In de briefwisseling tussen Streuvels en Coolen bleef het ‘ribbekot’ gaaf

Gedurende 34 jaar correspondeerden de Vlaamse auteur Stijn Streuvels en zijn Noord-Brabantse collega Antoon Coolen. Die briefwisseling is nu in detail vastgelegd in een boek. In bijna vierhonderd pagina’s doorlopen Streuvels en de ongeveer dertig jaar jongere Coolen een correspondentie die evenwijdig loopt aan hun schrijverschap. Onlangs, op 15 augustus 2019, was het vijftig jaar geleden dat Streuvels overleed.

door Rinus van der Heijden

Brieven tussen geestverwanten; het is voor een buitenstaander niet altijd interessant wat twee mensen over hun privéleven aan elkaar willen vertellen. Maar in het geval van de correspondentie die is verzameld in Een altijd weer vernieuwd geluk krijg je zowel een literaire documentaire als een roman in handen. De briefwisseling tussen Stijn Streuvels (1871-1969), de grand seigneur van de Vlaamse letteren en Antoon Coolen (1897-1961), zijn Brabantse evenknie, is gedrenkt in proza van het allerhoogste niveau.

In het casino van ‘s-Hertogenbosch, waar Streuvels (l.) en Coolen in 1949 de uitgebreide Gezelleherdenking bijwoonden. Guido Gezelle was een oom van Stijn Streuvels. Fotograaf onbekend

Terwijl Coolen vrijwel het hele boek door een zakelijker indruk blijft geven, schetst Streuvels op de van hem bekende hoog-literaire wijze zijn belevenissen vanuit Het Lijsternest, zijn woonst in Ingoyghem, in de weidse vallei tussen de Kluisberg en de Schelde in West-Vlaanderen. Elke letter – nee, niet elk woord; elke letter – wordt voorzichtig gedrapeerd op Streuvels’ literaire smaakpapillen en pas daarna aan het papier toevertrouwd. Zo gaat het bij de totstandkoming van zijn boeken, en bij zijn brieven is het niet anders.

De belevenissen van de beide schrijvers zijn soms piepklein van aard als het gaat om huishoudelijke beslommeringen of over politieke, religieuze, financiële of maatschappelijke beslommeringen. Maar ze zijn op hun fraaist wanneer beide mastodonten in hun epistels literaire beschouwingen ten beste geven en een blik werpen op de wereldliteratuur.

Of instemming betuigen met elkaar – Streuvels: ‘Enfin: boeken en zonen schijnen bij U door de schouw naar binnen te vallen – doe zoo voort!’ – of stelling nemen tegen elkaars werk en persoonlijkheid. Streuvels gaat daarin het verst: ‘Ik heb echter gewichtige bezwaren tegen Uwe manier van opvoeden – mijn princiep is altijd geweest: zoo weinig mogelijk verbieden, maar alles buiten bereik doen wat kan vernield of beschadigd worden.’

Het gezin Streuvels in 1946, zonder dochter Paula. Fotograaf onbekend

Het is Antoon Coolen die eind 1929 contact zoekt met Streuvels, wiens werk hij hogelijk waardeert. Hij stuurt met zijn eerste brief een exemplaar mee van Kinderen van ons volk, waarmee hij op dat moment doorbreekt als groot literator. Coolen ontpopt zich in die eerste brief meteen als een dweper: ‘Gij kunt het nauwelijks begrijpen, ieder werk opnieuw (van Streuvels, rvdh) werd mij tot een bezit van krachtig en telkens vernieuwd geluk, ik heb geen reserve in mijn bewondering.’

De jaren na 1929 vertoont Antoon Coolen steeds weer een nederige houding naar Streuvels. Coolen meent het zijn grote held naar de zin te maken door hem in zijn brief van 14 januari 1931 op de hoogte te brengen van de komst van het eerste kind van hem en zijn vrouw Gerda: ‘We noemen hem Stijn naar den schrijver, die mijn grootste litteratuurliefde is geweest en gebleven.’

Hij maakt het helemaal bont in de brief van 6 januari 1932. Het is rechtstreekse stroopsmeerderij als hij schrijft: ‘Ik voeg mijn groeten bij de kreetjes van Stijntje, die hij, de armpjes gestrekt, slaakt, wanneer we hem naar Uw portret optillen en hem zeggen: jongen, dit is Stijn Streuvels die jou zoo’n schoon boek heeft gestuurd en van wien je eenmaal net zooveel moet houden als je vader dat doet.’

