Design van Brabantse bodem prominent in culturele hoofdstad Leeuwarden

In het jaar dat Leeuwarden Culturele Hoofdstad van Europa is, presenteert het Keramiekmuseum Princessehof de expositie ‘Made in Holland: 400 jaar wereldmerk’, met werk uit eigen collectie en van bruikleengevers. Ter gelegenheid van de expositie verscheen een mooie publicatie. Interessant is het hoofdstuk over Dutch Design. Hierin komen veel kunstenaars en designers aan bod die hun opleiding volgden aan de Design Academy in Eindhoven.

door Irma van Bommel

Keramiekmuseum Princessehof, dat honderd jaar bestaat, brengt met de tentoonstelling Made in Holland een ode aan het wereldsucces van Nederlandse keramiek. Directeur Kris Callens schrijft in het voorwoord: “Nederland is een keramiekland. Delfts blauw is al eeuwen een icoon, maar ook Maastrichts boerenbont, Haags eierschaalporselein, Gouds plateel en het hedendaagse Dutch Design zijn over de hele wereld bekend. Ze worden als typisch Nederlands beschouwd. Het interessante is echter dat de oorsprong van deze keramiek vaak niet in Nederland ligt, maar daarbuiten. Nederlandse ontwerpers en makers namen technieken over die hier door handel of door migratie van vaklieden werden geïntroduceerd. Zij maakten er iets geheel eigens van en veroverden daarmee op hun beurt de wereld. Dit Nederlandse succes begon 400 jaar geleden en is nog altijd onverminderd van kracht.”

In de expositie is nog meer keramiek van Brabantse designers te zien dan in het boek genoemd worden- o.a. Floris Wubben (l) en Olav Slingerland (r). Foto Olav Slingerland

Onderzoek
Speciaal voor deze expositie is onderzoek verricht naar de export van Nederlands keramiek in de afgelopen vier eeuwen. Het project is tot stand gekomen met financiële steun van een aantal stichtingen en fondsen en met steun van de partners van de organisatie Leeuwarden – Fryslân Culturele Hoofdstad van Europa 2018. Daardoor was het mogelijk om naast de eigen collectie maar liefst 700 objecten in bruikleen uit verschillende Europese landen te laten komen.

Het onderzoek richtte zich op Delfts blauw, Maastrichts aardewerk, art nouveau keramiek en Dutch Design. Daarbij werd niet alleen gelet op de productie van deze verschillende soorten aardewerk en porselein, maar ook op de herkomst van technieken en motieven en op de handel. Bestellingen kwamen in de zeventiende eeuw van vorstelijke hoven, maar vanaf de zeventiende eeuw vond ook export plaats naar landen waar Nederland handel mee dreef, waaronder de koloniën. En het succes van Nederlands keramiek in het buitenland bleek ook op de wereldtentoonstellingen in Parijs (1900) en San Francisco (1915).

Blik in de expositie Made in Holland, met in het midden werk van Formafantasma en rechtsonder het Pretty Happy Servies van Maarten Baas. Foto Ruben van Vliet

Humor
Interessant is dat Dutch Design in deze traditie wordt geplaatst. Net voor het jaar 2000 genoot Nederlands keramiek opnieuw in het buitenland grote belangstelling met wat al gauw werd aangeduid als ‘Dutch Design’: minimalisme, onconventionele oplossingen en een kenmerkend gevoel voor humor. Het hoofdstuk over Dutch Design in het boek bij de tentoonstelling is geschreven door Victoria Anastasyadis. Zij is freelance kunst- en designhistoricus en is als junior- of gastconservator werkzaam geweest bij diverse musea, onder andere het Stedelijk Museum in Amsterdam. Volgens haar is “Dutch Design geen stijl, maar een attitude: een houding ten opzichte van ontwerpen waarin het achterliggende idee even belangrijk, zo niet belangrijker is dan het eindproduct.” De Design Academy in Eindhoven was de eerste opleiding waar het onderwijs in het teken stond van een conceptuele benadering. Lidewij Edelkoort was een van de drijvende krachten achter deze nieuwe richting. De Design Academy heeft veel bekende designers voortgebracht, waaronder Hella Jongerius, Piet Hein Eek, Maarten Baas, Richard Hutten en Wieki Somers.

