Hugo de Groot en de canon van Nederland als Hollandse propagandamachine

Na het Marikenpad van Nijmegen naar Antwerpen bracht Frans Godfroy nu ook de route in kaart die Hugo de Groot naar de Scheldestad volgde na zijn vlucht uit slot Loevestein. Opnieuw een wandel- en fietsroute met een historische achtergrond en zoveel mogelijk over het oorspronkelijke tracé. Aan de reconstructie van deze routes ging veel onderzoek vooraf en dat betrekt Godfroy in het historisch discours waarin feiten slachtoffer worden van identiteitspolitiek. Hieronder een bewerking van zijn betoog bij de presentatie van het Hugo de Groot Pad.

door Frans Godfroy

Dat een toeristisch boek over Hugo de Groot (1583-1645) verschijnt in een periode van groeiende belangstelling voor de vaderlandse geschiedenis, tegenwoordig aangeduid als ‘de canon van Nederland’, is op het eerste gezicht een mooie samenloop van omstandigheden. Die groeiende belangstelling voor de canon komt onder meer tot uiting in de programmering van de publieke omroepen. Zo bracht de AVRO/TROS in december 2017 en januari 2018 het ‘Pronkstuk van Nederland’ op het scherm. Daarin mochten de kijkers uit dertig museale voorwerpen een winnaar kiezen. Dat werd uiteindelijk het ‘Plakkaat van Verlatinghe’ uit het Nationaal Archief, het document waarin de zeventien gewesten van de opstandige Nederlanden in 1581 afstand namen van de Spaanse koning Filips II.

Jort Kelder presenteert het Plakkaat van Verlatinghe als winnend Pronkstuk van Nederland.

Ontsnapt
In de canon speelt Hugo de Groot een vooraanstaande rol. Zo bezien was het geen grote verrassing dat voor de verkiezing ook de boekenkist was gekandideerd waarin hij in 1621 uit zijn gevangenschap ontsnapte: een verhaal dat veel Nederlanders zich uit de geschiedenisles herinneren.

Hugo de Groot staat natuurlijk voor meer dan die kist. Wie iets nauwkeuriger op de hoogte is weet waarschijnlijk ook dat hij een belangrijke grondlegger is van het internationale recht. Dat hij door de jonge Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden levenslang werd opgesloten en na zijn opzienbarende ontsnapping voor de rest van zijn leven als balling door Europa zwierf, is al heel wat minder bekend. En de historische context van die voor de jonge Republiek oneervolle episode is voor de meeste Nederlanders al helemaal een gesloten boek. Een wandel- en fietsgids met de reconstructie van De Groots vluchtroute naar de Zuidelijke Nederlanden, inclusief voorgeschiedenis en follow-up is dan toch een welkome handreiking voor al die liefhebbers van de canon, zou je zeggen.

Zeker. Maar bij al die toegenomen belangstelling voor de canon en vooral bij de wijze waarop die belangstelling door sommigen wordt aangejaagd en gebruikt, zijn wel serieuze kanttekeningen te plaatsen. Voor wie de bestudering van de geschiedenis een warm hart toedraagt is het dan ook een verademing, dat een pittig debat is opgelaaid sinds het Plakkaat van Verlatinghe op 26 januari 2018 na hartstochtelijke pleidooien van de hoogleraren Pleij en Scherder via een televisie-poll is uitgeroepen tot ‘Pronkstuk van Nederland’.

