Catalogus van Van Goghs werk in Kröller-Müller schetst zijn artistieke ontwikkeling

Het Kröller-Müller Museum publiceerde een boek met alle werken van Vincent van Gogh in de collectie. Eerder verschenen al een overzicht van alle schilderijen en een overzicht van alle werken op papier, respectievelijk in 2003 en 2007. De nieuwe, handzame publicatie zoomt vooral in op de stilistische ontwikkeling van Van Gogh en besteedt uiteraard ook aandacht aan verzamelaar en stichter van het museum, Helene Kröller-Müller.

door Irma van Bommel

Het mag wel uniek heten: een boek maken over de artistieke ontwikkeling van Vincent van Gogh (1853-1890) met alleen werken uit eigen collectie ter illustratie. Er zijn op de hele wereld maar twee musea die dat kunnen: het Van Gogh Museum in Amsterdam en het Kröller-Müller Museum op de Veluwe. Met 88 schilderijen en ruim 180 werken op papier bezit het Kröller-Müller de op een na grootste collectie werken van Vincent van Gogh ter wereld. Het Van Gogh Museum bezit de grootste collectie.

Vrouwen

Het is aan twee vrouwen te danken dat beide musea er nu zijn, Jo van Gogh-Bonger (1862-1925) en Helene Kröller-Müller (1869-1939). Jo van Gogh-Bonger was de vrouw van Theo van Gogh, Vincents broer en ook zijn steun en toeverlaat. In ruil voor financiële ondersteuning stuurde Van Gogh regelmatig werken op naar zijn broer. Als Theo een half jaar na Vincent plotseling overlijdt, zit Jo met een erfenis van honderden werken van Vincent. Zij organiseert exposities om zijn werk onder de aandacht te brengen. Met een grote overzichtsexpositie in 1905 in het Stedelijk Museum in Amsterdam, met meer dan vijfhonderd werken, is de naam van Van Gogh in de kunstwereld gevestigd. In 1914 publiceert zij de brieven van Van Gogh, Brieven aan zijn broeder, compleet met biografie. Ook dat draagt bij aan de bekendheid van de schilder.

Helene Kröller-Müller, verzamelaar en stichter van het Kröller-Müller Museum.
Foto circa 1887, in 1888 trouwt zij met Anton Kröller.

Helene Müller (1869-1939) was de dochter van de welgestelde president-directeur van het Duitse transportbedrijf Wm. H. Müller & Co. Zij trouwt in 1888 met Anton Kröller, die na de dood van haar vader de leiding van het bedrijf overneemt. Zij gaan wonen in Den Haag en al gauw groeit het bedrijf uit tot een succesvolle, internationale onderneming. Helene begint met het verzamelen van antieke meubelen, aardewerk en Aziatische kunst.

Henk Bremmer, kunstadviseur van Helene Kröller-Müller. Datum foto onbekend.

In 1906 volgt Helene lessen kunstgeschiedenis bij kunstpedagoog- en kunstadviseur Henk Bremmer. Hij wijst haar op het werk van Van Gogh. Al snel na de expositie in het Stedelijk Museum ziet Bremmer in Van Gogh ‘de belangrijkste schakel in de West-Europese kunstgeschiedenis tussen een traditionele, realistische kunstopvatting, geworteld in een directie observatie van de werkelijkheid, en een meer moderne benadering, waarbij persoonlijke gevoelens en ervaringen kunst een diepere lading geven’.

Helene raakt enthousiast en in 1907 stelt zij Bremmer aan als haar adviseur. Zij besluit een verzameling aan te leggen van moderne kunst, met de werken van Van Gogh als kern van die verzameling. Zij koopt bij kunsthandelaren en op veilingen in Nederland, maar ook in Parijs, zowel schilderijen uit Van Goghs Nederlandse als zijn Franse periode. En ze koopt in 1928 circa honderd vroege tekeningen bij de Dordtse verzamelaar Hidde Nijland. Zijn naam prijkt op tal van deze tekeningen en deze aankoop verklaart ook waarom we in het boek veel tekeningen uit zijn Nederlandse periode zien en maar weinig uit zijn Franse periode.

Een van de Van Goghzalen in museum Kröller-Müller, ingericht door Helene Kröller-Müller in 1938.

Al in 1913 maakt Helene haar verzameling toegankelijk voor het publiek door deze tentoon te stellen in een pand aan het Lange Voorhout in Den Haag. Op de Hoge Veluwe kopen Helene en Anton Kröller een landgoed en Helene geeft aan de Belgische kunstenaar en architect Henry Van de Velde de opdracht om een museum te ontwerpen. Aanvankelijk zijn er plannen voor een groot museum, maar dat blijkt financieel niet haalbaar. Uiteindelijk wordt in 1938 een kleiner museum gerealiseerd waar Helene tot aan haar dood, een jaar later, de eerste directeur is.

