Op café en atelier

door Robert Vacher

Vannacht zag ik in mijn halfslaap mijn broer Vincent aan de toog hangen in het café van de Mon, alsof hij uit de dood was opgestaan, leunend op zijn ellenboog, zijn hand bij zijn kin. Niets aan hem bewoog, alleen zijn ogen die rusteloos alle kanten op schoten. Hij stond in het halfduister, verward en hulpeloos, ik kon er niet meer van slapen, en vanzelf kwamen herinneringen boven aan momenten die ik in de loop van de tijd met hem gedeeld had.

Als ik hem opzocht in Baal en hij was thuis op zijn atelier, dan bekeken we zijn werkstukken van de laatste tijd zonder al teveel omhaal van woorden. Was hij er niet, dan kon ik bij hem naar binnen door de achterdeur die nooit op slot ging. De benedenverdieping van de woning was grotendeels zijn atelier met een ruwhouten werktafel waarop rollen linnen lagen voor zijn doeken die hij zelf opspande. Er lagen broden van chamotteklei op zijn tafel en half leeg geknepen tubes acrylverf. Hij had weckpotten staan met kwasten en penselen in alle soorten en maten.

Spelenderwijs maakte ik hem uit voor een martelaar van het marterhaar, een eretitel die werd toegekend aan de fijnschilder Dick Ket, voor wie we allebei bewondering hadden, een man die als een chroniqueur van zijn eigen neergang in zijn zelfportretten de stadia van zijn hartkwaal zichtbaar had gemaakt, om vervolgens tragisch jong te sterven. Aan een lange spijker achter zijn schildersezel had Vincent zijn witte werkjasje hangen dat hij toen nog aantrok als hij aan de slag ging. Op de schouw lagen wat kunstboeken, en onder direct bereik had hij een studie over Zen, en de gedichten van Li Po. De ramen aan de achterkant van zijn werkruimte keken uit op een paar kwijnende appelbomen die nog altijd elk najaar trouw hun sterappeltjes loslieten, die dan rijp en rot in het ruige gras voor het oprapen lagen. Ik zocht er altijd een paar van de beste uit, die ik mee naar huis nam, glimmend poetste en op de fruitschaal stapelde, een volmaakt stilleven waar geen acryl of marterhaar aan te pas kwam.

Wanneer ik door de bossen naar Baal was gefietst om hem op te zoeken, liep ik altijd wel, wanneer hij er niet was, tegen een half afgewerkt doek op zijn ezel aan, of op zijn werkblad een sculptuur in wording die wachtte op de meester die met zijn duimen en vingers de amorfe hompen uit de kleibroden tot leven wekte. Dat was het begin. Het beeld kreeg zijn uiteindelijke voltooiing bij de bronsgieter, soms was het vrij werk, soms werkte hij aan de kop van iemand die zijn hoofd vereeuwigd wilde zien, en die bereid was daarvoor in een aantal sessies te poseren. Kon hij weer een paar maanden ongestoord leven. Het hoofd in wording stond verankerd op een draaibaar houten blad dat rustte op een ijzeren statief. Wanneer hij het werk eraan onderbrak, dekte hij de klei af met natte theedoeken die erop wezen dat hij aan het werk was. Alleen nu even niet. Op een gegeven moment had hij meerdere statieven waar hij op werkte. Ik lichtte wel eens een natte doek op om te zien wat eronder zat.