Een van de docenten aan de DAE was Gijs Bakker. Hij richtte het designlabel Droog op, waarmee hij jaarlijks producten van diverse ontwerpers toonde op de beurs in Milaan, de Salone del Mobile. Door deze jaarlijkse presentaties werd Dutch Design in het buitenland een succes. Later startten designers als Piet Hein Eek en Studio Job hun eigen onderneming. Dutch Design is ook gepromoot door musea die vrije opdrachten aan ontwerpers verstrekten.

Expositiezaal met links Clay Service van Atelier NL. Op de foto’s aan de wand zijn de kleurverschillen van de gebruikte kleisoorten te zien. Foto Ruben van Vliet

Speciaal op het gebied van keramiek is het Europees Keramisch Werkcentrum, nu gevestigd in Oisterwijk, een grote stimulans voor experimentele keramische ontwerpen. Wieki Somers ontwikkelde daar de High Tea Pot in de vorm van een schedel. Ook nodigen bedrijven als Koninklijke Tichelaar in Makkum en Cor Unum in ’s-Hertogenbosch ontwerpers van buiten uit om te komen experimenteren. Zo ontwierp Maarten Baas het Pretty Happy Servies dat werd uitgevoerd door Cor Unum.

Kentering
Wat ook meegewerkt heeft aan de naamsbekendheid van Dutch Design is uiteraard de Dutch Design Week die ieder jaar in oktober in Eindhoven wordt georganiseerd. Daarbij vormt de Graduationshow van de Design Academy een van de interessantste exposities, omdat die een afspiegeling is van de nieuwe richting die het onderwijs op gaat. Anastasyadis signaleerde rond 2008 een kentering. Zij zag dat studenten zich meer richtten op onderzoek naar historie, materiaal, vormexperimenten en ambachtelijke technieken. “Ze vinden aansluiting bij maatschappelijke trends, waarin geborgenheid in tradities en ambachten gezocht wordt en mensen bewuster (willen) zijn van de herkomst van consumentengoederen. Weten waar je voedsel vandaan komt en door wie je kleding gemaakt wordt. Het verhaal achter materiaal en techniek wordt intrinsiek onderdeel van het product.”

Vitrine met het servies Colour Porcelain dat Studio Scholten & Baijings ontwierp in opdracht van het Japanse Arita. Foto Ruben van Vliet

Zo is Clay Service van Atelier NL vervaardigd van klei die afkomstig is van verschillende gebieden in Nederland. Achterliggende gedachte is dat je dan letterlijk van eigen bodem eet. “De jongste generatie Nederlandse ‘conceptuele’ productontwerpers richt zich met hun objecten vooral op de bewustwording van milieuproblematiek, sociale vraagstukken en de uitdagingen van het digitale tijdperk, in plaats van concrete oplossingen aan te dragen.”

Maar ook zijn er ontwerpers die experimenteren met de nieuwste technieken. De Eindhovense ontwerper Olivier van Herpt ontwikkelde zelf een 3D-printer speciaal voor keramiek. Eind juni van dit jaar won hij er de Dutch Design Award mee. Het succes van Dutch Design blijkt wel uit het feit dat de laatste jaren Nederlandse ontwerpers uitgenodigd worden door landen als China en Japan om daar de keramiek een nieuwe impuls te geven.

De grote stellages zijn geïnspireerd op traditionale tulpenvazen. De linker is van Studio Job, de rechter van Richard Hutten. Foto Ruben van Vliet

Eindhoven was ook in de race voor de nominatie van Europese Culturele hoofdstad van 2018. Groot was de ontgoocheling bij de lobby voor Eindhoven dat het Leeuwarden werd. Toch aardig dat nu met de expositie Made in Holland het Dutch Design zo prominent aan bod komt, waarvoor Eindhoven met de Design Academy een brede basis legde.

Foto boven: Pretty Happy Servies van Maarten Baas, in productie genomen door Cor Unum in Den Bosch. Foto Erik & Petra Hesmerg

‘Made in Holland: 400 jaar wereldmerk’, t/m 30 juni 2019 te zien in Keramiekmuseum Princessehof in Leeuwarden.
www.princessehof.nl

Karin Gaillard (red.), Made in Holland. Het wereldsucces van Nederlandse keramiek, Zwolle: Waanders Uitgevers / Leeuwarden: Keramiekmuseum Princessehof 2018. 160 pp., NL/ENG, ISBN 978-94-6262-184-8, pb., € 24,95.

 

 

©Brabant Cultureel 2018