Antoon Coolen omstreeks 1930. Fotograaf onbekend

Streuvels antwoordt de eerste jaren slechts met korte briefjes. Nadien glijd je als lezer als het ware mee naar binnen in de vriendschap die tussen de twee schrijvers ontstaat. Pas na een jaar of zes wordt de vormelijke aanspreektoon wat lichter. De brief van 31 december 1935 vangt Streuvels aan met ‘Waarde Vriend Antoon’. Maar pas vanaf april 1950 begint Antoon Coolen zijn brieven met ‘Mijn beste Vriend’. De nederigheid van de Nederlander naar de Vlaming toe blijf je door het hele boek heen proeven.

De correspondentie valt stil na 28 februari 1940 en komt weer op gang op 22 mei 1945. Deze eerste brief van na de Tweede Wereldoorlog is wellicht het sleutelmoment van Een altijd weer vernieuwd geluk. Streuvels werd namelijk na de oorlog beticht van heulen met de nazi’s. En de goudeerlijke Antoon Coolen zat daar erg mee. Het lijkt waarschijnlijk dat indien de geruchten over eventuele nazisympathieën juist zouden zijn, de Brabander de vriendschap had afgekapt. De brief die hij op 22 mei 1945, pal na de bevrijding aan Streuvels stuurde, gaat dan ook om de vraag: heb jij inderdaad met de nazi’s op enigerlei wijze samengewerkt?


De nederigheid van de Nederlander
naar de Vlaming toe
blijf je door het hele boek heen
proeven


Coolen heeft vernomen dat Streuvels samen met Felix Timmermans en Ernest Claes op de bijeenkomst van de Europäischen Schriftstellerverband in Weimar was, waar Joseph Goebbels hen alle drie noemde in zijn welkomstwoord. Bovendien had Coolen gehoord dat Streuvels ‘een eeredoctoraat eener Duitsche universiteit, zou hebben aangenomen en las van een gelukwensch, dien Goebbels u zond’.

Maar dan komt hij tot de kern van zijn gewetensnood. Die formuleert hij meesterlijk: ‘Deze tegemoetkomingen worden hier niet enkel beschouwd als tegemoetkomingen aan Duitschland (in den zin van pro en anti van 1914-’18). Zij worden beschouwd als tegemoetkomingen en adhaesie aan het Duitsche nationaalsocialisme, wat ze, zijn ze waar, ook zijn. De Duitschers lieten geen scheiding tussen hen en de Nazi’s toe: zij wàren de Nazi’s, in merg en been, en de Nazi’s maakten propaganda met U en Timmermans. (Timmermans is voor mij evident). Ik weet echter hoe infaam leugenachtig de Duitschers in hun propaganda waren, en daarom vraag ik U, of dit alles wel waar is en hoe gij ’t opheldert. Ik heb in deze dingen zóó stelling genomen, als de stelling tusschen goed en kwaad, dat ik in geen litteraire en vriendschapsbetrekking een bitterder ontgoocheling zou kennen: ge weet niet hóé ik Stille Avonden, dat jubelboek van Ingoyghem, heb herlezen. Tot ik van U mag hooren!’

Stijn Streuvels aan zijn schrijftafel voor het beroemde raam in zijn woonhuis Het Lijsternest in Ingoyghem, juni 1932. © Letterhuis

Stijn Streuvels heeft kennelijk even de tijd genomen om te antwoorden. Dat doet hij in zijn brief van 6 juni 1945. Maar dan gaat hij ook uitgebreid in op de woorden van zijn vriend. ‘Vooreerst heb ik nooit deel uitgemaakt van een politiek organisme (…) heb niet te doen gehad met S.S., gestapo, of iets van dien aard, maar wél met de Propaganda-Abteilung, die mijn naam heeft willen exploiteren, gelijk ze ’t met Knut Hamsum hebben gedaan – die er zich toe heeft geleend – ik niet.’ Even verderop: ‘Nu wordt het mij als Duitschgezinde tegemoetkoming aangerekend,… omdat niemand weet hoe de zaak ineensteekt.’

