Weemoed, van een nieuwe maan naar een geruimd graf

door Herbert Mouwen

Handsporen

Je hult je lichaam in een hagelwit
laken, mijn handsporen op je huid
vertellen het nachtverhaal, ineens
klinkt een andere stilte, je gaat naar
het raam, kijkt naar buiten en zegt
zonder om te zien: een lege maan
bestaat niet, wel een nieuwe die je
niet kan zien, kom zelf maar kijken

Ik kleed me niet aan, ik doe slechts
slippers aan mijn voeten, ga achter
je staan, sla mijn armen om je heen,
je fluistert: niet doen, schrijf liever
met je vinger op mijn rimpelhuid
een verhaal over een naakte maan

Einder

Hoogzomer, een jongen komt het
strand op en gaat naar het water,
een golf klotst tegen zijn benen,
hij doet een stap terug en loopt dan
met het terugglijdende water mee
de zee in, dans voor één op het zand,
hij voelt de vloed opkomen, proeft
de zilte wind, hij wil wonen in zee

Met de zee mag je dansen, water
heeft een sterke trek, de tuitelende
wind zijn eigen echo, de vogels
hebben hun verslag klaar om het
aan de strandgasten te vertellen:
jongen zwom de horizon voorbij

Stilland

Als een uitgetrokken jurk van zwart
fluweel ligt de kreek in het landschap,
het water heeft zijn glans verloren,
een blauwe glazenmaker hangt met
trillende vleugels boven de gladde
waterhuid, een broche, een boer
en zijn boerin lopen langs de akker,
een visser maakt zijn bootje los

De beiaardier van een oud stadje
doet het wolkendek zwellen, vogels
droppen hun dagelijkse volkswijsjes,
in de over het vlakland verspreide
boerenhoven huizen de ongehoorde
verhalen van de watersnood van ‘53

Spanning

Op het bakstenen transformatorhuis
aan de Nassausingel was met witte
kalk geschreven Best wel, eigenlijk,
altijd las ik de tekst hardop als ik

met haar naar school fietste, op een
dag vroeg ik haar: hoe relativeer jij
spanning met taal? maar ze zei niets,
sloeg linksaf en fietste de brug over

Op school zocht ik haar in de pauze
op, wist ze weinig van elektriciteit
of had ze een hekel aan taal, aan mij?
ik vroeg haar waarom ze onverwacht
afsloeg en een andere route koos,
de stemming tussen ons was geladen

Slotakkoord

Allerzielen, ik slalom soepel tussen
de grafzerken door, lees de namen
op de marmeren stenen, het is weer
tijd om aan de dierbaren te denken,
wellicht om vijanden in de armen
te sluiten, ze kruipen uit hun graven,
geven me een blik op het verleden,
prijzen met verve het voorbije leven

Het graf van mijn ouders is geruimd,
de zerk verdwenen, eeuwige rust is
hun niet gegund, wat blijft is de stilte
van steen, de kerkhovenier rijft de
gevallen bladeren, ik hoofdknik hem,
hij groet me met gesmoorde stem

Herbert Mouwen schrijft gedichten, verhalen en toneel. Hij publiceerde de dichtbundels ‘De zon is kapot’ (1991), ‘De handen van de tijd’ (2015) en de verhalenbundels ‘Het verleden lijkt een ver land’ (2003) en ‘De donderdagen’ (2009). Hij is toneelregisseur, theaterrecensent bij BN/De Stem en poëzierecensent bij het online tijdschrift Meander.

© Brabant Cultureel 2019