Column: Deel ervan

door JACE van de Ven

In mijn vorige column over het genieten van kunst, vertelde ik ooit de ervaring te hebben gehad bij het luisteren naar kamermuziek van Schubert, dat de hele omgeving begon te zingen, waardoor ik midden in de muziek zat. Ik maakte er deel van uit. Toen ik in Barcelona in zijn museum een schilderij van Joan Miro stond te bekijken, voelde ik mij plotseling het onderdeel waar ik naar keek, een abstract rood detail, dat in de afgebeelde ruimte zweefde. Een bijna even positieve beleving als bij het muziekstuk van Schubert.

Nu lees ik tijdens mijn vakantie een nog ongepubliceerde novelle van de schrijver Jasper Mikkers, Pieve Vecchia. Ergens in het verhaal bezoekt hoofdpersoon Marcel met ene Odette de Uffizi in Florence en heeft daar een vergelijkbare ervaring zoals ik die had met Schubert en Miro:

“Hij kon zich er niet van losmaken. Wist niet wat er met hem gebeurd was. Zo had hij nog nooit naar een beeld gekeken. Een vrouwelijk lichaam, de voeten, buik, handen, vingers, haar, houding waren vrouwelijk, maar niet de kleine penis. Golvend haar naar achter, vastgelegd in een krullende knot op het achterhoofd. Links van hem een gans. Een gewaad hing over de linkerarm. ‘Marmo pentelico’ stond erbij vermeld. ‘In galleria doppo 1787. Copia romana, in controparte, de un originale di Skopas (340-330 a.C.)’ Ondraaglijke schoonheid. Volmaakt en tegenstrijdig. Onschuldig en pervers. Tergend, het veroorzaakte een draaiende jeuk boven het schaambeen.
Het was onmogelijk niet van dit beeld te gaan houden. Het overtrof de werkelijkheid op alle vlakken. Hij wist niet dat dat mogelijk was. Kijkend leek hij erin opgezogen te worden, in het marmer, de vormen, de beitel en handen van de Griekse kunstenaar. Hij was tijdloos geworden. Opgezogen in het verleden.”

Opgezogen worden in een kunstwerk. De Tilburgse architect Ad Roefs vertelde mij er ook ooit over. Bij hem ging het om een doek van Jean Brusselmans (1884-1953) dat hij lang geleden voor het eerst zag in het Groeningemuseum in Brugge. Hij wist toen niet wie Jean Brusselmans was en kende de titel van het schilderij met huizen, bomen en velden erop niet. Maar hij wilde onmiddellijk in de buurt ervan zijn en bleef er minstens een uur voor staan. Later vertelde hij zijn kinderen dat hij door dit landschap wilde fietsen.


Opgezogen worden in een kunstwerk,
er deel van uitmaken


Als ik hem er naar vraag, zegt hij nu nóg niet te weten hoe het doek dat zoveel indruk maakte, heette: “Lente of Tuinen in Dilbeek, dat kan ik niet precies zeggen, omdat Brusselmans veel vergelijkbare schilderijen heeft gemaakt, gezichten vanuit zijn woning op het glooiend land en het dorpse leven in Vlaams Brabant. Het raakte mij onmiddellijk, niet dat ik ontroerd was, maar ik zag iets waar ik in wilde verdwijnen, hoop, een nieuw begin, een landschap waar je als kijker deel van wil zijn, er zit verte in.”

Kunst als wereld waar je als kunstconsument deel van wilt zijn, ik heb het verschillende keren meegemaakt bij optredens van de magische poppenspeler Jozef van den Berg die zich al decennia uit de maatschappij heeft teruggetrokken. Tijdens zijn optredens, vroeger, creëerde hij een wereld waar hijzelf, zijn poppen en zijn toeschouwers evenwaardig deel van uitmaakten. Bijna steeds bleef het grootste deel van het publiek na het slotapplaus zitten, nog beduusd van alles waar het even deelgenoot van was geweest. Men wilde er nog niet uit weg.

Hetzelfde heb je ooit met een boek dat je uitermate boeit. Na de laatste bladzijde blijf je voor je uit staren en kun je de schijnwerkelijkheid waarin je was opgenomen, maar moeilijk verlaten. In het aangehaalde verhaal van Jasper Mikkers zegt de vrouwelijke hoofdpersoon, Lucia, over haar niet aanwezige vriend:: “Misschien is het mijn verlangen naar schoonheid dat me met hem bindt. Als hij ergens van houdt dan van kunst. Van die poging het leven een mooi of spannend gezicht te geven, de poging het bestaan mooier te maken dan het is. Ik geloof dat hij daar wel van houdt, van die absurde, zinloze poging om van niets iets te maken dat mooier is dan niets.”

Of die poging zinloos is, en of het iets van niets is, dat zijn niet mijn woorden. Maar dat het bij kunst moet gaan om iets waarvan je tevoren niet bevroed had dat het zou kunnen bestaan, dat komt in de buurt van de essentie ervan, denk ik.

(Illustratie boven dit artikel ‘Lente’ (1935). Olieverf op doek, 151 x 151 cm door Jean Brusselmans  (Brussel 1883 – Dilbeek 1953). © Collectie Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen)

© Brabant Cultureel 2019