Wanneer hij niet thuis was, vond ik hem meestal wel ergens in de buurt. Vaak bij de Mon. Ik hoefde de straat maar over te steken. Het café lag pal tegenover zijn atelier. De Mon was er altijd. Met zijn donkere zigeunerkop baatte hij zijn kroeg uit samen met zijn struise Alies die geroutineerd de tapkraan bediende en de klanten van geestrijk vocht voorzag, waarbij ze zichzelf zelden oversloeg. Alies vulde na iedere slok haar glas meteen weer bij, zodat ze op haar eigen bier altijd een mooie schuimkraag had. Na de eenzaamheid van zijn werkplek zocht Vincent nogal eens de ambiance van het dranklokaal en was hij de praatpaal voor wie zijn hart wilde luchten. Op stille momenten schoof Mon aan de andere kant van de toog bij hem aan en praatte hem bij over wat hij had meegemaakt in de tijd dat hij als vrachtrijder vreemde landen doorkruiste of onlangs op de Tommelse Hei op een eigen stuk grond voor de loop van zijn jachtgeweer had gekregen. Vincent was vooral een dwarse vrijbuiter die zich alleen door zijn werk de wet liet voorschrijven. Hij begon de dag bij voorkeur met een zwarte koffie om vervolgens aan de slag te gaan en het gevecht te leveren met de weerbarstige klei of de smeuïge verf die hij met spatel en penseel op zijn doeken aanbracht, waarbij hij het liefst de stilte koesterde of zich een enkele keer wat muziek veroorloofde. Tegen het eind van de middag sloot hij zijn werkdag af en stak hij meestal over naar de Mon voor wat vermaak en gezelschap.

Op een zomerdag reed ik door de bossen op goed geluk naar hem toe en spraken we elkaar in het café. De buitendeur stond open naar de straat. Een onbekende kleine man in een zwart pak, met bakkebaarden en glimmend gepoetste puntschoenen, die er met zijn opgekrulde hangsnor uitzag als een circusbaron, doorbrak het geroezemoes door in zijn argeloosheid op weg naar het toilet voor de gein aan de bel boven de toog te trekken, waarop iedereen een seconde lang stilviel, onmiddellijk gevolgd door hoongelach. Iedereen aanwezig wist dat dit een dure grap zou worden. Maar hij nam zijn verlies, een rondje voor het hele café. Terwijl de drank doorkwam zag ik van opzij hoe de vrouw van de baron, een kop groter dan haar lilliputter, met haar voorgevel tegen de bar aan stond en met haar hand diep in haar riante decolleté ging. Ze draaide en tastte en kwam tevoorschijn met iets levends, trillend en bevend op zijn pootjes, een miniatuurhond die aan haar omvangrijke lichaam leek te zijn ontsnapt, alsof ze het mormel zojuist gebaard had, een chihuahua die ze uitvoerig met kusjes overdekte, waarna ze hem terug in de gleuf tussen haar ongetwijfeld warme borsten liet glijden. Eenmaal van de schrik bekomen, bleef de baron om de haverklap aan de bel trekken. Hij zat kennelijk goed in de slappe was en het leek zijn ijdelheid te strelen.

Bij het zoveelste rondje viel Appie binnen, een man die op de manege werkte, kroegmaat van Vincent. Appie was net op tijd om in de algemene vreugde te delen. Hij nam een borrel, een jonge klare in een borrelglas waar hij beschaafd aan nipte, om vervolgens te laten weten dat hij net terugkwam van De Schrieken, en in de bossen van het landgoed had gezien hoe een paar verwilderde hengsten, opgejaagd door zwermen horzels, bescherming zochten in het Zwart Ven, waar ze om eraan te ontsnappen tot aan hun schoften in het water stonden. Ik was Appie al eerder een keer tegengekomen. Hij deed zijn best om er steeds correct uit te zien met zijn achterover gekamde haar dat glansde van de brillantine. Zijn sleetse zwarte pak droeg hij met allure, als een gentleman, aan wie het niet was af te zien dat hij de hele dag door aan borrelglazen nipte en desondanks overeind bleef. Bij elke slok die naar binnen ging, maakte de vlinderstrik ter hoogte van zijn strot een vrolijk sprongetje.

Vincent, hangend boven zijn bier, werd niet warm of koud van wat er om hem heen gebeurde. Hij bleef stoïcijns, dromerig, alsof hij ergens anders was, geen moment echt vrolijk of uitgelaten. Na wat heen en weer gepraat prevelde Appie nog wat in Vincent zijn oor en sloeg hem bij het wankel omdraaien amicaal op zijn schouder, waarop hij op onvaste benen naar buiten schuifelde, waar hij werd opgewacht door zijn oude DS en een aanhangwagentje met dekzeil, volgens Vincent gevuld met dozen bevroren varkensvlees dat hij uit leurde bij slagers en kruideniers aan weerszijden van de grens die als een grillige lijn opmerkelijk genoeg bij Vincent door zijn toilet en bij de Mon onder het biljart door liep.

