Van heimwee en reislust

door Herman Coenen

Cottesen

Hoe we er kwamen, vergeten
we werden er heen gevoerd
lange bochtige weg, steil omlaag
een verborgen donkergroene plooi in
twintig kilometer van huis
een onbekende wereld

gevaarlijk, want hoorden we
de aanhanger met onze bagage
was omgekiept, onherstelbaar vernield
onze tassen en koffers gered

lage boerderij, bruine baksteen
in zichzelf gekeerd zoals alles hier
ondoorgrondelijk, nors, met zacht
lijzig accent – het boerengezin
zag je niet, koeien melken, kruiwagens
vol mest uit de stallen rijden
een gestaag wentelend rad aangedreven
door iets dat zich niet wilde blootgeven

ik was acht, kon zelf fietsen
van huis gaan een peulenschil, flinke jongens
lacherig vonden we de houten zolder
waar we onze matrassen vulden
met stro, stoffig, muf en warm
in je handen, plukken uit dit gesloten
universum waar vreemde wetten golden
niets van thuis vond je hier weerspiegeld

de koffers kwamen, mijn vertrouwde pyjama
de zoete geur van mijn moeders was
kroop onder mijn huid en bleef
langzaam zich verspreidend bij het avondeten
het omkleden, tanden poetsen
tot ik in mijn nieuwe groene slaapzak kroop
iets grondeloos vrat zich een weg
door mijn ingewanden, een gapende holte
midden in mijn buik

alles wat vastheid had
bodem, muren, solide dak van het bestaan,
loste op – ik tastte, graaide, mijn vingers
grepen in leegte, golven van tranen
een niet te stelpen waterval

mijn vriendje, toeverlaat op de strozak
naast mij, vroeg wat er was, naar huis
naar huis, niets anders dan naar huis
hij wist morgen komt de kapelaan
op de fiets, die zou me zeker mee terug
nemen achterop, en ging het vragen

uitgesloten, er kwamen onverbiddelijke woorden
van troost en redelijkheid, het praktisch
onmogelijke. Moe van wanhoop, weerloos overgegeven
viel ik in slaap. In de nacht legde het gedrocht
in mijn binnenste de kop op de poten
allengs vriendelijker grommend in mijn dromen.
Ochtend, wassen aan de pomp, koud,
kristalhelder water, blikken nap vullen met pap
eten aan de houten tafel onder het zeil
op palen, een grijze circustent

na het ontbijt schoorvoetend met de jongens
mee voetballen op de hobbelige wei
’s middags buitenspel in de bossen
voorop, door allen omringd, ik
tengere oriëntaalse vorst, waardig schrijdend
onder een weidse parasol, koelte in ademend
van tientallen kleurige waaiers. De afgrond
sloot zich, werd een zandige bodem
waarin zaad begon te groeien, schuchtere plantjes

waar het dichte huis had gestaan lag een tuin
doorlaatbaar voor zon, wind, regen,
schemering, de geheimen van de nacht
ik leerde meikevers kennen, kikkers
vuurvliegjes, de vleermuis sidderend
tegen het donker van de lucht, zwaluwjongen
hoog schreeuwend in de nesten gemetseld
onder de binten van oeroude eik.

Nieuwsgierig zette ik mijn voeten
in een kosmos buiten de vertrouwde –
onvermoed theater waarin ik
ademloos verwonderd en betoverd
speler leerde zijn.



Route

Zat op mijn knieën
op de vloer van mijn kamer
een landkaart van Nivea, gekregen bij de Vivo
voor me, Veluwe, Overijssel en nog verder
naar het Noorden, waar het leeg was
geel, paars, groen

volgde met een radertje mijn route
fietsen zou ik, mijn eigen tent, slaapzak
petroleumbrander, pannen, kleren
in de tassen achter me
de vrijheid tegemoet

bijna vakantie
Latijnse vertalingen, Duitse woordenschat
Highroads of English Literature
en mijn vaders eindeloze overhoringen
voorbij, passé défini

zit naast mijn tent, zie het felle zonlicht
tussen de boompjes, de roerloze stenen vlakte
naast de dunne stroom, hoor in de groene berg
het gejubel van de cicaden

meer dan een halve eeuw later
andere kaarten, andere plaatsen
maar onophoudelijk hetzelfde zoeken
vrijheid, haar route.


Herman Coenen (1946) is socioloog en oud-hoogleraar van de Universiteit voor Humanistiek (Utrecht) en woont in Tilburg. Hij publiceerde eerder gedichten en korte verhalen in literaire tijdschriften, in Brabant Cultureel, eigen bundels en op cd.

HERMAN COENEN



© Brabant Cultureel 2019