Poëzie, om niet met elkaar te hoeven praten

door Herbert Mouwen



Verlossing

Eindelijk zwijgt het ruisende bos,
het donkerte wordt lichter aan de
binnenkant, de klankloze taal van
de bladval spreekt me aan, maar
het serene van de dicht op elkaar
staande bomen, het aroma van
het zompige mos, het theater van
een fragiele herfst herken ik niet

Plicht laat me los, vertrokken uit
de volle stad, het lege leven, zoek
ik een weg in enige overgebleven
dromen, achtergelaten verhalen,
verzonnen beelden, loze zinnen,
het dichterlijke schud ik van me af



Verdwaald

Gisteren zijn we op de Galderse
Heide verdwaald, de wolken aan
de hemel hingen als bruidssluiers
voor het grijpen, jij liet ze hangen
waar ze hingen, nadat wij het pad
terugvonden en zwijgend hand aan
hand teruggingen, hield verlangen
zich in het landschap verborgen

In de avond dronken we samen
een glas rode wijn uit een ver land
waar we nog nooit geweest waren,
waarvan we ook niet wisten dat er
druiven groeiden, we lazen poëzie
om niet met elkaar te hoeven praten



Seringen

De hoge peppels in de polder staan
als plichtsgetrouwe soldaten in het
gelid, ze scheuren zonder moeite
de straffe wind aan flarden, naast
de hofstede bloeit weelderig een
seringenstruik met giftige bloemen
die zich tooit als maagdelijke bruid,
de zomer laat nog op zich wachten

Altijd blijf jij in het voorjaar binnen,
met een stem van graniet waartegen
geen kruid gewassen is laat ik me
op mijn kwetsbaarst horen, je komt
niet naar buiten, je laat je niet zien,
bloemengeur kan je niet verleiden



Sleet

Achteraf wonen en de weg weten,
van vogels houden maar een hond
hebben, de kroeg bezoeken en de
kerk mijden, met de dag wordt de
lapjeskat arroganter, de doden op
het kerkhof zijn opgesloten achter
een roestig hek en de bonte specht
die klopt is kleiner dan wij dachten

Mijn ultieme hunkering naar geluk
oogt jou alleszins redelijk, het volle
leven raakt uit de mode en verkleurt
van bont naar roze naar dor, Gods
hand schud ik niet, het toeval maakt
al lang deel uit van mijn bestaan



Bloedmaan

Vannacht heb je de bloedmaan niet
gezien, ze was aangekondigd in de
media maar het was dichtbewolkt,
het firmament gaf zich niet bloot,
langdurig heb je naar boven getuurd
om het rood te voelen, om het vuur
in je lijf toe te laten, je hoorde mijn
woorden niet: kom nou naar binnen

Binnen ben je maanschuw, heb je
het koud, voel je je oud en heb je
behoefte aan je houtje touwtjesjas,
je wist niet wat een bloedmaan was,
ik wilde de maangloed niet zien, was
doodsbang dat ik mezelf buitensloot



Overzijde

De rivier slingert zich door zondig
landschap, mijn geboortestad houdt
zij op afstand, maar water en wind
brengen jou aan de andere kant tot
leven, een narrenschip, wimpel in
de mast, vaart langs en nog een nog
een, eenden vliegen op, verspreiden
berichten, bezorgen uitnodigingen

De staande oever houdt me tegen,
als ik naar het kolkende water kijk
en mijmerend de diepte peil, denk ik
niet aan het bereiken van de over-
kant maar voel je reikende hand die
de mijne zoekt, aarzelend, dat wel




Herbert Mouwen (Breda 1952) publiceerde de dichtbundels ‘De zon is kapot’ (1991) en ‘De handen van de tijd’ (2015). Daarnaast verschenen van hem twee verhalenbundels. Hij is toneelregisseur en theaterrecensent bij een regionaal dagblad. Ook bespreekt hij nieuw verschenen poëziebundels voor het online tijdschrift Meander. Zijn derde dichtbundel ‘De huid is het gebied’ is afgerond. Op dit moment werkt hij aan een reeks sonnetten in een vrije vorm onder de werktitel ‘Maanschuw’.


© Brabant Cultureel 2019