‘Roomsen’ en hervormden negeerden eeuwenlang elkaars geschiedenis

Pim van der Kuijlen en Erik Mentink schreven een boek over de geschiedenis van de hervormde gemeente Tilburg en Goirle van 1629 tot 2004. Dat verdient lof, want meestal gaat geschiedenis vrijwel altijd over overwinnaars en machthebbers en dat is deze kleine minderheid in Tilburg nooit geweest. Bovendien kan dit boek als voorbeeld dienen voor andere hervormde gemeentes in Noord-Brabant om zich eens wat breder in de kijker te spelen.

door Lauran Toorians

Dat geschiedenis wordt geschreven door de overwinnaar mag een cliché zijn, het is ook waar. Het verhaal is altijd ‘van iemand’ en dus nooit objectief, hoe graag de geschiedschrijver dat ook zou willen. Dat wil niet zeggen dat het niet uitmaakt wat er wordt verteld. Integendeel. We moeten juist van de geschiedschrijver eisen dat hij naar objectiviteit en volledigheid streeft, maar altijd in het besef dat dit een ideaal is. Belangrijk is ook de stellingname van de onlangs overleden historicus Henk Wesseling (1937-2018) dat het niet aan de historicus is te oordelen over het verleden. De historicus is geen rechter en moet ook geen propagandist zijn

De Pauluskerk aan de Heuvelstraat (voorheen Zomerstraat) in Tilburg. Foto Joep Eijkens

Intermezzo
In oorlogsverhalen is dit dilemma evident. Of de verzetsman of -vrouw een held is of een terrorist hangt volledig af van de uitkomst van de gebeurtenissen en van het standpunt van de geschiedschrijver (die zelden of nooit aan de kant van de verliezende partij zal staan). Maar het kan en gebeurt veel subtieler. Een rondgang langs websites van historische verenigingen op zoek naar de geschiedenis van oudere kerken leidt snel tot een vreemd inzicht. In katholieke streken begint die geschiedenis in de (late) middeleeuwen en wordt terloops opgemerkt dat de kerk ergens in de zeventiende eeuw in hervormde handen kwam om begin negentiende eeuw weer te worden teruggeven. Terecht, proef je vaak in de tekst. Die hervormde periode van het kerkgebouw wordt afgedaan als een veelal treurig intermezzo dat weinig aandacht verdient. Zelfs in de recente geschiedschrijving van de Bossche Sint-Jan is dit weinig anders.

Wel anders is het in ‘het noorden des lands’. Daar begint de beschrijving van een kerk veelal pas met de komst van de eerste predikant, ook wanneer het kerkgebouw zelf enkele eeuwen ouder is. De ‘roomse’ voorgeschiedenis van de kerk is daar blijkbaar niet belangrijk en lijkt soms zelfs te worden beschouwd als een schandvlek die beter kan worden verzwegen. En dat is toch vreemd, want voor de opkomst van de reformatie was er nu eenmaal maar één kerk en het is een mooi voorbeeld van historische vertekening om te menen dat de ene kerk(gemeenschap) het rechte pad bleef volgen en de andere een verkeerde afslag nam. Dat is wat de propaganda – van toen en nu – ons wil doen geloven, maar het is een versimpeling die niet bepaald bijdraagt tot begrip.

Feit is dat de reformatie in de Nederlanden begon in het diepe zuiden van het huidige Frans-Vlaanderen, dat zij eerst voet aan de grond kreeg in steden in Vlaanderen en Brabant waar soms ook geruime tijd het standsbestuur protestants was. Steden als ’s-Hertogenbosch en Eindhoven kenden eind zestiende eeuw grote aantallen protestanten binnen hun muren. Mensen die op de vlucht moesten toen deze steden vreesden door Spaanse troepen te worden platgebrand wanneer zij zich niet onvoorwaardelijk tot het katholicisme bekenden. De contrareformatie die daarop volgde was zo effectief dat deze steden en streken hun hervormde bewoners van het eerste uur vergaten (verdrongen) en gingen geloven in een soort eeuwigdurende roomse gelukzaligheid. Dat het kerkgebouw ooit in hervormde handen was, is een schandvlek die gelukkig weer is rechtgezet, de hervormden waren een betekenisloze minderheid en wij waren altijd trouw aan ‘kerk en vaderland’. We geloven het graag, maar het klopt niet.

