Column: Albert Megens

door JACE van de Ven

“Ondanks dat ik nooit in dialect schrijf, ben ik wel een Brabantse dichter”, zei Albert Megens ooit tegen mij. En dat klopt. Nou weet ik niet of je een Brabantse dichter zou moeten willen zijn, maar als je zoals Albert Megens in 1939 ergens tussen Esch en Boxtel geboren bent, dan ontkom je er niet aan, zeker als wat je schrijft zo geladen is met herinneringen als bij hem het geval is. ‘De geur van varkens in de kleren, die van wierook in het haar’ schreef hij een biografische schets uit 2015 en zo is het ook in zijn gedichten, hoe universeel die ook zijn. Als je meer dan alleen talig wil schrijven, moet dat ook zo. Ook achter Seamus Heaney zie je het Ierse platteland en achter Wisława Anna Szymborska het leven van alledag in Polen.

Op 23 augustus 2019 wordt Albert Megens tachtig. Daarom is hij bezig met het samenstellen van een bundel,Tachtig bij tachtig, gedichten die hij koos uit zijn gehele oeuvre tussen 1962 en nu. Daarbij valt op dat er daarbij maar vijf zijn van vóór zijn vijftigste levensjaar. De rest voldeed kennelijk niet aan het criterium dat Megens voor zichzelf stelde: “Zou ik een gedicht nog op dezelfde manier willen verwoorden?” Wel een heel mooi beeld uit een van de oude gedichten: ‘een late vogel vouwt zijn stem op in zijn veren’.

De woordkeuze is door de jaren heen mogelijk wat geëvolueerd, de thematiek is dat niet. De aarde en de hemel en tal van verbindingen daartussen. Zijn vader staat meestal voor de aarde, hij pist letterlijk een kuiltje in het zand. Zijn moeder vertegenwoordigt het voortleven na de dood. Albert Megens heeft haar na haar vroege dood op vijfenveertigjarige leeftijd – hij zelf was net zestien geworden – met zich meegedragen en herboren laten worden in zijn poëzie. Dat gebeurde letterlijk in het ontroerende gedicht Dagje aan zee (1998) waarvan de slotregels luiden:


Tot waar het water brak,
heb ik haar gedragen,
tot waar het schuim
haar naar de lippen steeg
en zij zich met een schreeuw
uit mij bevrijdde.


Tussen de hemel en de aarde paraderen in Megens’ gedichten de zwoegers uit de Eerste Wereldoorlog en de wielrennerij, ‘omdat daarin de mens die lijdt en vloekt en bidt en zwalkend naar de eindstreep rijdt, het schoonst en scherpst getekend wordt’. En ook jonggestorven mensen. Zie daarover vooral zijn bundel Requiem voor een wielrenner en de vele gedichten die hij maakte voor de uitvaart van jongeren.

Foto’s Gemma Kessels.

Mogelijk heeft dat laatste te maken met het – net voordat zijn moeder stierf – voor zijn ogen zien verongelukken van een schoolvriendje. Maar dat is zeker niet de enige reden. Als leraar aan MAVO en VMBO bleek hij vooral begaan met degenen met wie het fysiek of geestelijk niet zo goed ging. Megens is solidair met de zwakkeren, met hen die de pineut zijn, en richt monumentjes voor hen op zoals anderen dat doen voor de geslaagden in het leven. Zijn bundel over de textielindustrie van weleer, Hoe leeg het was en hoe schoon, uit 2009 bezingt de veronachtzaamde Tilburgse textielarbeiders en veegt de textielbazen en de kerkelijke autoriteiten de mantel uit.

Waar het niet zijn gevoel voor rechtvaardigheid betreft, heeft Megens een broertje dood aan zijn stem verheffen. Hij omarmt de tederheid en zoekt harmonie. Het slot van het op twee na laatste gedicht (2017) in de bloemlezing tekent hem precies:


Weet u wellicht iets beters te verzinnen dan zwijgen
op zijn tijd, luisteren naar het lispelen van het riet,
naar de tonen van een lied waarmee een lijster
de dag pleegt te beginnen, uw agenda te schonen van
alles wat er niet toe doet en uw lief te beminnen?


En ook in het voorlaatste gedicht lijkt hij het zwijgen te gaan omarmen. De soldaat aan de IJzer die in de gedichten van Megens zo vaak mededogen heeft opgeroepen met het kanonnenvoer uit de Eerste Wereldoorlog peinst tot slot:


Mij past van lieverlee het stilstaan en het zwijgen.
Mijn verbeelding zal ik voortaan manmoedig dragen.
Met een paar schamele woorden los gezongen uit de zin
van mijn bestaan, wil ik met het schaamrood van de klaproos
op de kaken, enkel nog doorweekt van stilte, beleefd
om uw aandacht vragen. Alleen het zwijgen overleeft.


Alleen over zijn jonggestorven moeder zal hij blijven zingen, want zij leeft in hem. Er staat in. Tachtig bij tachtig één gedicht uit 2019, het laatste uit de bloemlezing, en dat eindigt zo:


Laatst kwam ik haar tegen in de stad.
Zij leek blonder door de overvloed
aan licht. Het was koopavond voor de kerst.
Zij liep haast dansend voor mij uit.
Ik volgde haar op de voet. Toen brak
plots de hemel open en hoorde ik
kinderen zingen: “Gij zijt de gezegende
onder de vrouwen, wees gegroet.


‘Tachtig bij tachtig’
door Albert Megens

Publicatie in eigen beheer.
Verkrijgbaar via www.albertmegens.nl

© Brabant Cultureel 2019