Ongemerkt viel de avond, geleidelijk liep de kroeg leeg. Tijd ook voor de dame met het hondje die haar vrijgevige baasje met de grootste moeite mee de straat op kreeg. Het was een uur of negen in de avond en de zon gloeide nog aan de hemel toen we voor zijn huis uit elkaar gingen. Ik stapte op mijn racefiets, zoals ik gewend was, om de vijfentwintig kilometer door de bossen en langs vennen en weilanden terug te rijden naar de stad. Voorover gebogen, tegen de warme wind in fietsend, zag ik voor me hoe Vincent, op hetzelfde moment dat ik begon terug te rijden, de trap in de gang naast zijn atelier op ging naar Manda die boven hem woonde, een alleenstaande vrouw die boven een bescheiden optrek bewoonde. Af en toe zochten ze elkaars gezelschap en keken ze onderuitgezakt naar een spannende film. Manda was een vrouw van in de zestig, krom als een hoepel, die tijdens de beste jaren van haar leven in een klooster had gezeten, en na haar uittreden de kost had verdiend door jarenlang op twee oudere dames te passen voor wie ze poetste en kookte en bij wie ze elke nacht als een waakhond op een stoel voor de deur van hun slaapkamer zat, om bij elke gril, al was het maar voor een slok water, toe te schieten. Nadat de welgestelde dames kort na elkaar waren gestorven, betrok Manda met wat geld dat haar was geschonken, de bovenverdieping van het huis waar later ook Vincent zou intrekken, die op zoek was naar een werkruimte. Zij boven, hij beneden. Een trap en een binnendeur scheidden hun werelden van elkaar.

Als de binnendeur aan het eind van de gang op slot zat, was er bonje. De deugniet kwam te weinig langs. Of hij had haar op een andere manier teleurgesteld. Haar moederlijke gevoelens stonden nipt afgesteld. Daartegenover kon ze buitengewoon gastvrij zijn. Op haar of zijn verjaardag maakte Vincent zijn werktafel schoon en drapeerde er een hagelwit, door haar aangereikt damast tafellaken overheen. Manda stond erop om te trakteren. Wie langskwam kon toetasten. Er werden broodjes gegeten met verschillende soorten kaas, hesp, boerenmetworst en krabsalade, er waren gevulde tomaten en gevulde eieren, rode en witte wijn was er, het leven moest gevierd worden.

Op de achtergrond, en naarmate de dag vorderde meer op de voorgrond, klonk met tussenpozen de countrymuziek van Vincent zijn voorkeur, en schalde de stem door zijn atelier van Emmylou Harris, Tammy Wynette of Dolly Parton met haar tranen trekkende Joline, een lied dat we meezongen. Alleen Amanda Rosa Julia, zoals ze voluit heette, zong niet mee, ze glunderde alleen maar, licht verlegen maar zichtbaar tevreden, misschien wel omdat de vrijheidsduivel die haar levenspad had gekruist, voor de zoveelste keer zorgde voor een aangename rimpeling in haar eenzame bestaan.