Verder ontkent hij ten stelligste dat hij ‘op het Europeesch Schriftsteller Verband is geweest,’ evenmin als Claes en Timmermans. ‘Dat is een formele leugen,’ meldt hij. ‘Ik heb nooit een voet gezet op een Kommandantur of Duitsch Bureau.’ Bij Claes hebben de Duitsers ‘den heelen inboedel stuk geslagen en verbrand’ en ‘Felix Timmermans ligt met een zware hartziekte te bed’.

‘Hier bij mij is absoluut niets gebeurd, doch wel een soort vijandige atmosfeer geschapen door enkele loensche elementen; in sommige pers ook moet een Vlaamsch schrijver per se Duitschgezind zijn’.

In 1966 bezoekt koning Boudewijn van België (l.) voor de tweede keer het gezin Streuvels in Het Lijsternest. © Letterhuis

Antoon Coolen heeft inmiddels zijn conclusies getrokken over Streuvels’ houding in de oorlog. Hij vat die kort samen in de brief va 31 oktober 1945: ‘Inderdaad, de conclusie van den krijgsauditeur, dat gij U correct en cordaat gedragen hebt, is volkomen juist. En nauwelijks kunt gij beseffen hoeveel vreugde er in verschillende kringen is dat gij ook hierin weer niet hebt beschaamd en tegenover den bezetter Uw onbuigzaamheid hebt getoond.’

Maar de oorlog blijft dooretteren in de briefwisseling. Coolen schrijft op 27 december 1948 aan Streuvels: ‘Zo’n stukje als van Bogaerts in de Maasbode zegt mij weinig. Trouwens al die heeren journalisten en ook die kunst-recensenten hebben mij in hun slappe en laffe houding toen ze tijdens de Duitsche bezetting allemaal bleven schrijven in de naar Duits model ingerichte kranten, wel zo ontgoocheld, dat ze ook voor de toekomst de idee van gezag, die ze pretendeeren, voor mij te grabbel hebben gegooid. Hebt ge Marnix Gijsen in De Volkskrant over “Beroering over een (sic) dorp” gelezen?’

Tekening van Stijn Streuvels door Jan Toorop uit 1913. © Letterhuis

Antoon Coolen doelt hiermee op een artikel in De Volkskrant van 1 december 1948, waarin Marnix Gijsen enkele Vlaamse boeken bespreekt, waaronder Beroering over het dorp van Streuvels. De recensent hekelt Streuvels’ ‘particularistische taal – die geen mens op vijftig kilometer afstand van Ingoyghem begrijpt’. Hij schrijft overigens in het algemeen zeer waarderend over de auteur uit Het Lijsternest.

Streuvels beantwoordt kort daarna de brief van Coolen met deze passage: ‘Critiek en recensie heeft enkel reden van bestaan voor zoover het den auteur bewust maakt aan zich zelf. En in dag- of weekbladen moesten er enkel aankondigingen van boeken voorkomen – geen literaire critiek in elk geval.’ De wens zal hierbij wel de vader van de gedachte zijn geweest…


‘Als ’t niet ànders kan,
ga dan maar achter op Herman de Mans
motorfiets eens zitten –
die brengt U wel naar hier.’


De briefwisseling tussen Coolen en Streuvels mondt steeds meer uit in een diep beleefde vriendschap. Logisch dat de Brabander zijn idool persoonlijk wil ontmoeten, het liefst bij hem thuis. Maar hoe daar te komen? Hij heeft geen vervoer. De Vlaming weet wel een oplossing als hij schrijft: ‘Als ’t niet ànders kan, ga dan maar achter op Herman de Mans motorfiets eens zitten – die brengt U wel naar hier.’ De vervoersproblemen worden echter anders opgelost. In de brief van 11 oktober 1948 meldt Antoon Coolen: ‘Nu heeft echter de burgemeester van ons dorp, de heer Mol, een zeer sympathiek iemand met wien wij goed bevriend zijn, mij aangeboden Dinsdag 19 october met zijn auto naar Ingoyghem te rijden.’ Hetgeen geschiedde en op Coolen een onuitwisbare indruk heeft gemaakt: ‘Het waren voor mij bijzonder schone uren, vooral die in Uw werkkamer, waaruit tenslotte de literaire indrukken zijn gekomen, die tot de sterkste en meest beslissende hooren welke ik heb gekend.’