Tekenkunst

De teksten in het boek zijn geschreven door Renske Cohen Tervaert, conservator van het Kröller-Müller Museum en door Chris Stolwijk, algemeen directeur van het RKD, Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis in Den Haag. Voor informatie is vooral geput uit de brieven van Van Gogh.
Het verhaal van Vincent begint in dit boek in 1880, als Theo hem aanraadt zich volledig op de tekenkunst te richten. Vincent werkt op dat moment in de Borinage, een arme mijnstreek in België waar hij Bijbellessen geeft. Hij maakt daar ook tekeningen van de arme arbeiders, die hij opstuurt naar zijn broer die in Parijs woont en werkt bij kunsthandel Goupil & Cie. Vincent begint met zelfstudie, onder andere door prenten van Jean-François Millet na te tekenen.

Voor ‘The bearers of the burden’ (april 1881) laat Van Gogh zich inspireren door de mijnstreek
De Borinage. Collectie Kröller-Müller Museum, Otterlo, Nederland

In oktober 1880 vertrekt Vincent naar Brussel om lessen te volgen aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten. Daar ontmoet hij Anthon van Rappard, met wie hij jarenlang bevriend blijft. Over zijn tekening The bearers of the burden (april 1881) vermeldt het boek: ‘Van Gogh toont dat hij in korte tijd veel heeft geleerd en inmiddels in staat is een zelfgekozen onderwerp met expressie weer te geven.’ Bij dit soort vermeldingen, die niet als citaat zijn weergegeven, is het niet duidelijk of het hier gaat om een uitspraak van Theo in een brief of dat het de mening van de auteurs is.

Van Gogh tekent ‘Tuinhoek’ in juni 1881 als hij bij zijn ouders in Etten verblijft. Collectie Kröller-Müller Museum, Otterlo, Nederland

Diezelfde maand reist Van Gogh naar zijn ouders in Etten. Daar trekt hij eropuit, samen met Van Rappard die op bezoek komt. Aan het eind van de zomer laat hij wat tekeningen zien aan zijn neef Anton Mauve in Den Haag, een van de schilders van de Haagse School. Die raadt hem aan te stoppen met het kopiëren van werk van anderen om een eigen handschrift te kunnen ontwikkelen. Van Gogh gaat zich dan richten op figuurstudies van de lokale boerenbevolking.

Timmermanswerkplaats

Van Gogh wil ook leren schilderen en aquarelleren en in november vertrekt hij naar Den Haag om lessen te volgen bij Mauve. Na een conflict met zijn vader, die hem niet langer wil onderhouden, wendt Vincent zich tot Theo. In Den Haag heeft Vincent, naast Mauve, ook contact met de schilders Jan Hendrik Weissenbruch, Théophile de Bock en George Hendrik Breitner. In opdracht van zijn oom Cor, kunsthandelaar in Amsterdam, gaat hij in Den Haag stadsgezichten tekenen. Maar als Vincent met tekeningen van een timmermanswerkplaats, een wasserij en een visdrogerij komt aanzetten, wordt dit niet gewaardeerd en volgen er geen opdrachten meer. Genoemde tekeningen laten wel zien dat hij zich heeft verdiept in perspectiefleer.

In ‘Timmermansloods en wasserij’ (Den Haag, eind mei 1882) brengt Van Gogh de lessen perspectiefleer in de praktijk. Collectie Kröller-Müller Museum, Otterlo, Nederland

Na bestudering van perspectief, proportie en licht-donkercontrasten wil hij in de zomer van 1882 ook kleur gaan toepassen. Hij richt zich naast landschappelijke motieven ook weer op figuurstudies. Sien, met wie hij op dat moment samenwoont, fungeert daarvoor regelmatig als model. Omdat hij tevens als illustrator aan de slag wil, verdiept hij zich in de techniek van de lithografie. Hij experimenteert met een techniek waarbij de gelatinesubstantie op papier wordt aangebracht, de zogenaamde transferlitho. Dit heeft als voordeel dat je op het papier kunt tekeningen in plaats van op de lithosteen. Het resultaat valt hem echter tegen.

