Lou Keune blikt terug: Doen wat moet worden gedaan voor een betere wereld

Lou Keune (1938), ontwikkelingseconoom en vele jaren verbonden aan de Tilburgse universiteit, blikt in boekvorm terug op zijn leven. ‘Een zeer druk baasje’, zegt hij van zichzelf. Een vol en boeiend leven, gewijd aan het dichterbij brengen van een betere wereld, zegt deze lezer na het doornemen van de 458 dichtbedrukte bladzijden die het boek telt.

door Herman Coenen

De titel Doen wat moet worden gedaan tekent de bevlogen en gedreven man die Lou Keune is. Het straalt af van elke bladzijde. En wat moest en moet er nog steeds veel gedaan worden wanneer we willen dat deze wereld leefbaar wordt voor ieder mens. Nu duidelijk is dat ons overleven als mensheid in het geding is, is des te belangrijker dat de aarde – met haar rijke, maar o zo kwetsbare natuur – niet nog verder wordt uitgeput door onze zucht naar materiële welvaart.

Vijf van de zeven kleinkinderen van Lou Keune distribueren het boek na afloop van de presentatie in het Textielmuseum in Tilburg. Van links naar rechts Perla Stunnenberg, Yara Stunnenberg, Loes Bisschop, Cas Bisschop en Eva Keune. Foto > Piet den Blanken

Voetafdruk

Lou Keune vertelt in dit licht over zijn persoonlijke ontwikkeling, de ontwikkelingen in zijn denken en over de neerslag die dat in de loop van zijn tachtigjarige bestaan heeft gekregen. De voetafdruk van een mens vol hooggestemde idealen, die zich onophoudelijk geconfronteerd zag met de tekortkomingen van mens en samenleving. En die zich onvermoeibaar inzette om de gevolgen daarvan in te dammen.

Zo zien we zijn jeugd in Valkenburg, Zuid-Limburg. Die is gekleurd door de Tweede Wereldoorlog met onderduikers in huis en het wrak van een neergeschoten Engels vliegtuig, door het vanzelfsprekende Roomse leven met de gezangen en wierook in de kerk, de processies in het dorp en dappere missionarissen die het geloof gingen verspreiden, en door het beroep van zijn vader die handelde in woningtextiel.

Keune ging economie studeren in Tilburg. Zijn opleiding onderwees hem in de wetten van winstmaximalisatie en vrije marktproductie met het geld als heersende waarde. Daarna kreeg hij een baan bij een onderzoeksinstituut van de Katholieke Hogeschool Tilburg. In dat kader werden hij en zijn jonge vrouw Wil in 1962 als ontwikkelingswerkers uitgezonden naar Colombia. Dat bracht een ingrijpende omkeer in zijn denken. Hij zag de gevolgen van de heersende Westerse economie in het leven van de mensen daar: armoede, ongelijkheid, tanende gezondheid, slechte behuizing, dagelijkse ellende. Voor hem was het duidelijk: lokale en nationale problemen zijn internationale problemen, uitvloeiselen van een wereldwijd economisch systeem. Sinds hun terugkeer naar Nederland in 1965 zette hij zich in om dit systeem te veranderen. Daarbij vond hij een denkmodel in de Marxistische klassenanalyse die zijn werk als docent en onderzoeker aan de Sociale Faculteit in Tilburg en aan diverse andere opleidingen gedurende vele jaren zou bepalen.

Lou Keune tijdens de presentatie van zijn boek “Sobrevivimos la guerra” in het dorpshuis in Arcatao, El Salvador, 1996. Foto uit het besproken boek.