Een altijd weer vernieuwd geluk geeft een fraai tijdsbeeld van de literaire wereld van de jaren die het beslaat. De namen van Guido Gezelle, Felix Timmermans, Alain Fournier, Knut Hamsun, Herman de Man en anderen vervolmaken dat tijdsbeeld. Daarbij wordt geen blad voor de mond genomen. Zoals wanneer Streuvels schrijft: ‘Couperus valt mee. ’t Leest vlot, prettige stijl, maar achteraf lijkt het toch flodderig, mièvre, ijdel gepraat.’ Of: ‘Ik ben een beetje gesatureerd van ver-literatuurde Godsdienstigheid – vindt u niet dat de Nederlandsche letterkunde versmoort in heiligheid?!’

Eerste brief van Stijn Streuvels aan Antoon Coolen.

Eind 1948 haalt Streuvels nog maar eens uit: ‘’t is droef gesteld met de literaire critiek in de lage landen (…) Uit Holland valt er voor mij niet veel goeds meer te verwachten: mijn supporters zijn allen dood en verdwenen, en de nieuwe generatie is andere wegen opgegaan. Elk zijn tijd. Wij hopen op een milden winter.’

Streuvels blijft kritisch op het werk van Coolen. Hij verwijt hem dat in De Drie Gebroeders ‘ te veel wilde fantazie’ opduikt, waardoor ‘’t waarschijnlijke in ’t onwaarschijnlijke teloor gaat en de lezer er niet meer aan gelooft’. En voor Kerstmis in de Kempen voert hij als bezwaar aan dat Coolen in dialect schrijft, omdat ‘de vele woorden buiten de Peel, niemand begrijpt, en toch zonder bezwaar door algemeen Nederlandsche equivalenten te vervangen zijn’. 

En Streuvels zelf dan, kun je je afvragen, schrijft hij niet in dialect. Sterker nog: verzint hij zelf geen woorden die rechtstreeks afstammen van de taal die ‘zijn’ West-Vlamingen spreken? In dezelfde brief aan Coolen ontkracht hij die eventuele conclusie: ‘Elk literair genre en onderwerp vraagt zijn eigen vorm en moet door ’t grootst mogelijk getal lezers of toehoorders te genieten zijn, ofwel vervalt het tot klein-kunst en dilettantisme. Waar ik-zelf dialect geschreven heb, was het omdat ik van niets beter wist, en schreef voor me-zelf, zonder me op het standpunt van den lezer te stellen – later ben ik dat gaan inzien en heb alleen woorden gebruikt die hier in W.Vl. mondsgemeen zijn en algemeen bekend, tot het Middelnederlandsch taaleigen behooren, die ik kan verantwoorden, waarvoor ik in het boeken-Nederlandsch geen equivalent vond om de nuance van een ding weer te geven, en die dan ook… voor ’t algemeen in de nieuwe woordenboeken werden opgenomen!’

Antoon Coolen ca. 1955. Fotograaf onbekend

Stijn Streuvels betoont zich in zijn vele boeken een rebel, een opstandeling die het opneemt voor de doodarme bevolking van West-Vlaanderen en die als enige oplossing vaak het bestrijden van de overheid ziet. In zijn privéleven is het niet anders: aan politiek heeft Streuvels een broertje dood. In een brief aan Coolen, op 23 maart 1950, geeft hij nog eens een persoonlijk visitekaartje naar ‘de politiek’ af: ‘Ik doe niet aan politiek, maar het knipsel hierbij wil ik U toch mededeelen. Die kroningsgeschiedenis (Streuvels doelt hierbij op de terugkeer van de verbannen Belgische vorst Leopold III, rvdh) wordt het zotste, belachelijkste, oneerlijkste spektakel, dat men politiek kan noemen. En dát zijn onze hoogstaande personen die het land moeten bestieren. Het is om beschaamd te worden en te wanhopen voor het menschdom. We gaan recht naar den dieperik, door de schuld van de “durvers” die niets ontzien en recht of eerlijkheid negeeren, en de “eerlijken” die te slap vallen en laten doen. Maar van weerskanten is er de kinderachtige ijdelheid mede gemoeid. Zijn die menschen niet beschaamd?’