Op aanraden van Van Rappard en in navolging van enkele schilders van de Haagse School gaat Van Gogh in augustus 1883 in Drenthe tekenen. Maar omdat hij het daar te eenzaam vindt, vertrekt hij alweer na een paar maanden. In december 1883 klopt hij dan weer aan bij zijn ouders die inmiddels verhuisd zijn naar Nuenen. In het boek wordt met geen woord gerept over schildersdorpen zoals Laren, Dongen en Heeze, die in navolging van Barbizon in opkomst zijn en waar Van Gogh gelijkgezinde kunstenaars zou kunnen ontmoeten.

Eigendom

Omdat hij financieel afhankelijk is van zijn broer en hij zich daar ongemakkelijk onder voelt, doet Vincent de toezegging dat Theo alle werken die hij opstuurt in eigendom mag houden. Dat verklaart de grote collectie werken die Theo en Jo van Gogh-Bongers na Vincents dood in huis hebben en bezitten.

In Nuenen schildert Van Gogh een vrij nieuw onderwerp: de thuiswevers. Dit ‘Weefgetouw met wever’ dateert van april-mei 1884. Collectie Kröller-Müller Museum, Otterlo, Nederland

Van Gogh tekent in zijn Nuenense jaren de omgeving van de pastorie en maakt figuurstudies van de boerenbevolking. Ook besluit hij wevers te bestuderen, omdat dit thema nog niet door veel schilders is uitgebeeld. Hij hoopt daarmee verkoopbaar werk te maken. In augustus 1884 krijgt hij voor het eerst weer een opdracht. Voor de goudsmid en amateurschilder Antoon Hermans kan hij zes scènes uit het boerenleven schilderen voor de eetkamer, echter met als doel dat Hermans de werken kan naschilderen. De oorspronkelijke reeks blijft zo dus in het bezit van Van Gogh.

Ter voorbereiding van De Aardappeleters schildert Van Gogh in Nuenen tussen november 1884 en mei 1885 talloze koppen, waaronder ‘Kop van een vrouw’. Collectie Kröller-Müller Museum, Otterlo, Nederland

In de winter schrijft Van Gogh aan zijn broer dat hij voor zijn ontwikkeling als kunstenaar vijftig koppen moet schilderen. Hij oefent er vooral licht-donkercontrasten en expressie mee, technieken die we terugzien in De Aardappeleters. Een boerenfamilie aan de maaltijd is in die tijd een geliefd thema dat eerder ook is uitgevoerd door de Haage-Schoolschilders Jozef Israëls en Johannes Neuhuys. Van Gogh hoopt er wederom een verkoopbaar werk mee te maken. Van een van de voorstudies maakt hij een litho waar door zijn vriend Van Rappard negatief op wordt gereageerd. Volgens de auteurs herpakt hij zich en verwerkt hij de commentaren in de uiteindelijke versie, zijn eerste meesterwerk, dat zich bevindt in de collectie van het Van Gogh Museum.

‘Herfstlandschap’ is een van de laatste werken die Van Gogh in november 1885 in Nuenen schildert voordat hij naar het zuiden vertrekt. Collectie Kröller-Müller Museum, Otterlo, Nederland

Figuurschilderen

In navolging van Eugène Delacroix, over wie hij heeft gelezen, gaat Van Gogh experimenteren met werken vanuit volumes in plaats van vanuit de lijn. Ook begint hij meer kleur toe te laten in zijn werk. En hij beseft dat hij daarvoor Brabant moet verlaten. In november 1885 gaat hij naar Antwerpen, bezoekt er musea en schrijft zich in januari in aan de Academie om zich te bekwamen in modeltekenen. Dat houdt hij echter snel voor gezien en onverwacht vertrekt hij naar Theo in Parijs. Theo van Gogh woont daar dan aan de rand van de stad, in Montmartre. Van Gogh gaat lessen figuurschilderen volgen bij de historieschilder Fernand Cormon. Over die lessen is hij niet te spreken, maar hij raakt bevriend met de schilders Émile Bernard, John Peter Russel en Henri de Toulouse-Lautrec die er ook komen en door hen laat hij zich beïnvloeden. Hij richt zich op het maken van bloemstillevens om zijn kleurenpalet frisser te krijgen.

Met ‘Grasgrond’ (Parijs, april – juni 1887) laat Van Gogh zien dat zijn kleurgebruik sterk is veranderd.
Collectie Kröller-Müller Museum, Otterlo, Nederland

Vincent en Theo bezoeken exposities van avant-garde kunstenaars. Vincent ruilt werk met hen waardoor de broers een collectie avant-garde kunst opbouwen. Vincent begint in deze periode ook met het verzamelen van Japanse prenten waarvan hij de egale kleurvlakken, de ingezoomde composities en de opvallende kadrering bewondert. Deze verworvenheden zien we terug in zijn werk. Ook laat hij zich beïnvloeden door het pointillisme van Camille Pissarro, Paul Signac en George Seurat. In november en december organiseert Van Gogh in een restaurant een expositie met werk van hemzelf en van onder anderen Louis Anquetin, Bernard en Toulouse-Lautrec.

