Kerstlied

door JACE van de Ven

Laten we kerstmis aan ons voorbijgaan of doen we samen een oud liedje als tegenwicht tegen de door De Wereld Draait Door gepromote kerstsongs waarmee de helft van de gearriveerde artiesten rond de jaarwisseling de nodige dollars bij elkaar schnabbelt? We doen een oud wijsje met nieuwe tekst. Ergens in de jaren negentig van de vorige eeuw maakte ik een soort van caféversie van het lied De herdertjes lagen bij nachte. Probeert u het maar eens te zingen:

De bierdrinkers hingen bij nachte
Zij hingen bij nacht in de kroeg
Tot sluitingsuur bleven zij smachten
Dat kwam dan ook altijd te vroeg
Dus zouden zij doorgaan met brallen

In auto, op fiets of te voet
Het liefste keihard met zijn allen
’t Was tegen de ochtendgloed.

Toen zij in het centrum aankwamen
Daar liep al wat zat was dooreen
Een zak roofde een tas van een dame
Een ander gebaarde obsceen
Toen spoot er een straal uit hun plassers
Zij pisten een brievenbus vol
Wat juichten die andere brassers
Lang leve de alcohol!

Ach kindje, ach kindje dat boven
In’t warmgedekt beddekke ligt
Ons landje kent weekendverloven,
De kroegen om vier uur pas dicht 
En morgen weer glas op de straten 
De fietsers hun banden kapot 
Ik hou het gelijk in de gaten
Hier tijdens mijn rijverbod!

Twee jaar geleden vroeg een redactielid van het dialectmagazine Brabants mij om het lied te vertalen in het Brabants dialect dat ik spreek, Tilburgs met Oost-Brabantse invloeden. Hij wilde het met kerstmis in dat blad afdrukken. Maar het kwam er uiteindelijk niet in, omdat de redactie bang was dat sommige lezers zich aan de inhoud zouden ergeren. Zou kunnen. Waar ergert een mens zich tegenwoordig niet aan?

Nu Brabants ook met Kerstmis 2019 mijn dialectversie van De bierdrinkers hingen bij nachte niet heeft afgedrukt, besluit ik om het lied via deze column wereldkundig te maken. Voornaamste reden is dat ik niet graag iets maakt wat blijft liggen. Maar ook is het volgens mij interessant om te zien hoe ik – en of dat gelukt is of niet, daar blijf ik buiten – van algemeen Nederlands dialect heb proberen te maken. Vooral in het eerste couplet waren daar heel wat omzettingen voor nodig. Het begint er al mee dat kroeg in dialect niet langer op vroeg rijmt en dat als ‘smaachte’ zou moeten rijmen op ‘naachte’, dat wel erg geforceerd zou klinken. En een woord als ochtendgloed kan al helemaal niet in een dialectgedicht. Je krijgt dus een heel ander eerste couplet:

De bierzèùpers honge te naachte
Ze honge te naacht int kefeej
Ze bralde, ze zoope, ze laachte 
Want zat zitte nèrges nie meej
Meej slèùtingtèèd onvaast nòr bèùte
Wè zwalkend op hèùs òn gegaon
Hullie kwèèke dè waar nie te stéúte
En’t mèèrigelicht kwaam er al aon.

In het tweede couplet waren het weer woorden als obsceen en dame die voor problemen zorgden. Dame is zo’n net woord dat je het niet als ‘daome’ kunt uitspreken, net zoals ze in Tilburg ook niet spreken van koning Willem II zijn ‘palèès’, maar van zijn paleis. Daarbij komt dat men zich af kan vragen wat een dame om vier uur ’s nachts op straat doet. Dus werd couplet twee aldus:

Toen zij in de binnestad kwaame
Daor liep al wè zat waar te hoop
Ze gonge er allemol saame
Meej hil het fessoen op de loop
Meej groot applaus kotste den eene
Een vurdeur meej brievebus vol
’Nen twidde zeek er overheene
Die zèèk stonk nòr alcohol.

Jammer genoeg verdween op die manier de straal die uit de plassers van de bierdrinkers spoot, verwijzend naar de straal uit de ogen van de herdertjes in het oorspronkelijke lied. Daarom moest het ‘ach kindje’ uit het laatste couplet van het kerstliedje nu zeker gehandhaafd blijven. De laatste strofe had letterlijk vertaald kunnen worden, maar kennelijk besloot ik de eerste regels toch te wijzigen. Ik weet niet meer waarom, misschien wel om het prachtige Brabantse woord ‘bekaant’:

Ach kiendje, ach kiendje dòr bôove
In oew wèèrmgedekt ledikaant
De kroege meej weekendverloove
Zèn den hille naacht ôope bekaant
En mèèrge wir glas op de straote
De fietsers hullie baande kepot
Ik haaw et gelèèk in de gaote
Hier tèène men rijverbot.

Hopelijk ergert u zich niet aan mijn rijmelarij, temeer daar het lied staat in een oude Brabantse traditie om wereldse versies te maken van kerkliederen. Zie daarover onder meer het onvolprezen boek Liederen en dansen uit de Kempen van Harrie Franken.

© Brabant Cultureel 2019