Soms stokt de correspondentie. Halverwege het jaar 1936 stuurt Streuvels op 27 juni een fotokaart, waarop Coolen op 5 januari 1937 pas kort antwoordt. Soms is een tussenperiode nog langer. Streuvels schrijft op 28 december 1938 aan Coolen dat hij op bevroren sneeuw is uitgegleden, is ‘geradiografeerd, doch na degelijk onderzoek bleek het ribbekot gaaf gebleven’. Het antwoord van Antoon Coolen komt pas op 19 december 1939. Ook tussen januari en oktober 1957 is er geen correspondentie. Reden is de reumatiek van Streuvels ‘in de beenen’. Ook in 1959 en 1960 zijn er langere periodes van stilte.


‘We gaan recht naar den dieperik,
door de schuld van de “durvers”
die niets ontzien en
recht of eerlijkheid negeeren


Wellicht zijn die stiltes toe te schrijven aan de jaren die voortschrijden en knagen aan de gezondheid van vooral Stijn Streuvels. In 1950 schreef hij al: ‘We gaan de poort in van de 80! Zware jaren, die naar het eind loopen. Enfin, ik heb er ’t mijne van gehad en heb me niet te beklagen. De winter schijnt er dezen keer statig op te komen, gelijk in mijn jongen tijd. Heel het landschap, wijd uit, ligt onder de witte dwale – ik heb er den dag door mijn bewonderen aan.’

Tien jaar later is de grijsaard nog even kras. Op 1 november 1960 schrijft hij: ‘Met een dag teenegader (tegelijk, rvdh) wordt men oud – gelukkig als men het zoover kan brengen zonder pijnlijke ziekten, maar het wordt er niet beter op. Men mag niet te lang leven, want men vraagt zich achterna af: wat heeft men hier nog te verrichten? Ware het maar niet van dien ambras van het doodgaan en die begrafenis. Men zou moeten ten hemel opgenomen worden of eenvoudig “verdwijnen” zonder adieu of ander slameur. Maar we hebben het niet voor het kiezen en voor de rest beloof ik mij dat het zoolang wel gaat. We zullen afwachten.’

Antoon Coolen valt op 11 oktober 1961 in de buurt van Waardenburg uit de trein. De trein reed honderd kilometer per uur toen hij eruit viel, maar de seindraden braken waarschijnlijk zijn val en de verwondingen vielen mee. De oorzaak is nooit opgehelderd. Vergiste Coolen zich in de deur van het toilet? Of was hij uit de trein geduwd? De geruchtenmachine kwam na zijn dood snel op gang. Zo werd gefluisterd dat de DAF-directie er wellicht achter zat. Coolen was namelijk bezig het oorlogsverleden van de fabrikant uit de doeken te doen. Coolens val is nog altijd een mysterie.

Streuvels leest zijn eigen doodsbericht in het Vlaams dagblad De Standaard op 9 juli 1959. Hij overleed op 15 augustus 1969. © Letterhuis

En dan komt plotseling toch de dood: op 9 november 1961 overlijdt hij aan een hartaanval. Een week eerder had hij Streuvels nog geschreven: ‘Geen nieuws is in dit geval inderdaad: goed nieuws. “Het lijf is er af gebrocht”!’

Wiegersma

Antoon Coolen werd 64 jaar, Stijn Streuvels 97. Beiden lieten een echtgenote en vier kinderen na. Stijn en Alida Streuvels waren ouders van Paul, Dina, Isa en Paula. Coolen en zijn vrouw Gerda hadden hun kinderen genoemd naar schrijvers uit die tijd: Stijn (Streuvels), Guido (Gezelle), Felix (Timmermans) en Peter Hendricus naar Petronella, de vrouw van de dokter-schilder Hendrik Wiegersma uit Deurne die een belangrijke rol speelt in enkele boeken van Antoon Coolen.

Een altijd weer vernieuwd geluk bevat 297 brieven, kaarten, briefkaarten, prentenbriefkaarten, fotokaarten en telegrammen, geschreven tussen 30 december 1929 en eind 1962 of ’63. Ook de brieven tussen de vrouw van Coolen en Streuvels – negen stuks – zijn opgenomen, alsmede die tussen Streuvels’ en Coolens kinderen enerzijds en de twee auteurs anderzijds: tien stuks.

Stijn Streuvels & Antoon Coolen,
Een altijd weer vernieuwd geluk

Briefwisseling bezorgd door Stijn Vanclooster
Lannoo 2018, 391 pp,
ISBN 978-94-014-5618-0, hb., € 29,99. 

© Brabant Cultureel 2019