De voormalige Immanuelkerk aan de Gasstraat in Tilburg. Foto Joep Eijkens

Domineeszoon
Nu de provincie Noord-Brabant meent dat er twee kunstenaars – Bosch en Van Gogh – uit de provincie zijn voortgekomen die ertoe doen, zou meer aandacht mogen krijgen dat de ene een overtuigde laatmiddeleeuwse katholiek was en de andere een domineeszoon uit een niet onbeduidende predikantenfamilie. Gelukkig zijn er meer kunstenaars en het is maar de vraag of hun religieuze overtuiging belangrijk is, maar Vincent van Gogh afschilderen als het toonbeeld van een Bourgondische Brabander draagt er wel toe bij dat we zijn hevige aandrang om het Woord te verkondigen ondergeschikt maken aan het geld dat hij her en der in toeristische laatjes brengt.

Het is dus goed om in Noord-Brabant ook buiten de noordwesthoek aandacht te schenken aan de hervormden die hier in heden en verleden deel uitmaken van de samenleving. Gerard van Gurp deed dat in 2013 met zijn Protestanten en katholieken in de Meierij van ’s-Hertogenbosch, 1523-1634, Han Verrschure in 2004 voor de Langstraat met Overleven buiten de Hollandse Tuin. Er zijn natuurlijk meer voorbeelden. Onlangs verscheen een boek over het hervormde verleden van Tilburg en Goirle. Want ja, ook de stad die ooit net zoveel kerktorens kende als fabriekschoorstenen, kent al eeuwenlang een hervormde gemeente.

Aanleiding om nu met een boek over dit onderwerp te komen, vormde in 2010 de verkoop van de Pauluskerk in het centrum van Tilburg aan Gereja Kristen Indonesia Nederland (GKIN), de Indonesisch-Nederlands Christelijke Kerk die sinds 1985 een afzonderlijk kerkgenootschap vormt. Het boek is geschreven door Pim van der Kuijlen en Erik Mentink en het is misschien wel tekenend dat zij geen historici zijn, maar wel gedreven amateurs die vonden dat dit boek er moest komen. En gelijk hebben ze, tot schande van de historici.

De Heikese Kerk in het centrum van Tilburg. Foto Joep Eijkens

Stoutigheden
Na een kort overzicht van het ontstaan van de Nederlandse Hervormde Kerk volgt een uitvoerige beschrijving van hervormd Tilburg. Op 17 november 1629 kreeg de predikant van ’s Gravenmoer, Petrus Portenius, van de Staten-Generaal opdracht om het protestantisme te vestigen in Tilburg. Dat lukte hem niet en Portenius kreeg te maken met ‘paapse stoutigheden’ zoals die op veel plaatsen in de Meierij plaatsvonden: tegenwerking van het plaatselijk bestuur en (uiteraard) van de pastoor en bespotting door de bevolking. Pas in 1630 lukte het hem om in Tilburg te preken, maar dat was eenmalig. De Staten-Generaal vond echter dat met de inname van Den Bosch in 1629 haar ook de Meierij was toegevallen en verbood het uitoefenen van de rooms-katholieke religie. In de zomer van 1633 werden dertien predikanten benoemd en nu werd Paulus Arleboutius naar Tilburg gestuurd. Hij keek de kat uit de boom en reisde pas af toen hij een gewapend geleide meekreeg. Hij werd dan ook niet warm ontvangen, maar trof wel degelijk een kleine gemeenschap protestanten aan en kon al op 30 oktober Jan Verschueren noteren als zijn eerste Tilburgse dopeling.

Er bleef strijd om de Tilburgse kerk – er was slechts één parochiekerk – en begin mei raakte Arleboutius in Spaanse gevangenschap in Breda. Na anderhalf jaar kwam hij vrij, maar hij kon niet terug naar Tilburg. De functie van predikant in Tilburg bleef vacant totdat op 11 oktober 1648 (de Vrede van Munster was getekend) Paridanus Lemannus aantrad en zijn intrek nam in de geconfisqueerde pastorie, Huis Moerenburg. Dat verkeerde echter in een niet al te beste staat en stond bovendien op een flinke afstand van de kerk. In 1660 verhuisde Lemannus dan ook naar een op eigen kosten gehuurd huis nabij de kerk. Het is jammer dat Van der Kuijlen en Mentink geen gebruik hebben gemaakt van het recente boek (2012) over Moerenburg, want dan hadden zij meer details gehad over deze pastorie als predikantenwoning.