Broedplaats

Hier, in de eigen omgeving moesten de aanzetten tot globale verandering plaatsvinden. En de jaren leken daar rijp voor: er woei een nieuwe wind door Nederland en Tilburg was een broedplaats van nieuw denken en van verzet tegen de heersende maatschappelijke machten. Zowel aan de universiteit als in de stad en ook landelijk was Keune een stimulator. Hij nam deel aan vele werkgroepen met zowel sociaaleconomische als religieuze doelen. Hij deed onderzoek onder de arbeiders van de snel neergaande Tilburgse wolindustrie en was gefascineerd door de manier waarop zij in hun moeilijke omstandigheden wisten te overleven. Zoals hij dat ook al had gezien in Colombia. Hij ging regelmatig terug naar Midden-Amerika waar El Salvador, Nicaragua en Costa Rica terrein van onderzoek waren.

Nu werd hij er niet alleen geconfronteerd met de heersende armoede en ongelijkheid, maar ook met de broeiende tendensen tot revolutie. Mensen pikten het niet meer en kwamen daadwerkelijk in verzet tegen de verhoudingen die zij als onrechtvaardig ervoeren en die hen vastnagelden in een machteloos bestaan. En de machthebbers sloegen terug, hardvochtig en nietsontziend. Keune begreep de opstandigheid, zag de uitzichtloosheid waaruit zij voortkwam en voelde zich solidair. Maar hij zag ook de gruwelen van de burgeroorlog. Zijn hart, altijd aanspreekbaar voor het dagelijks lot van gewone mensen, deed hem twijfelen: weet waar je aan begint…

Lou Keune deed wat hij kon om te steunen, de pijn te verzachten. Samen met anderen bood hij onderdak aan studenten uit arme landen en hielp hen aan de noodzakelijke toegangspapieren. Ook stuurde hij hulppakketten naar oorlogsgebieden.

Boekpresentatie van het boek “Doen wat moet worden gedaan” in het textielmuseum in Tilburg met van links naar rechts Lou Keune, Jan Pronk, Cisca Boermans en Thera van Osch. foto > Piet den Blanken

Vonkje

Bij dit alles bleek hoe de theoreticus en systeemdenker die hij was geworden, altijd ook Lou Keune bleef: de gevoelige jongen die hij in zijn jeugd in Valkenburg al was. Verbonden met de mensen om hem heen, één van hen. In de loop van de jaren interviewde hij ook enkelen die hem persoonlijk raakten en schreef over hen: Kees de Jong, een Tilburgse textielarbeider van de oude stempel, Agnes Vos-Verbunt, afkomstig uit een echte Tilburgse textielarbeidersfamilie die ook zelf in de wolfabrieken werkte en later koffieserveerster werd in de gebouwen van de universiteit. En Anne van Arend, een joodse vrouw die Keune en zijn vrouw leerden kennen als leerkracht voor hun kinderen en die diepe indruk maakte door haar ervaringen als jong meisje in de oorlog. En door haar positieve kijk op mensen: ‘Ieder mens heeft een goddelijk vonkje in zich, dat zich op de meest onverwachte wijze ineens kan manifesteren!’

De jaren zestig en zeventig waren een periode van openheid, protest en confrontatie. In de jaren tachtig begon een andere wind te waaien. ‘Realisme’ kreeg de overhand, mensen raakten gaandeweg in de ban van de praktische noodzaken in de samenleving zoals ze was, politiek meer en meer gedomineerd door het neoliberalisme. Keune en anderen bleven strijdbaar, leverden rapporten en manifesten en deden hun invloed gelden. Bewustwording bleef het doel. Nu waren niet meer alleen de sociale en economische ongelijkheid, de machtsverschillen, lokaal en internationaal, tussen landen en tussen groepen van landen de focus van aandacht, ook de wereldwijde ecocide kwam in beeld. Het kapitalisme is niet alleen fnuikend voor het welzijn van vele mensen, maar ook voor de natuur, de aarde als het huis waarin wij leven.

Tegenover de globalisering van de economische betrekkingen kwam een beweging van ‘andersglobalisering’ op gang. Onze relaties vormen een wereldwijd netwerk, laten we dat erkennen en zien hoe onze problemen vanuit dit netwerk kunnen worden begrepen en op dit niveau worden aangepakt. We hebben een duurzame en solidaire economie nodig.