Genietend van het aanhoudende zomerweer reed ik weken later op de vroege morgen weer eens naar Baal. Vincent was niet op zijn atelier en niet bij de Mon. Manda hoorde me, en kwam naar beneden om me te groeten. Ze dacht dat Vincent dit keer wel eens buitenaf bij de Schele kon zijn, of misschien in de Tourmalet. Tien minuten later zag ik van een afstand zijn fiets tegen de gevel staan van de kroeg met de Franse naam, een damesfiets die het opstappen na het innemen een stuk gemakkelijker maakte dan een fiets met stang die meer acrobatiek vereiste. Het was rond half tien in de ochtend. Ik keek van buitenaf door het caféraam naar binnen en zag hem zitten, verdiept in het spel dat hij speelde. Hij zag mij niet. Ik betrapte hem op een moment van ultieme vrijheid in het gezelschap van drie kerels met doorleefde koppen, als op schilderijen van Permeke voor wie Vincent grote bewondering had. Ze zaten met vieren aan een ronde tafel, gehuld in sigarenrook, en waren aan het kaarten, klaverjassen misschien, en alle vier hadden ze een bier en een kopstoot voor zich op tafel staan, waarop in het midden vier bolknakken met de gloeiende vuurpunten bij elkaar in de asbak lagen te smeulen. Geroerd door dit tafereel meende ik dat mijn broer toch maar een mooi leven had. Om in alle rust, wanneer iedereen zich met forse tegenzin op de sleur van de dag stortte, zomaar vroeg op de morgen een onbezorgd spelletje kaart te kunnen spelen, dat leek me op dat moment niet minder dan een mooie variant van verfijnde levenskunst. Type bon vivant. Of zag ik iets wat er misschien niet was. Zag ik teveel? Of te weinig misschien?

Aarzelend om onaangekondigd zijn leven binnen te stappen, besloot ik dat niet te doen, hem alleen te laten met zijn spel en zijn dagdromen en terug te rijden naar Manda, een bejaard kind van een verloren tijd. Ze zette koffie voor me en we zaten tegenover elkaar, en ze begon meteen over Vincent: “Het is ’ne goeie jongen è”, zei ze, “maar ’t is ’nen deugniet, da kan toch zo nie doorgaan.” Hij was een deugniet want ze kreeg geen vat op hem. En hij nam teveel in. Maar ze had wel altijd een volle krat bier staan om hem te verleiden naar boven te komen om haar gezelschap te houden.

Wat niet mocht doorgaan, was zijn gewoonte om ’s avonds na zijn werk een drankhol op te zoeken om zich te verpozen. Ik wist dat de strengheid van haar oordeel geen obstakel was om hem in haar hart te sluiten. Schuddebuikend van het lachen om haar bezorgdheid en mogelijk geroerd om alles wat ze met hem meemaakte, rolden de vreugdetranen over haar wangen. At hij wel genoeg. Dronk hij niet te veel. We zaten nog enige tijd aan tafel bij het raam van haar kleine zitkamer met keukenhoek, die evengoed ook de cel kon zijn van een non met haar vrome glazen bakje met wijwater en een palmtakje aan de muur. Regelmatig kwam haar bolronde lichaam in heftige beweging wanneer ze het over Vincent had.

Toen ik aankondigde dat het tijd werd om op te stappen, wilde ze me niet laten gaan zonder iets te eten te maken voor me. Want met een lege maag kwam ik niet ver. Ze bakte eieren die ze me met brood erbij voorzette. Ik was ontroerd. Manda keek tevreden toe hoe de omelet me smaakte bij een beker koude melk. Bij het afscheid drong ze erop aan om gauw nog eens langs te komen. Via de bijkeuken liep ik naar mijn fiets en maakte vanuit de achtertuin, die in open verbinding stond met andere tuinen, kennis met de jonge buurman van een paar huizen verderop, die vanuit Zevendonk in Baal was komen wonen.

Hij liet in zijn achtertuin een kippenren zien waarin hij drie Vlaamse gaaien had – voor hem waren het roeters – die hippend, af en toe fladderend met opgezette kuif een doordringend schrááák schrááák uitstootten, rondscharrelend bij een boomstammetje met eronder her en der verspreid stukjes appel, zonnepitten en andere zaden. Het was voor mij een onbekend schouwspel dat in de plaats kwam van mijn broer die afwezig was. Ik had hem gemist, maar kreeg er iets voor in de plaats. Ik leerde Pol kennen zonder op dat moment te weten dat uit onze kennismaking een vriendschap zou ontstaan die jaren standhield. Pol was een jonge hond die alles wist van vogels, vooral roofvogels. Jaren lang struinde ik met hem met enige regelmaat door de bossen.