Het kerkgebouw van Elim aan de Minister Mutsaersstraat in Tilburg. Foto Joep Eijkens

Het aantal hervormden bleef klein en in 1679 besloot het dorpsbestuur om delen van de te grote kerk een andere functie te geven. Zo kwam er een raadhuis, schepenkamer, gevangenis en een leslokaal voor de Franse school. Het dorpsbestuur betaalde de verbouwing, maar de onderhoudskosten bleven voor de gereformeerde gemeente die dat niet kon opbrengen. In 1675 bestond de gemeente uit zestig personen. In 1682 waren dat er al honderd, en twintig in Goirle. Dat waren er genoeg om schepenen voor het dorpsbestuur te leveren, zodat er geen reden meer was om nog langer katholieken in de schepenbank te benoemen. Wel werd de gemeente in Goirle te klein geacht om zelfstandig te blijven. Die werd dan ook in 1690 opgeheven en samengevoegd met Tilburg.

Met de trage, maar gestage groei van de gemeente kwam er ook geld voor noodzakelijke attributen. In 1650 werd een preekstoel aangeschaft, in 1700 zilveren avondmaalsbekers en in 1765 een nieuw Bätz-orgel. Dit orgel verhuisde in 1823 mee naar de nieuw gebouwde Pauluskerk, nadat de hervormde gemeente de oude kerk had moeten overdragen aan de katholieke gemeenschap in Tilburg. In 1957 werd dit orgel gerestaureerd en teruggebracht naar zijn oorspronkelijke staat.

Zachtzinnig
In 1794 namen de Fransen het bestuur in Nederland over en werd de kerk opnieuw geconfisqueerd. Wat de Fransen er precies mee deden, vermeldt het boek niet, maar zachtzinnig gingen zij er niet mee om. En toen de kerkenraad het gebouw terugkreeg, volgde al snel daarna het besluit om de gereformeerden een eigen kerk te laten bouwen en de oude aan de veel grotere katholieke gemeenschap af te staan. De kerk in Goirle moest in 1809 zelfs meteen worden overgedragen. De kerkenraad pleitte voor een ruime nieuwe kerk, want naast de gereformeerden moest er ook plaats zijn voor zesendertig lutheranen, remonstranten en doopsgezinden. Op 22 december 1822 vond de laatste gereformeerde dienst plaats in de oude parochiekerk van Tilburg. Op 4 mei 1823 kon de nieuwe kerk – de naam Pauluskerk kwam pas in 1966 – worden ingewijd door dominee Johannes van Aken.

De Opstandingskerk aan de Cobbenhagenlaan in Tilburg. Foto Joep Eijkens

In de tussenliggende periode hadden de katholieke Tilburgers twee schuurkerken gekregen, een in de wijk het Goirke nabij het kasteel van de Heren van Tilburg en later een tweede ‘op ’t Heike’ ten zuiden van de oude parochiekerk. Toen zij die oude kerk terugkregen, namen zij de naam ‘Heikese kerk’ daar mee naar toe en dat is nog steeds de naam waaronder Tilburgers deze kerk kennen. Ook al staat hij dus helemaal niet op het Heike en weet ook vrijwel niemand meer waar dat Heike ooit was.

In 1829 bezocht koning Willem I Tilburg en ook de nieuwe hervormde kerk en later was dit ook voor Willem II de plek waar hij tijdens zijn verblijf in Tilburg ter kerke ging. Dominee Gilles Schotel stond hem bij tijdens zijn laatste uren, waarvoor Anna Paulowna de kerk bedankte met een zilveren avondmaalbroodschaal en twee zilveren borden. Tot begin jaren 1980 wist de hervormde gemeente in Tilburg zich betrekkelijk probleemloos te handhaven, maar toen eiste ook hier de ontkerkelijking zijn tol. In 2001 werd besloten de Pauluskerk alleen nog op hoogtijdagen en voor rouw- en trouwdiensten te gebruiken. De overige diensten werden gehouden in de gereformeerde Opstandingskerk uit 1965. In 2004-2006 vond nog een grote restauratie plaats, waarbij ook het orgel opnieuw onder handen werd genomen, maar in 2008 bleek het toch te duur om de kerk te onderhouden. Het gebouw werd te koop gezet en in 2010 verkocht aan de Indisch-Nederlands Christelijke Kerk. De Nederlands Hervormde Kerk van Tilburg was inmiddels opgegaan in de Protestantse Kerk Nederland.

