Vergeten, weggestopte engelenkinderen hebben nu ook voor de wet een naam

‘Levenloos ter wereld gekomen’ kinderen waren tot nu toe volgens de wet naamloos. Maar dat is sinds een recente wetswijziging met terugwerkende kracht voorbij. ‘Engeltjes’ noemde men doodgeboren kinderen tijdens het rijke roomse leven. Maar die kwamen allesbehalve in de hemel; ze werden stiekem begraven of gecremeerd. Bredanaar René Oomen schreef een boek met schrijnende verhalen van ontredderde ouders. In 2017 verschenen maar nu weer actueel.  

door Emmanuel Naaijkens

“Gecondoleerd met het overlijden van uw vader”, zei de begrafenisondernemer toen ik de voordeur opende. “Dat is een misverstand, het gaat om een kind. Ons kind. Gisteren geboren, vandaag overleden.” Ik zie de man nog wit wegtrekken, hij was helemaal van slag. Ouders die zelf een uitvaart regelen voor hun gestorven baby, dat had hij nog nooit meegemaakt. We schrijven 27 september 1985. 

De man wist zich geen raad met de situatie en stak het gebruikelijke verkooppraatje af over de stijlvolle producten van de uitvaartonderneming. Hij bladerde opzichtig door de map met kisten in alle prijsklassen. Dat wij een eenvoudige crematie wensten drong niet tot hem door. “En muziek, dat wilt u toch wel?!” Hij las de top tien voor van favoriete muziek in crematoria, met Mieke Telkamp onbetwist op één. 
We kwamen toch uit op een simpel, wit kistje. In een onhandige poging om ons verdriet te verzachten voegde hij eraan toe: “Ik laat het kistje wel in de lijkwagen met een volwassen dode plaatsen, dat scheelt u transportkosten.”

Dora van Hoek was in de jaren zeventig leerling-verpleegkundige in het Carolusziekenhuis in Den Bosch. Ze was geschokt toen ze zag hoe achteloos er met doodgeboren kinderen werd omgegaan. Foto uit het besproken boek / Piet den Blanken

Bizar
Bizar? Ja. Onvoorstelbaar? Nee. Tot in de jaren tachtig werden doodgeboren kinderen in alle stilte met het medisch afval van het ziekenhuis verbrand. Oók in katholieke ziekenhuizen, hoewel cremeren volgens de kerkelijke leer verboden was. Of de baby’s werden bij een volwassen dode in een lijkkist gestopt. Noch de ouders, noch de familie van de overledene wisten daarvan. Of het babylichaam – een bekend verhaal – werd bij nacht en ontij in de ongewijde aarde van een kerkhof gedumpt. Het was immers niet gedoopt en daarom volgens de kerk geen volwaardig mens.

René Oomen uit Breda schreef twee jaar geleden indringend, maar zonder sentimenteel te worden, het boek Een engeltje zette de wereld stil. Daarin laat hij ouders aan het woord die, zoals dat eufemistisch heet, hun kind hebben verloren of aan God moeten afgeven. Het zijn, het zal niet verbazen, schrijnende verhalen. Bladzijde na bladzijde met peilloos diep verdriet van ouders, die hun leven daarna vaak niet meer op de rails krijgen. Soms dreef het leed man en vrouw uit elkaar, en mondde de tragedie uit in een echtscheiding. Andere ouders hielden zich voor de buitenwereld groot, maar raakten op latere leeftijd in een diepe crisis.

Gynaecoloog Ronald Nobrega uit Den Bosch brak met de heersende opvatting dat het beter was voor de ouders dat ze hun doodgeboren niet zagen. Foto uit het besproken boek / Piet den Blanken

Onbarmhartig
Het was doorgaans niet de dood van het kind op zichzelf die ouders in het verleden de das om deed. Het was de onbarmhartige houding van de omgeving, die miskende dat de gestorven baby een mens van vlees en bloed was en een naam verdiende. Oomen heeft vooral met ouders – vaak alleen de moeder – in het katholieke zuiden gesproken die een kind verwachtten toen de kerk de gelovigen nog in een ijzeren keurslijf gevangenhield. Maar de kille omgang met doodgeboren kinderen was elders niet anders, blijkt uit het boek.

Neem het relaas van Ria Janssen uit Erp die in 1961 zwanger is. Een halve eeuw later verhaalt ze tegen Oomen over de gebeurtenissen alsof ze zich gisteren hebben afgespeeld. Op het eind van de zwangerschap voelt ze haar kindje niet meer. De huisarts, die zich volgens haar gedraagt als een veearts, stelt vast dat de baby dood is, maar ze moet wel gewoon bevallen. Van de dokter mag ze haar kind, een meisje, na de bevalling niet vasthouden ‘want dat is besmettelijk’. Wat te doen met het dode lichaampje? Het advies van de huisarts: stop het in een doosje. “Mijn zuster heeft het toen in een luier gedraaid en in een boterdoosje gedaan”. Enkele dagen later begraaft de buurman als het donker is het kind in de ongewijde grond van het plaatselijke kerkhof. Ria Janssen bitter: “Dan ben je katholiek, maar je kind wordt als een hond de grond ingestopt”.