Lou Keune met bisschop Tiny Muskens in 2000 tijdens de presentatie van een boek van Muskens. Foto uit het besproken boek.

Utopie

Dit streven werd de inzet van Keune’s werk. Hij deed voorstellen om deze nieuwe economie te bewerkstelligen. Hij pleitte voor een wereldwijd stelsel van bestaanszekerheid, een ‘basispakket aan middelen om te voldoen aan de primaire levensbehoeften op gebieden als voeding, basisgezondheidszorg, basisonderwijs, huisvesting, toegang tot schoon water en tot riolering, en kleding’. En hij pleitte voor inperking van de materiële consumptie in onze rijke landen. Het ging hem er immers om niet alleen kritiek te leveren, maar ook wegen naar oplossing te laten zien. Daarbij is het van belang drie niveaus van verandering in het vizier te houden: ‘het dagelijkse denken en doen van mensen (…), het macroniveau van de meer gestolde relaties tussen mensen en groepen van mensen en samenlevingen die meestal structuren worden genoemd. En tenslotte dat van de utopie, onze droom van een nieuwe en ideale samenleving.’

Intussen zag Keune zijn positie binnen de universiteit verzwakken. Hij werd tegengewerkt en voelde zich gemarginaliseerd. Gelijkgestemde collega’s en medestanders vertrokken naar elders. Samen een vuist maken was er niet meer bij en nieuwe initiatieven bloedden dood. Tijdens een reorganisatie (niet de eerste) van de faculteit in 1991 koos hij ervoor een deeltijdbaan met een serie faciliteiten te accepteren. Dat gaf hem de mogelijkheid zich onbelemmerd te wijden aan de vormgeving van zijn ideeën over de transitie naar een nieuwe samenleving en aan het naar buiten brengen van die ideeën, nationaal en internationaal.

Keune is dat vrijwel ononderbroken blijven doen. Ondanks de ziekte en het overlijden van zijn geliefde echtgenote en ondanks eigen periodes van ziekte. Hij herstelt zich steeds weer van persoonlijke tegenslagen en treedt naar buiten. Via de media, door het organiseren van conferenties en ‘expert meetings’, het opstellen van verklaringen en zo meer. En hij wordt gehoord, bij politieke partijen, op regeringsniveau, op Europees niveau en wijder. En juist op dat laatste vlak ziet hij de grootste urgentie. Mondiale regulering van de problemen in economie en ecologie is naar zijn inzicht onvermijdelijk. Een krachtig mondiaal bestuur, kritisch gevolgd door een evenzeer mondiale beweging van onderop, acht hij noodzakelijk. Maar we moeten niet wachten tot het zover is: ‘Mijn conclusie is dat we zelf moeten beginnen met de opbouw van een andere samenleving. Tegelijkertijd moeten wij werken aan de politieke machtsvorming (breder dan politieke partijen) om die opbouw mogelijk te maken.’

De restanten van textielfabriek De Regenboog in 1996 aan de Bredaseweg in Tilburg. Foto uit het besproken boek.

Zondagskind

Aan het eind van zijn boek evalueert hij zichzelf en de wereld. Kijkend naar zijn leven herkent hij de optimist in zichzelf, gevoed door de warmte die hij in zijn jeugd thuis heeft mogen genieten. Hij ziet de kansen die hij in zijn leven kreeg, onder andere door de universiteit, en noemt zichzelf ‘een zondagskind’. Ook de donkere kanten van het leven heeft hij meegemaakt en ondergaan. Maar ‘gelukkig heb ik de gave om verdriet en geluk samen te laten gaan’. En: ‘Ik heb ook altijd de houding gehad van aanpakken.’ Hij ziet de veranderingen in zijn benadering van de vraagstukken door de jaren heen. Ook zijn geleidelijke relativering van het adagium ‘het werk gaat voor’. Thuis, het huishouden, de gezinsleden en verwanten zijn belangrijker geworden. ‘Ik heb er zelfs lol in en maak naam met de bami-à-la-Lou.’