Onderweg naar huis dacht ik terug aan de vroege kaarters in de Tourmalet, en aan Manda, die een hoge prijs had betaald voor haar latrelatie met de Heer, totdat Vincent in haar leven kwam, een man van tegen de veertig om wie ze zich gaandeweg meer zorgen maakte en die ze bewonderde. Bang dat hij de inwendige mens verwaarloosde was ze graag bereid om in haar keukentje een warme maaltijd voor hem te stoven. Alleen bij hoge uitzondering liet ze zich verleiden om over te steken naar de Mon, waar ze verloren en onwennig met haar korte beentjes op een te hoge barkruk zat, naast haar geadopteerde zoon, met een glas rode port en guitige oogjes die bijna verliefd naar hem opkeken, zoals ik dat gezien had, haar lach was van een engelachtige onschuld.

Meestal ontsnapte Vincent aan haar bij tijden wat al te nadrukkelijke bezorgdheid door zijn eigen potje te koken of na zijn werk verzeild te raken bij de Schele, die een afgelegen boerderij bewoonde die geleidelijk uitgroeide tot een dranklokaal dat zelfs op hete zomerdagen koel en donker bleef. Maar waar hij ook buiten zat, op het erf, in de avondzon, een klein terras met uitzicht op de velden en landerijen en waar hij altijd wel iemand tegenkwam waarmee hij een gesprek had. Of hij belandde bij de Rooie, waar hij moeilijk wegkwam, ook al omdat die geen sluitingstijd kende en waar tegen middernacht verschillende hoertjes van Coccinelle binnenvielen, die hun heilzame werk erop hadden zitten en nog een afzakkertje namen voordat ze oplosten in de nacht.

De Rooie was een gescheiden sjacheraar met een zoontje waar hij wel eens een paar dagen op paste. Op de dag dat hij vijftig werd, was zijn zoontje toevallig bij hem, met de auto afgeleverd door zijn ex, wat hem niet verhinderde in zijn eigen kroeg zijn verjaardag te vieren. Voor Vincent en maten van de Rooie was er na tien uur gratis drank. Om zijn zoon IJsbrandje in het oog te kunnen houden parkeerde hij het manneke in een grote Keulse pot midden in de kroeg, zodat hij met zijn slaperige ogen over de rand kon kijken. Geleidelijk verdween IJsbrandje uit het zicht en zakte naar de bodem waar hij in een diepe slaap verzonken bleef terwijl het feestgedruis om hem heen bleef aanhouden en pas in de loop van de ochtend verstomde.

Ondanks mijn belangstelling voor Vincent en zijn werk gingen er soms wel een paar maanden voorbij voor ik hem weer eens opzocht. Eenmaal in het grensdorp aangekomen trof ik altijd wel iets dat me verbaasde, zoals die keer dat ik onaangekondigd bij hem naar binnen ging en in de bijkeuken stuitte op een bestervend everzwijn bijna zo groot als een pony, ondersteboven bij zijn achterpoten aan een haak aan een houten balk opgehangen, zijn snuit net boven een plasje gestold bloed op de zwart-witte tegelvloer. In zijn atelier kon ik aan de opstelling van het boetseerplat en de stoelen zien dat iemand geposeerd had. Hij zag zich voor een creatieve uitdaging geplaatst. De kop waar hij aan werkte was een zo goed als voltooid mannenhoofd dat wachtte op de afwezige schepper, zoals het everzwijn wachtte op de bedreven hand van de slachter. Ieder zijn deel.

Ik stak de straat over naar de Mon die me wist te vertellen dat het zwijn uit de Ardennen afkomstig was, geschoten in de bossen rond Trois Ponts en door Vincent en een paar vrienden waaronder hijzelf, aangekocht om uiteindelijk, na zijn ontleding, in de diepvries te belanden. Manege-Appie was bereid om in ruil voor een kruik jonge klare het uitbenen en fileren voor zijn rekening te nemen. Alies liet hardop weten dat ze nergens zo dol op was als op wild. En in rad tempo somde ze op wat ze daar lekker bij vond, puree van kastanje natuurlijk, en vossenbessen, met zuurkool. “Wij meuge da graog è, wild mee choucroute è.” En toen ik aanstalten maakte om te vertrekken maakte ze zich los van de tap, kwam achter de toog vandaan en sloeg als een zwetende octopus een vlezige arm om me heen, om met het bierschuim op haar lippen mij een drieste natte zoen op mijn mond te geven.