Na twee jaar Parijs vertrekt Van Gogh in februari 1888 naar het zuiden, naar Arles. Daar ontwikkelt hij zich vooral als landschapsschilder en behalve schilderijen maakt hij er ook tekeningen, onder andere met de rietpen. In oktober weet hij Gauguin, die hij in Parijs had ontmoet, over te halen naar Arles te komen. Via Gauguin wil Van Gogh het figuurschilderen weer oppakken. Dat resulteert in een reeks portretten, maar de spanning tussen beide kunstenaars loopt snel op. Na een ruzie raakt Van Gogh depressief. Hij snijdt zijn oor af en belandt in een ziekenhuis. In deze periode portretteert hij het echtpaar Roulin. Van Gogh uit zijn onzekerheid over deze werken aan Theo, maar die verzekert hem dat ze juist iets treffends en authentieks hebben.

Handschrift

Begin mei 1889 laat Van Gogh zich vrijwillig opnemen in een psychiatrische inrichting bij Saint-Rémy-de-Provence. Daar schildert hij de tuin en het uitzicht vanuit het raam van zijn kamer en, als hij naar buiten mag, ook de omgeving. Tussen de aanvallen door blijft hij schilderen. In Korenveld met maaier staat de maaier symbool voor de dood. In perioden dat hij binnen moet blijven, maakt hij nieuwe versies van oude tekeningen die hij in Brabant maakte, maar nu in zijn eigen handschrift. In januari schrijft criticus Gabriel-Albert Aurier een lovend artikel over hem, waarop Van Gogh hem als dank een tekening stuurt. Na een jaar verlaat hij de inrichting en vertrekt hij naar Auvers-sur-Oise, ten noorden van Parijs.

In slechts enkele jaren tijd ontwikkelt Van Gogh een geheel eigen stijl. ‘Landweg in de Provence bij nacht’, circa 12-15 mei 1890. Collectie Kröller-Müller Museum, Otterlo, Nederland

In Auvers houdt de arts Paul Gachet een oogje in het zeil. Bij hem kan Van Gogh werken, want een eigen atelier heeft hij hier niet. In het atelier staat een etspers en dat biedt Van Gogh de gelegenheid om etsen te maken naar zijn eerdere schilderijen. In de omgeving van Auvers schildert hij de boerenlandschappen om te laten zien ‘hoe gezond en hartversterkend’ hij het platteland ervaart. Maar in de uitgestrekte korenvelden drukt hij, naar eigen zeggen, ook triestheid en extreme eenzaamheid uit.

Gewaardeerd

Van Gogh heeft net niet meer meegemaakt hoe hij als avant-garde kunstenaar werd gewaardeerd. Direct na zijn dood wilde Theo een overzichtsexpositie maken van zijn werk, maar binnen een half jaar overleed hij ook zelf. Daarop is Jo van Gogh-Bonger zich gaan inspannen om het werk van haar zwager onder de aandacht te brengen. En later deed ook Helene Kröller-Müller hetzelfde door werken van hem aan te kopen.

Met een beknopt, maar vlot leesbaar verhaal schetsen de auteurs aan de hand van de woonplaatsen van Van Gogh het leven en vooral de stilistische ontwikkeling van de nu wereldberoemde kunstenaar. Ook over de periode dat hij bij zijn broer Theo in Parijs verbleef is er informatie. Die komt uit brieven van en aan anderen, want in die periode correspondeerden de broers natuurlijk niet met elkaar. Naast de de interessante en informatieve teksten is deze uitgave echter vooral een boeiend platenboek. Alle werken van Van Gogh uit de collectie van het Kröller-Müller Museum zijn in chronologische volgorde opgenomen waardoor de ontwikkeling naar een eigen handschrift goed zichtbaar wordt gemaakt. Het boek verscheen in zes talen.

Renske Cohen Tervaert & Chris Stolwijk, Van Gogh. Alle werken in het Kröller-Müller Museum, Otterlo: Kröller-Müller Museum 2020, 320 pp., ISBN 978-90-73313-50-7, pb., € 19,95.

Het boek is verkrijgbaar in de museumwinkel en via de webshop van het museum.

https://krollermuller.nl

© Brabant Cultureel 2020