En dan de wereld. Keune klinkt in de laatste bladzijden iets minder overtuigd Marxist. Des te meer is hij onder de indruk van de urgentie van de vraagstukken waar wij als mensheid voor staan. En het is hem duidelijk wat ons te doen staat: ‘Uiteindelijk zal het op die terreinen onvermijdelijk zijn dat er rigoureuze stappen worden gezet.’ Hier in Nederland zullen we ‘onze levensstijl van overconsumptie en individualisme (…) moeten prijsgeven.’ Hij heeft ook zijn pessimistische momenten. Keune vreest dat allerlei conflicten, tot aan oorlog toe, het gevolg zullen zijn ‘als wij, de wereldsamenleving, niet bereid en in staat zijn om flinke stappen richting rechtvaardigheid en duurzaamheid te zetten’.

Dit pessimisme wordt gevoed door het besef dat ‘diverse naoorlogse pogingen om een eerlijke samenleving te vestigen, zijn vastgelopen.’. Hij noemt daarbij Zimbabwe, Angola, Venezuela, de verschrikkelijke corruptie binnen het Zuid-Afrikaanse ANC, en ook zijn geliefde Nicaragua. Toch denkt hij dat dergelijke misvormingen van een utopie te voorkomen zijn door democratische processen. ‘Tel je zegeningen, maar blijf altijd kritisch.’ Ten slotte is er voor hem maar één antwoord: ‘Ik ben de laatste decennia nogal eens gevraagd of ik optimistisch ben. Ik zeg dan dat ik daar geen antwoord op geef. Het enig juiste is: doe wat moet worden gedaan.’

Lou keune in het Textielmuseum in Tilburg. Keune deed belangrijke onderzoeken naar de Tilburgse textielindustrie en de teloorgang daarvan. “De Textiel voorbij, het wel en wee van Tilburgse oud-textielarbeiders in de jaren 1980-1990”; en “Kees de Jong, textielarbeider” waren boeken waarin die onderzoeken gepubliceerd werden. foto > Piet den Blanken

Oordeel

Het lezen van een boek als dit, waarin iemand zijn leven en werk beschrijft, brengt de verleiding om te oordelen. Wat deed hij goed, wat niet. Waar heeft hij gelijk, waar niet? Het veronderstelt dat ikzelf beschik over het beslissend inzicht, maar dat is er niet. Ik kan hoogstens zien waar zijn leven en zijn keuzes afwijken van de mijne. En waar ze samenvallen met die van mij.

In die zin werkt het lezen van deze autobiografie als een spiegel. Het brengt me bij de vraag hoe mijn leven is geweest en hoe het op dit moment is. Wie ben ik eigenlijk en wat heb ik ervan gemaakt? Wat is de zin van mijn bestaan? En als ik dit doortrek, wat is de zin van ons bestaan als mensheid, onze betekenis op deze aarde, in deze kosmos? En wat is de bestemming van dit alles?

Ik stuit op ondoorgrondelijkheden, de ondoorzichtigheid van de grote stroom waarin ik en wij allen zijn opgenomen. Dat brengt me bij de grenzen van ons denken. Hoe zeer het ons ook van dienst is, het Zijn, kosmisch, menselijk, maatschappelijk, is niet te overzien en is onvoorspelbaar. We hebben er maar beperkt greep op. Tegelijk hebben we een kostbaar, fijn afgestemd kompas, namelijk ons hart en de verbondenheid die we voelen met elkaar, met de natuur, de aarde en de onmetelijke ruimte waarin we rondcirkelen. Dat fluistert ons iets in over het mysterie waarin alles is ingebed. Het lezen van Lou Keune’s boek heeft mij dit eens temeer doen beseffen.

Lou Keune, Doen wat moet worden gedaan. Herinneringen van Lou Keune. Uitgave in eigen beheer, 2019, xiv+458 pp., pb., € 25,00.

Het boek kan worden besteld via de website van Lou Keune. Daar is ook een gratis pdf te downloaden.

www.loukeune.nl

© Brabant Cultureel 2020