Column: Kruisweg

door JACE van de Ven

Een van de interessantste door de katholieke kerk verboden kunstwerken hangt in de Abdij van Koningshoeven bij Tilburg, de kruisweg van de Vlaamse expressionist Albert Servaes, een aangrijpende verbeelding van het menselijk leed. De tekeningen zijn, zoekend en krassend met een dik stuk houtskool, gemaakt in 1919 en deze kruisweg wordt dit jaar dus honderd.

De kruisweg kwam te hangen in een kapel van de orde der Karmelieten in het Belgische gehucht Luithagen, maar het Heilig Officie, een pauselijk censuurinstituut, verordonneerde kort daarna dat de tekeningen uit de kerk verwijderd moesten worden. Hooggeleerde en hooggeëerde Belgen uit die tijd, onder aanvoering van ene professor Lemaire of zoiets – gepromoveerd in de schijndevotie en de apenkunde, in het wijwater gevallen en daaruit opgestegen om neer te dalen als professor in Leuven als kenner van gipsen Madonna’s en pastelkleurige bidprentjes – vond dat Christus in de kruisweg van Luithagen voorgesteld werd als een chimpansee en dat de maker Servaes de duivel in eigen persoon was. Het indrukwekkende kunstwerk werd uit de kapel gehaald en naar Servaes teruggebracht. Dat leverde de Karmelieten nog een pauselijke gele kaart op: zij hadden de veertien tekeningen moeten verbranden.

Na wat geharrewar kwam de kruisweg in 1923 in Nederland terecht, gekocht door H. van den Eerenbeemt, hoofdredacteur van het tijdschrift Opgang. Na hem werd G. van den Bergh van de Tilburgse AaBe-fabrieken eigenaar. Hij schonk de veertien staties in 1952 aan de Trappisten bij Tilburg. In hun klooster hangt het werk nu nog, niet als kruisweg kennelijk, maar als een serie tekeningen door elkaar heen. Zo omzeil je een pauselijk verbod. Een verzoek van mij om de tekeningen te mogen komen bekijken werd door de Trappisten tot nu toe genegeerd. Gelukkig zag ik het kunstwerk in 1991 in Hoogstraten waar het toen werd tentoongesteld.

De eerste statie uit de kruisweg van Albert Servaes, ‘Tot de kruisdood verwezen (de gegeselde Jezus staat voor Zijn rechter, die wij niet zien)’.

Als kleine jongen heb ik heel wat kruiswegrituelen mee gebeden en gezongen, toen nog niet beseffend dat het om een tijdgebonden geloofsoefening ging. De uitbeelding van de lijdensweg van Christus had in de katholieke kerk niet altijd zo bestaan, zelfs het kruisbeeld niet. De eerste christenen waren begrijpelijkerwijs helemaal niet zo trots op de vernederende dood die hun held te beurt was gevallen.

Pas na de tijd van de christenvervolgingen ziet men het kruis hier en daar opduiken. Nog zonder corpus. Dat komt pas in de Romaanse tijd. Beeldde men toen Christus aan het kruis nog uit als een triomfator, in de gotiek werd het al een lijdende figuur. De renaissance gaf de stervende een mooi lijf, de barok voegde uiteraard allerlei versieringen toe en de romantiek smeerde er de nodige zoetgevooisde emotie overheen. Ziedaar hoe een kruisweg er in het begin van de twintigste eeuw uit hoorde te zien.

En dan komt de Eerste Wereldoorlog, een van de gruwelijkste en absurdste mensenslachtingen die de aardbol ooit beleefd heeft. Miljoenen jonge mannen creperen in de modder, worden vergast of verminkt. Tezelfdertijd is de kunst, door middel van het expressionisme, aan het afrekenen met een verbeelding die alles mooier voorstelt dan het is. In Duitsland met name getuigden de kunstenaars in felle kleuren van hun sociaal engagement en de Noor Edvard Munch vervaardigde een mensengestalte die schreeuwt en die meer schreeuw is dan mens.

De zevende statie uit de kruisgang van Albert Servaes, ‘De wenende vrouwen (Jesus gaat de wenende vrouwen voorbij)’.

In die tijd kreeg Albert Servaes, zoon van ongelovige ouders die zich bekeerd had tot het katholicisme, de opdracht een kruisweg te maken voor een Karmelieter kapel. Hij kende daar een pater Jeroom die min of meer zijn geestelijk leidsman was en die het met hem eens was, dat wat er in de wereld allemaal gebeurde niet zo verheffend was. Een kruisweg zou vooral moeten uitnodigen tot meditatie en daarom zouden allerlei geromantiseerde details weggelaten moeten worden.

Servaes ging er aan staan. Hij kraste meteen een eerste statie over Pontius Pilatus die de Nazarener veroordeelt tot de dood. Maar Pontius Pilatus staat er niet op. Er is alleen een mensenfiguur, kwetsbaar van lijf, maar toch standvastig, die de toeschouwer recht in de ogen kijkt. Die toeschouwer kan, zo hij wil, na deze brutale confrontatie zijn handen gaan wassen, maar krijgt niet meer weggewassen wat zijn ogen hebben gezien. Zo gaat dat door. De grote ogen van de onschuld, de neergesabelde naïviteit, kijken je op elke prent aan. Veronica is een Vlaams meiske, Simon van Sirene een Vlaamse boer en Maria een moeder die haar kind moet afgeven. Zij raakt het kruishout aan en je hoort haar zeggen: “Maar m’nne jongen toch…” Verderop staan de huilende vrouwen. De handen voor de ogen geslagen, maar daarachter spiedend naar wat er gebeurt. Ieder van hen wil straks degene zijn die de meeste details weet te vertellen. We zien de lijdende mens struikelen, vallen en tenslotte plat onder het kruis liggen.

Albert Servaes (rechts) op de Vrijthof in Hilvarenbeek begin jaren zestig tijdens de Groot-Kempische Cultuurdagen. Foto Ran Naaijkens

De dikke houtskoollijnen van Servaes zijn niet zo trefzeker als die van Constant Permeke. Het is alsof hij bij elke tekening heeft gezocht en dingen weggeveegd die niet nodig waren. Hij vertelt geen met mythes aangedikte overlevering, maar probeert de onontkoombaarheid van het lijden een gezicht te geven. Misschien was dat in de ogen van de Katholieke kerk niet devoot genoeg, maar hij was in ieder geval solidair met de mens die om wat voor reden dan ook pijn moet lijden en die ondanks al zijn vallen en opstaan toch overeind blijft. Vreemd dat juist deze kunstenaar later nazisympathieën had.

Er komt een tijd dat de mensheid Christus’ Calvariegang niet meer kent, een tijd waarin uitingen van Christelijke kunst bekeken worden door ogen van mensen aan wie andere mythes of misschien wel helemaal geen mythes meer zijn voorgehouden. Evenals afbeeldingen uit de Egyptische cultuur nu zal de christelijke kunst dan een vreemdsoortig prentenboek zijn met hier en daar plotseling iets wat de mens blijft raken, zoals het hoofd van Nefertete omdat dat de schoonheid is, of de getekende kruisweg Albert Servaes omdat die het lijden is.

De volledige kruisweg kunt u hier bekijken:

Kruiswegstaties van Albert Servaes


© Brabant Cultureel 2019