Koningsbank
Na deze geschiedenis volgt een gedetailleerde beschrijving van het gebouw van de Pauluskerk en de inventaris daarvan. Hierin onder meer ook een uitvoerige beschrijving van het orgel, maar ook van de Koningsbank waarvan Willem II en zijn familieleden gebruik maakten. Ook de in de kerk aanwezige gedenkstenen krijgen aandacht, met helaas matige foto’s in dit overigens rijk geïllustreerde boek.

Naast de hier beschreven kerken kent Tilburg sinds 1910 ook de Immanuelkerk in de Gasstraat, die werd gebruikt door ‘de meer rechtzinnige geloofsrichting binnen de hervormde kerk’. Zoals vaker bij deze geloofsrichting is het een tamelijk onopvallend gebouw dat tot 1969 in functie bleef. Wel werden er daarna nog jeugddiensten gehouden. Ook deze kerk beschikte sinds 1930 over een orgel, een kabinetorgel dat later het oudste nog bestaande in zijn soort binnen Nederland bleek te zijn, gebouwd in 1732. In 1969 werd het in ruil voor een elektronisch orgel overgedaan aan het gebouw Bethel in ’s-Hertogenbosch.

Gedurende de eerste helft van de twintigste eeuw vervulde deze Immanuelkerk een belangrijke functie in het hervormde leven in Tilburg, ook in cultureel opzicht. In de jaren 1970 en ’80 kerkte hier de Evangelische Baptisten Gemeente en in 1995 vestigde zich een galerie in de kerk.

In de jaren dertig plaatse de Nederlandse Spoorwegen een flink aantal werknemers over van Zwolle naar Tilburg. In deze kring ontstond een Evangelisatievereniging op Gereformeerde Grondslag met de naam Elim. Met medewerking van een godsdienstonderwijzer uit ’s-Grevenduin-Capelle en de predikant van Loon op Zand gingen zij eigen diensten houden. De gemeenschap groeide sterk toen in 1944 evacués uit de Betuwe en Zeeland naar Tilburg kwamen, waardoor Elim moest gaan kerken in een bioscoopzaal. In 1949 kon een eigen, nieuw kerkgebouw in de Minister Mutsaersstraat in gebruik worden genomen, opnieuw een sober en weinig opvallend gebouw in de oude binnenstad. Inmiddels is ook deze gemeenschap sterk geslonken, maar wel nog steeds actief in de eigen kerk.

De Landell
Hiermee is wel in hoofdlijnen de geschiedenis, maar nog niet het hele boek beschreven. Zo komen ook de begraafplaatsen en het kerkenwerk besproken. En er is een afzonderlijk hoofdstuk over de hervormde kerk in Goirle. Die kent eveneens een bewogen geschiedenis die maar weer eens duidelijk maakt dat Goirle niet zomaar een aanhangsel van Tilburg is. Er ontstond een kerkelijke relatie van Moergestel en ook Riel wordt in ditzelfde hoofdstuk kort belicht. Een volgend hoofdstuk handelt over Enschot. Dit sluit af met het gedicht ‘Het torentje van Enschot’ van de populaire schrijver Olaf J. de Landell die daar in de jaren zestig verbleef. Een laatste hoofdstuk bestaat uit een chronologisch overzicht van predikanten met korte biografieën. Hierbij valt op dat juist over veel van de recentere predikanten geen informatie voorhanden lijkt te zijn. Dat is jammer. Johannes Ulaeus, predikant van 1684 tot 1732 is een kleurrijke figuur die een volledige biografie verdient, maar dat valt buiten het bestek van dit boek.

Het zou gemakkelijk zijn dit boek aan te pakken op de gebreken die het kent. Er zijn geen noten (dat was een keuze van de auteurs), de illustraties zijn niet allemaal optimaal en de gebruikte literatuur is bepaald niet volledig. Toch is het vooral goed dat beide auteurs dit boek hebben gemaakt en daarmee laten zien dat hervormd Tilburg weliswaar nooit groot is geweest, maar toch zeker niet verwaarloosbaar.

Pim van der Kuijlen en Erik Mentink, Een dag in uwe voorhoven. De Hervormde Gemeente Tilburg en Goirle: 1629-2004.
Soest: Boekscout 2018, 143 pp., ISBN 978-04-022-4723-7, pb., € 21,50.

www.boekscout.nl

 

 

© Brabant Cultureel 2018

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.