

Een mierenhoop naast de weg dichtbij het dorpje Nieu-Bethesda in de Kamdeboo-streek van Zuid-Afrika. Foto Carina van der Walt

miereneter

Mijn moeder vertelt altijd hoe zij als klein meisje op de boerderij rode mieren ving om op te eten. Behalve de mierhopen die soms na de regen in opa’s weilanden ontstonden, waren mieren ook geneigd de fundering van het boerenhuis te ondergraven. Een uitdagende, maar onbegonnen taak. Hoewel de mier tot veel in staat is, is hij niet bij machte een stevig huis te ondergraven. Ook al is hij met vele anderen.

Moeder zat als vijfjarige naast de keukendeur tegen de muur te wachten waar de uitgangen van hun tunneltjes waren. Daar schoof ze dan een stukje papier voor. Rode mieren kunnen heel venijnig zijn. Ze kunnen bijten en voor een kortstondige stekende pijn zorgen. De wapens van een mier zijn twee knijpers op een hartvormig rood kopje. De zoute smaak zit in de achterlijf, dat groot is vergeleken met het kopje.

Het was nooit genoeg voor het meisje om één mier te vangen. Na een dozijn of meer was ze tevreden. Dan was het genoeg om haar miereneetlust te blussen. Ze verzamelde de mieren in een plastic bakje. Het feest kon beginnen. Een voor een liet het meisje een miertje vrij. Met duim en wijsvinger pakte ze zijn kopje boven en beneden. Een flinke draai en ze scheidde het kopje van de rest van zijn schoppend lijfje. Nog even liet ze hem uitrennen.

Dan stopte ze hem snel in haar mond. Als één poot nog een laatste stuiptrekking gaf, was het een gekriebel dat haar tong liet jeuken. Dat moest snel stoppen. Met de mier tussen tongpunt en gehemelte zoog ze het zout uit zijn lijfje. Dat smaakte altijd naar meer.

Carina van der Walt (Welkom, ZA, 1960) studeerde Nederlands en Afrikaans. Zij doceerde aan de Potchefstroomse Universiteit in Zuid-Afrika en kwam via een uitwisselingsprogramma met Tilburg University naar Nederland, waar zij is gebleven. Van haar hand verschenen verschillende dichtbundels. Zij is redacteur van Brabant Cultureel.

© Brabant Cultureel 2020

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.