Column: Rowwen Hèze

door JACE van de Ven

De stijl van het boek Icoon, het verhaal van Rowwen (Christiaan) Hèze van Jan Philipsen, is soms wat amateuristisch met overbodige herhalingen en niet altijd functionele zinnen. Op de structuur, hoewel de schrijver daar een origineel frame voor heeft gevonden, is ook best het een en ander aan te merken. Behalve het vroege overlijden van zijn vrouw zou je als lezer bijvoorbeeld meer bouwstenen willen zien die Christiaan Hesen de Rowwen Hèze doen worden. Maar ondanks dat kon ik, eenmaal aan het lezen, het boek maar moeilijk wegleggen. Philipsen weet op de een of andere manier de mystiek, de magie van de Peel, over te brengen. En ik ben een van die mensen die daar gevoelig voor is.

Al in mijn jeugd hoorde ik vaak vertellen over de Peel, dat stukje Brabant en Limburg dat een eeuw voor mijn geboorte in 1949, nog het laatste stukje oerlandschap van ons land was. Het leek me als kind een tegelijk mooie en lugubere streek. De ‘beschaving’ was eraan voorbij gegaan. Het was er door moerassigheid zo goed als ontoegankelijk en niemand kwam er dan om te stropen, schapen te hoeden, te imkeren of wat turf te steken voor de kachel. Burgermensen durfden er niet doorheen omdat het er spookte.

Pas toen andere veengebieden in Nederland afgegraven waren – onder meer de gronden waarop nu de Efteling is gesitueerd – begon men in de Peel op grotere schaal dan voor eigen gebruik turf te steken. Binnen een eeuw was dat ook alweer over, toen maakte de turf plaats voor de steenkool uit de Limburgse mijnstreek.

Maar de herinneringen bleven. Over de vete tussen de gemeente Deurne en ontginners als de gebroeders Van der Griendt, over de pioniers die op de ontgonnen delen van de Peel kwamen wonen, over het hard labeur, het bijzondere landschap en de paar zonderlingen die als kluizenaars in de Peel woonden. Vóór het televisietijdperk waren zij vaak onderwerp van verhalen die buurters elkaar vertelden bij de kachel. Rowwen Hèze (1853-1947) was de bekendste.

Rowwen Hèze woonde in een plaggenhut aan de Limburgse kant van de Peel, dicht bij het dorp America. Hij was bang van niemand, sprak met de geesten van de Peel en kon de pijn afbidden. Hij verwekte vijf kinderen bij een vrouw die jong stierf, waarna de kinderen hem door de overheid werden ontnomen. Hij verwilderde daarna nog meer en werd inderdaad een icoon, een woesteling met stinkende kleren vol gaten, een kale kruin die boven zijn lange vieze haar uitstak en in zijn gezicht zat na een ongeluk op de bouw nog maar één oog. De vader van Philipsen had hem als kind één keer ontmoet en herinnerde zich als oude man nog de details van die ontmoeting.

Naar hem vernoemden enkele jongeren uit America in 1985 hun band die al snel landelijk bekend werd. Waarom? Omdat het lekker klonk. Meer dan de gemiddelde Americaan wisten ze niet meer over Rowwen Hèze dan wat ze zongen in een lied over hem: ‘Lat meej mar drinke wat ik drink / lat ze mar proate oaver meej / lat ze mar zegge dat ik stink / dat giet vanzelf wal wir vurbeej.’

Jan Philipsen weet op de een of andere manier de mystiek, de magie van de Peel, over te brengen. Foto Stefan Koopmans

Jan Philipsen, mede-oprichter en tot in 2013 bassist van de band, heeft zich na zijn terugtreden uit Rowwen Hèze in de naamgever van de band verdiept. Zijn boek van 320 pagina’s heet een roman, fictie dus, gebaseerd op verhalen die tot op de dag van vandaag over Rowwen Hèze de ronde doen.

Zoals gezegd is op de roman best het een en ander aan te merken, maar hij maakt wel duidelijk dat er ook in onze contreien nog maar een paar generaties geleden mensen gewoond hebben die nog in de natuur geboren waren en die niet los konden laten. Ze wilden niet gewennen aan de wereld van de burgers met zijn regeltjes en waren op hun eigen manier gelukkig. Maar de Peel veranderde en werd steeds meer een geordend stuk Nederland en ook mensen als Rowwen Hèze worden oud. In 1929 werd hij, 76 jaar oud, zittend op zijn schamele huisraad op een boerenkar verhuisd naar de woning van zijn dochter in Tegelen.

Men zou dat jaar het laatste jaar van de echte Peel kunnen noemen. Temeer daar ook in 1929 de roman Peelwerkers van Antoon Coolen verschijnt. In dat boek komt een van de hoofdpersonen na jaren van omzwervingen weliswaar weer terug in de Peel ‘in een stomme, barse tevredenheid’ en ‘in het diep goede alleen zijn mee zijn eigen’. En in de slotalinea begint hij zelfs weer turf te steken, eenzaam op zijn veldje, en schrijft Coolen de prachtige zinnen: ‘De verten liggen vervloeid, verdampt. De hemel in de mist hangt in dik grijze flarden neergestort over de diepe laagte van de Peel.’ Maar het is voorbij, de Peel is nostalgie geworden.

Ondanks dat hij geen geboren schrijver is, slaagt Jan Philipsen er negentig jaar later in om toch nog een stukje van die magie van de Peel over te brengen. Waarvoor dank.

Jan Philipsen, Icoon.
Het verhaal van Rowwen (Christiaan) Hèze.

Antwerpen: Uitgeverij Vrijdag 2019, 320 pp.,
ISBN 978-94-6001-753-7, pb., € 22,50.

www.uitgeverijvrijdag.be


www.janphilipsen.nl



© Brabant Cultureel 2019