Door pastoor Christ van Beurden kwam er een monumentje voor ongeboren kinderen bij de kerk in Den Dungen. Foto uit het besproken boek / Piet den Blanken

Afwezig
De pastoor of de kapelaan, die wel op de stoep staan om de ouders te wijzen op de huwelijkse plicht om voor nageslacht te zorgen, zijn in al die verhalen in geen velden of wegen te bekennen, een enkele uitzondering daargelaten. Het is een rode draad in het boek, de kerk schittert door afwezigheid. In de (katholieke) ziekenhuizen is het niet veel anders. Daar werken in die jaren nog veel nonnen, maar het woord empathie kwam niet in hun vocabulaire voor. Dora van Hoek, begin jaren zeventig nog leerling-verpleegkundige op de kinderafdeling van het Carolusziekenhuis in Den Bosch: “Ik heb persoonlijk nooit gemerkt dat ze er moeite mee hadden. Ik had het gevoel dat ze er bijna stoïcijns in stonden”.

Ook de medici deden afstandelijk tegen de moeders van wie het kind was gestorven, een enkeling was zelfs ronduit bot. Het was niet alleen de katholieke moraal, zegt gynaecoloog Ronald Nobrega in het boek. “De mores was dat ouders zoveel mogelijk leed bespaard moest blijven en dat ze maar beter hun overleden kind niet moesten zien”. Veel ouders uit die periode hebben tot hun grote frustratie nauwelijks herinneringen aan hun overleden kind: ze hebben het niet vast mogen houden, ze hebben geen afscheid mogen nemen, het is niet officieel geregistreerd, er zijn geen foto’s van. “Het is alsof je kind niet heeft bestaan”, zegt een moeder.

Kentering
In de jaren tachtig komt er langzaam een kentering, te danken aan medisch personeel dat inziet dat de geldende praktijk onmenselijk is. Er is meer oog voor het leed van de ouders, voor de rouwverwerking. In het Carolusziekenhuis schaft de verpleegafdeling op eigen kosten een polaroidcamera aan. Elk doodgeboren kind wordt gefotografeerd, zodat de ouders een tastbare herinnering hebben. Langzaam kantelt het beeld en in de 21 eeuw is het gebruikelijk om ook de geboorte van een overleden kind te vieren alsof het om een kind gaat dat wel gezond ter wereld is gekomen. In de openbare ruimte verschijnen monumentjes ter nagedachtenis van deze vergeten kinderen.

Tonnie van der Aar (links) en Mieke Valenteijn uit Den Bosch richten een monument op op de begraafplaats Orthen. Foto uit het besproken boek / Piet den Blanken

Maar er is nog een ding dat schuurt en ouders pijn doet. Juridisch gezien bestaat een levenloos ter wereld gekomen kind niet. Het is aan het doorzettingsvermogen van Natasja Geyteman uit Katwijk aan Zee te danken dat de wet nu veranderd is.
Als moeder van een doodgeboren kind stelt ze in 2007 tot haar verbijstering vast dat haar dochtertje Jolie niet in de Gemeentelijke Basis Administratie (nu Basisregistratie Personen) is opgenomen.  Ze laat het er niet bij zitten en wat René Oomen beschrijft is een lange mars door de juridische en politieke instituten. Maar uiteindelijk bereikt Geyteman dat Tweede en Eerste Kamer het wetsvoorstel goedkeuren.

Afscheid
Onze zoon overleed tien uur na de geboorte, vanwege vele gebreken was de kans op leven minimaal. Het ziekenhuis bood aan om de uitvaart en de aangifte bij de burgerlijke stand te regelen, dat deden ze altijd in dit soort situaties. Wij hadden al twee kinderen en konden ons beter op de toekomst richten, was de boodschap. Maar intuïtief voelden wij aan dat we er later veel spijt van zouden krijgen als we dit moment ons door de vingers zouden laten glippen. Wij hebben afscheid genomen van onze zoon en dankzij de tegenwoordigheid van geest van een verpleegkundige hebben we zelfs een polaroidfoto.

In de burgerlijke stand is ons kind naamloos geregistreerd, hoewel het levend ter wereld was gekomen. Maar dat telde niet omdat op het moment van aangifte ons kind was overleden. De akte in ambtelijke taal: “De aangifte is gedaan door de vader voornoemd, die verklaarde uit eigen wetenschap kennis te dragen van het niet in leven zijnde van het kind op het moment van aangifte.” Ook in het trouwboekje mocht de naam niet vermeld worden. 
Jarenlang gaf het een ongemakkelijk gevoel, moest je in je officiële papieren invullen dat we vier, of vijf kinderen hadden? Wij gaven bijna 34 jaar geleden onze zoon de naam Rik, zo zal hij voortaan ook officieel door het leven gaan. En dat geldt ook voor onze kleinzoon Arthur die twee jaar geleden na de geboorte overleed.

Over het boek 
Het boek Een engeltje zette de wereld stil komt voort uit de radiodocumentaire Er ligt een engeltje achter de heg die René Oomen (Breda 1956) maakte voor de VPRO. Hij raakte zo betrokken bij het onderwerp van levenloos geboren kinderen, dat hij op zoek ging naar aanvullende informatie. Niet alleen ouders uit de jaren zestig komen aan het woord, maar ook zij die recent een doodgeboren kind kregen. Daarnaast interviewde hij medici, wetenschappelijk onderzoekers en theoloog prof. Erik Borgman, die het onderwerp, waar zo lang een taboe op rustte, in perspectief plaatsen. In Nederland overlijden jaarlijks ongeveer 1500 baby’s tijdens de zwangerschap of kort daarna.
De foto’s in het boek zijn gemaakt door Piet den Blanken (Wijbosch 1951).


‘Een engeltje zette de wereld stil’ door René Oomen.
Uitgeverij Aerial Media Company (uitgever bestaat niet meer).
ISBN 978-94-026-0185, € 9,95.  
Bestellen via Facebookpagina van René Oomen of
via email roomen1956@gmail.com

©Brabant Cultureel 2019