Weken later wist Vincent de hand te leggen op een oude motor die hij liefkozend zijn buikschuiver noemde, aangeschaft om de afstand te overbruggen tussen zijn atelier en de suikerfabriek in de stad, waar hij zich voor seizoenwerk had aangemeld om zijn onregelmatig inkomen aan te vullen. Opdrachten voor portretten die geld genereerden waren dun gezaaid en vrije sculpturen en schilderijen niet altijd makkelijk aan de man te brengen, al had hij wel een galeriehouder die werk van hem kocht, dat hij een plaats gaf in zijn etalage. Om de zoveel tijd was er in de stad ook een kunstmarkt waar hij een kraam deelde met een enthousiaste, al even onbemiddelde kunstbroeder. Van het aan de man gebrachte werk kon hij de koelkast en de broodtrommel vullen, terwijl het seizoenwerk op de suikerfabriek genoeg opleverde om ook de kachel brandend te houden, en de gestaag oplopende rekening te vereffenen bij de Mon die hem tactvol over de bar toefluisterde dat hij ook moest leven: “Vince, er staat nog wat van jou op de lat, è, ‘t gaat nou wel erg hard, jong.”

Op de suikerfabriek werd hij ingedeeld bij de messenslijpers. Ergens halverwege de decembermaand van dat jaar ben ik om een uur of drie in de vrieskoude winternacht in de fabriek bij hem langs gegaan. Buiten was het winter en tien graden onder nul, binnen heerste een tropische hitte. De hete stoomwolken die alle zicht belemmerden sloegen me onmiddellijk tegemoet toen ik de enorme fabriekshal met zijn gierende centrifuges binnenging. Hier en daar dook in de dichte mist een figuur op die vaag de richting wees die ik op moest. Niemand vroeg wie ik was of wat ik kwam doen. Uiteindelijk vond ik de afdeling waar een paar kerels rondhingen die Vincent bleken te kennen, maar niet wisten waar hij uithing, totdat iemand meende te weten dat hij schaftpauze had. Ik vond hem na wat zoeken liggend achter een schot, languit op de vloer, met zijn anorak en trui als neksteun, in diepe slaap. Bij zijn hoofd lag zijn knapzak. Het kwam niet in me op om hem wakker te maken en beleefde de poëzie van het moment als een klein geschenk maar wist tegelijkertijd dat ik hier niets te zoeken had.

Lange tijd ging het goed met zijn buikschuiver, tot die vrieskoude winterdag dat het sneeuwde. Vroeg in de morgen reed hij na zijn nachtdienst slippend en glijdend over gladde binnenwegen vanaf de fabriek terug naar zijn grensdorp, een riskante tocht waarop hij in de buurt van zijn huis bij een verkeerd ingeschatte bocht zijn evenwicht verloor, onderuit ging en tegen een boom tot stilstand kwam. Met wat kneuzingen en schaafwonden op armen en benen krabbelde hij overeind, zeulde de buikschuiver over een afstand van een paar honderd meter mee naar zijn huis en smeet hem daar ziedend van woede tegen de voorgevel. Bijna gelijktijdig ging er boven zijn hoofd een raam open. Matineuze Manda verscheen in de opening. Met wat losse slagen klopte ze haar hoofdkussen uit, en het was of ze zich inspande om zelf sneeuw te maken, als Vrouw Holle in het sprookje van Grimm, waarna ze haar gehavende huisgenoot aanspoorde om de motor te laten voor wat hij was. “Kom vlug boven, jong, zal e kik oe helpen en ’s rap eieren mee spek voor oe bakken.”

Robert Vacher (Breda 1940) zwierf jarenlang door Afrika en Zuidoost-Azië. Hij schreef onder meer de roman ‘Grensgebieden’, de reisroman ‘Spel van troost’, de verhalenbundel ‘Vrije val’ en publiceerde in tijdschriften als De Revisor, Maatstaf, Nieuw Vlaams Tijdschrift, SIC en Gierik.

© Brabant Cultureel 2020