En de grootste bedreiging voor bedrijfscollecties is… de kantoortuin

‘Out of Office’ in museum Singer Laren is een interessante expositie van na-oorlogse kunst uit Nederlandse bedrijfscollecties. Wat opvalt: veel grote werken en kunst die aanzet tot discussie. ‘Kunst mag de boel opschudden’, was de laatste decennia het uitgangspunt voor veel conservatoren van bedrijfscollecties. Bedrijven vormen met de aankoop van Nederlandse kunst een belangrijke stimulans voor kunstenaars en voor de kunst in Nederland. Kunstenaars met Noord-Brabantse roots zijn goed vertegenwoordigd in de collecties.

door Irma van Bommel

Nederlandse bedrijven, waaronder ook banken, ziekenhuizen, universiteiten, verzekeringsmaatschappijen, uitzendbureaus, advocatenkantoren en overheidsinstellingen verzamelen sinds de Tweede Wereldoorlog kunst. Al deze collecties tezamen bezitten zo’n kwart miljoen kunstwerken. Eenenvijftig bedrijven zijn aangesloten bij de Vereniging Bedrijfscollecties Nederland. Deze leden beheren 110.000 kunstvoorwerpen. Van die eenenvijftig aangesloten bedrijfscollecties hebben er dertig werken in bruikleen gegeven voor de expositie Out of Office. Bedrijven lenen wel vaker kunstwerken uit voor exposities, maar met deze expositie wordt voor het eerst een groot aantal kunstwerken bij elkaar getoond uit bedrijven die niet of nauwelijks toegankelijk zijn voor publiek.

De installatie (2007) van Folkert de Jong op uit de Rabo Kunstcollectie, daarachter een werk (1969) van Lucebert en van Wessel Couzijn. Foto Peter Tijhuis

Concurreren
Wat bij binnenkomst direct opvalt is de grote installatie Seht der Mensch; The Shooting Lesson van Folkert de Jong. Het maakt deel uit van de Rabo Kunstcollectie en roept meteen de vraag op waar dit grote werk normaliter staat. In de catalogus die bij de expositie verscheen zijn tentoongestelde installaties en beelden gefotografeerd in hun dagelijkse omgeving, ook het werk van De Jong. Maar veel meer dan een witte muur en een grijze vloer geeft de foto niet prijs. Een indruk van de ruimte krijgen we niet, maar de neutrale omgeving wijst op haast museale condities. De meeste andere foto’s in het boek tonen juist een drukke omgeving waar de kunstwerken moeten concurreren met vergader- of eettafels, stoelen en radiatoren.

In de expositie komen de meeste werken ongetwijfeld beter tot hun recht dan in de drukke omgevingen in de bedrijfspanden, maar missen ze de dialoog met de bedrijfscultuur en dus ook met de mensen die er werken. Kunst in bedrijven trekt de aandacht, is daarom letterlijk een aandachtspunt en onderwerp van discussie voor medewerkers en bezoekers, anders dan werkgerelateerde onderwerpen.

In het midden ‘Generation’ (2010) van Ruud van Empel. Foto Peter Tijhuis

Uit interviews die Catharien Romijn hield met een aantal conservatoren van bedrijfscollecties blijkt dat tegenwoordig bewust gekozen wordt voor kunst die prikkelt, kunst die de boel opschudt, omdat dit leidt tot discussies op de werkvloer en omdat het inspireert. “Het scherpt de blik en toont hoe je jezelf steeds weer kunt vernieuwen”, vertelt Wende Wallert, conservator van de Albert Heijn Kunst Stichting. Een kunstwerk “zet de kijker aan tot reflectie”, zegt Hester Alberdingk Thijm, directeur van de AkzoNobel Art Foundation. Ziekenhuizen richten het verzamelbeleid op werken met psychologische diepgang, zodat zij troost kunnen bieden aan bezoekers en patiënten.

Werken geïnspireerd op oude meesters, links ‘The Practice. Take 3′ (2008) van Folkert de Jong, in het midden ‘Laocoön anno 2009’ van Guido Geelen. Foto Peter Tijhuis

Edo Dijksterhuis schreef het essay in de catalogus en groepeerde de werken niet chronologisch op opeenvolgende stijlen, maar naar thema’s. Daardoor kan hij verbindingen leggen door de tijd. Deze indeling is ook in de tentoonstelling aangehouden. Zo combineerde hij in het hoofdstuk ‘Bevrijd’ de installatie van De Jong met schilderijen van Karel Appel en andere Cobra-kunstenaars. De Cobra-beweging maakte zich net na de Tweede Wereldoorlog los van allerlei conventies in de kunst door een eigen beeldtaal te hanteren en bereidde daarmee de weg voor hedendaagse kunstenaars die vernieuwend bezig zijn.

