De maanden (vierde kwartaal)

door Herman Coenen                           

OKTOBER
Dit ene kleine leven speelveld van zo veel epische geschiedenissen, waar haalt het die ruimte vandaan? De hoog en uitzinnig bloeiende tuin van je eerste jaren; het eiland waar je, bevrijd van het scholaire regiem, landde en een deel van jezelf achterliet om het daar steeds weer terug te gaan zoeken; de steden, zovele universa die de wereld haar nooit te doorgronden diepte gaven. En dat alles telkens gekleurd door de maanden en seizoenen waarin het plaatsvond, korte verankeringen in de tijd, die zich – zoals je al vroeg ontdekte – nooit liet stilzetten. Elk epos daarmee als een onrustig heen en weer wiebelende ballon vastgemaakt aan de aarde in een van haar kenmerkende momenten. En aan de toestand van je lichaam, als aan een navelstreng telkens anders door de aarde en haar wisselende stemmingen gevoed.

Zo keer ik weer op het jongenseiland uit die voorwereldlijke junimaand – nu aan het begin van oktober. Op een bank tegen een lage duinrug, mijn rechterzij, -wang, -arm, -hand, -been verwarmd door de zon. Overal hoor ik de wind woelen en ritselen, maar hier in deze inham tussen het riet en de wilde rozen is luwte. Geur, opstijgend van mijn voeten, zegt ‘herfst’, de vrouw voorovergebogen stroef voorbijlopend over de smalle klinkerweg, haar bruine hond enkele meters voor haar uit, drukt het beginnende zwoegen uit, het zich schrap zetten tegen de najaarsstormen die gaan komen.

Ik, hier zoekend naar wat deze maand te midden van de andere betekent, zie het aan. En besef opnieuw, als in elk van de voorbije maanden: het is het gestaag zich versterkende vervloeien en vergaan, dat zich in deze menselijke markeringen bevestigt. Tegelijk scheppen we, in het noemen van de naam ‘oktober’, een kleine holte om even op adem te komen, en in de stilte tussen in- en uitademing de altijd aanwezige eeuwigheid te ondergaan.

NOVEMBER
Hoe het verstart. Tijdens de wandeling even stoppen, zitten op een bank onder een getimmerd afdak. Zicht op het heuvelachtige heideveld, vlekken zand, strepen grijs – de uitgebloeide heidestruikjes –, een scheef hellende groene den, enkele vaalbruine eiken. Stilte ruist in mijn oren.

Diep in het bos schemerlicht, baldakijn van bruinzwarte takken, gelig loof, schors bezet met korstmossen, schimmels. Op en naast het pad bladeren, het is één okerbruine tunnel waar je doorheen gaat. Stemmen klinken op, verstommen. ‘O kijk daar!’ Tussen de boomstammen een fel gloeien. Brandend vermiljoen, een afgetekende schijf, volmaakt overtuigd, in zichzelf verzonken. Mystieke verschijning, trekt ons in zijn ban.

Raadselachtig, niet te duiden. Hier. En daar. En daar, nog een! Och en deze, een jonkie, nog maar net de kogelronde kop uit het bladerafval omhoog gestoken, ferm, samengebald, vastberaden. Op de bodem van het heelal, het duister in reikend, zeker van het licht dat hij meebrengt.

November in het bos, reminiscenties aan de wouden van weleer. Zoals je las in de boeken van je vader die beschreven en in kleurige beelden fixeerden hoe het moest zijn. Zeiden ze. Dacht je. Intussen staan in mijn tuin de geraniums nog steeds bloemen aan te maken, rood, wit. Een uitgebloeide roos buigt het hoofd, maar knakt niet. Lobelia, een tapijt van blauwe puntjes: wij houden vol. Nachtvorst spreidt zijn helderheid door de ochtend. Uitbenen, de natuur die steeds maar uitbotten wil op de knieën dwingen – dat is wat hij geacht wordt te doen. Over twee weken is het december. Maar nog altijd die opstandigheid, vooral hier in de stad, haard van door mensen gemaakte warmte.

DECEMBER
Mist. Eerder deze morgen was hij dikker, papperig. Nu is het een waas dat in de ruimte hangt en bomen, daken, schoorstenen omsluiert. De wereld krijgt iets teders. Een in en in zachtaardig karakter dat je normaal niet ziet, komt boven en toont iets van het geheime wezen van de dingen. Je voelt hun verbondenheid, hun afkomst uit dezelfde oorsprong.

Het kan twee kanten op. Of hij wordt dichter en kan als een beklemmende blinddoek dagenlang alles en iedereen in zijn greep houden. Of hij trekt open.

Ooit reden we van de Zuidzijde van de Bodensee het Zwitserse Rijndal in. Potdichte mist, urenlang. Tot er in de hoogte rechtsboven iets begon te schemeren. Eerst kon je het nog ontkennen, maar langzaam gloorde er door de sombere ondoordringbaarheid licht. Het werd sterker. En plotseling verscheen, als door een geopend luik, een grijze rotswand, schitterend helder, omkranst door een ijl blauwe hemel. Hemel, ja. Je keek er recht in.

December. Inkeer. Natuur heeft haar actie gestaakt. Is stilgevallen. Wacht, mens, ook jij, accepteer de vruchteloosheid die zich anders zo gemakkelijk laat negeren. Tegenover de groei en de opgang, in de rest van het jaar zo prominent, trekt zij ons naar de bodem, de werkloze stilte waar alles verstomt.

En waar onzichtbaar een begin zich voorbereidt, dat wij, kleine geesten, niet vermogen ons ook maar bij benadering voor te stellen.

Lees terug in Brabant Cultureel:

De maanden: derde kwartaal
De maanden (tweede kwartaal)
De maanden (eerste kwartaal)

Herman Coenen (1946) is socioloog en oud-hoogleraar van de Universiteit voor Humanistiek (Utrecht) en woont in Tilburg. Hij publiceerde eerder gedichten en korte verhalen in literaire tijdschriften, in Brabant Cultureel, eigen bundels en op cd.

hermancoenen.wordpress.com

© Brabant Cultureel 2019

Getagt als