Dader
Het hoofdstuk ‘Schuldig’ verwijst naar de bekende Schuldige landschappen van Armando die in verband te brengen zijn met gebieden waar in de Tweede Wereldoorlog gruwelijkheden zijn gepleegd. Evenzo verwijst Flowers of Srebrenica van Ronald Ophuis naar gruwelijkheden die plaatsvonden in Bosnië. Maar niet alleen schilderingen van landschappen, ook voorstellingen van mensen, bijvoorbeeld door Marlene Dumas, zijn hier ondergebracht. Daarin is niet precies duidelijk wat er wordt uitgebeeld, wie dader is en wie slachtoffer. Deze werken maken ons bewust van onze vooroordelen. Zo associëren we een gesluierde vrouw met vrouwenonderdrukking en wellicht ook met terrorisme.

Schuldige’ landschappen van Ronald Ophuis, Pyke Koch en Armando. Foto Peter Tijhuis

Met het thema ‘Op de schouders van reuzen’ behandelt Dijksterhuis het terugkerend gegeven dat kunstenaars zich in hun werk laten inspireren door oude meesters. Zo verwijst Western Stylemasters van Ger van Elk naar de Staalmeesters van Rembrandt. Erwin Olaf liet zich in Catwalk inspireren door vrouwenportretten uit de pruiken- (en poeder-) tijd. Opvallend is de beeldengroep Laocoön anno 2009 van Guido Geelen, geïnspireerd op de laat-hellenistische beeldengroep Laocoön en zijn zoons. Maar de verticale opstapeling van drie figuren doet ook denken aan de Sabijnse Maagdenroof van Giovanni Bologna uit de zestiende eeuw. Bijzonder is dat Geelen giet- en ontluchtingskanalen heeft laten zitten (wat hij vaker doet), die nu een constructief onderdeel lijken te zijn van de beeldengroep.

‘Stilleven Melk’ (2002) van Elspeth Diederix uit de collectie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Onder de noemer ‘Met een knipoog’ valt de slappe tafel van natuurrubber van Tom Claassen, maar bijvoorbeeld ook Stilleven Melk van Elspeth Diederix en werken van Pieter Laurens Mol, Erik Andriesse, Scarlett Hooft Graafland, Woody van Amen en Maria Roosen. De talloze voorstellingen van mensen, met uiteenlopende bedoelingen, van de expressieve schilderwerken van Charlotte Schleiffert tot de statische, gecomponeerde foto’s van Ruud van Empel, worden gevangen onder de kop ‘Ecce homo’.

Minuscuul
Volgens Edo Dijksterhuis “is het aankoopbudget van bedrijfscollecties beperkt, in vergelijking met het volledige bedrijfsresultaat zelfs minuscuul te noemen”. Daarom zijn de meeste aankopen gericht op hedendaagse kunst van jonge (beginnende) kunstenaars, waarvan het werk nog betaalbaar is. “Bedrijfscollecties hebben zich zo de afgelopen dertig jaar ontwikkeld tot vroege spotters van talent”, schrijft Dijksterhuis. Daarmee is de status van bedrijfscollecties juist enorm gegroeid.

Op de voorgrond een tafel (2008) van natuurrubber van Tom Claassen, links een kreeft (Z.T.,1986) van Erik Andriesse. Foto Peter Tijhuis

Bedrijven, en daarmee ook hun kunstcollecties, zijn echter conjunctuurgevoelig. Tijdens de economische crisis werden de aankoopbudgetten van de meeste bedrijfscollecties bevroren. “Tegenover collega’s die op het punt staan hun baan te verliezen is de aankoop van kunst moeilijk te rechtvaardigen.” Bedrijfscollecties zijn dus kwetsbaar in economisch moeilijke tijden. Bij fusies en faillissementen wordt door besturen al snel besloten de kunstcollectie uit te dunnen of zelfs af te stoten. De grootste bedreiging is echter de opkomst van de kantoortuin, constateert Dijksterhuis. Daarin is simpelweg minder behoefte aan werken voor aan de muur. Dat betekent dan weer wel dat er meer belangstelling is gekomen voor het verzamelen van ruimtelijk werk.

 ‘Out of Office’ is t/m 7 april 2019 te zien in Singer Laren.

singerlaren.nl

‘Out of Office’,
Edo Dijksterhuis & Catharien Romijn,
Kunstschatten uit bedrijven|Art in Business.
Eindhoven: Uitgeverij Lecturis / Laren: Singer, 2018,
160 pp., ISBN 978-94-6226-299-7, pb., € 25,75.



©Brabant Cultureel 2019

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.