1616: Hugo de Groot bepleit tolerantie in de Vroedschap (het stadsbestuur) van Amsterdam. Gravure door Simon Fokke (1722-1784). Collectie Rijksmuseum

De Vlaamse journalist Marc Reynebeau schreef op 31 januari 2018 in de Standaard en in de NRC een kritiek op poten, getiteld ‘Het Pronkstuk van Nederland walmt van het nationalisme’. Hij zet vraagtekens bij de toegedichte kwalificatie ‘eerste onafhankelijkheidverklaring ter wereld’ en hij wijst erop dat het Plakkaat geen exclusief Nederlands archiefstuk is, maar een historische verklaring van alle zeventien gewesten, inclusief die van het huidige België. Met een verwijzing naar Het geuzenboek van Louis Paul Boon memoreert hij een pijnlijk verleden waarin Willem van Oranje en de zijnen enkele jaren na het Plakkaat eieren voor hun geld kozen en om hun koopmansrepubliek te redden het Zuiden overleverden aan de Spaans-katholieke dictatuur. Dat Nederland zich het Plakkaat nu via een tv-verkiezing exclusief heeft toegeëigend, is volgens Reynebeau aangejaagd door ‘een nationalistische wending in het Nederlandse historisch bewustzijn’.

Hartverwarmend
Het artikel was koren op de molen van classicus Anton van Hooff, die een boek over het Plakkaat aan het schrijven is. Hij noemde het in een reactie ‘hartverwarmend’ dat de kijkers zich hebben laten overtuigen ‘om een nobel document te stellen boven De Nachtwacht en de microscoop van Antoni van Leeuwenhoek’. Hij bepleitte niet alleen een ereplaats voor het document in de canon van Nederland, maar ook de instelling van een nieuwe nationale feestdag op 26 juli, de datum van ondertekening. En Paul Brood, archivaris bij het Nationaal Archief in Den Haag, waar het Plakkaat ligt, schreef: ‘Nederland, tel je zegeningen! Dankzij dit tv-programma zijn wij ons meer bewust van de topstukken van onze geschiedenis. Zij tonen ons dat het niet vanzelfsprekend is dat wij in een democratisch land leven met veel vrijheden en rechten.’

Cesare Fracassini (1838-1868), Voorstelling van de martelaren van Gorkum in 1572. Schilderij in de collectie van het Vaticaan.

Op 13 februari stond er weer een kritisch stuk in de NRC. De Brabantse historicus dr. Lucas van Dijck noemt het Plakkaat daarin een schandvlek en een historische blunder. Hij kiest een andere invalshoek dan Reynebeau en Boon, die Willem van Oranje vooral de uitlevering van Brabant aan de ‘Spaans-katholieke dictatuur’ verweten. Van Dijck benadrukt juist dat de Brabantse bevolking in meerderheid katholiek wilde blijven. Ook hij verwijt Willem van Oranje overigens opportunisme: zijn keuze voor de calvinistische opstand die hij met het Plakkaat van Verlatinghe bekrachtigde had weinig met geloofsovertuiging te maken maar kwam hem politiek het beste uit.

Van Dijck herinnert er niet alleen aan dat de Brabanders zwaar leden onder ‘een meedogenloze oorlog tussen Spanje en Staatsen, die in bruutheid en plundering niet voor elkaar onderdeden’, maar wijst ook op de intolerantie van de Republiek ten opzichte van de katholieken. ‘De katholieken werden uit openbare ambten geweerd, kerkelijke goederen werden onteigend en vooral het Zuiden werd geplunderd en uitgebuit. Vanaf 1648, de Vrede van Münster, werd die koloniale houding door de gereformeerde Hollanders definitief geïnstitutionaliseerd.’ En met de nodige overdrijving voegt hij daaraan toe: ‘Dat zou nog drie eeuwen doorgaan.’

Omroep Gelderland heeft onlangs eveneens opvallend kritisch op de verkiezing gereageerd met een aflevering van de geschiedenisserie ‘Ridders van Gelre’. Daarin werd uit de doeken gedaan hoe Gelre, dat zich vóór de Tachtigjarige Oorlog uitstrekte tot halverwege het huidige Limburg, na het Plakkaat van Verlatinghe tien zwarte jaren van oorlogsgeweld, vernietiging en onderdrukking doormaakte. Het hertogdom ging door eenzelfde hel als Brabant, en werd net als Brabant uiteindelijk tegen wil en dank opgedeeld in een deel onder de Republiek en een deel onder Spanje.

Demarcatielijn
Over de vraag hoe cynisch Willem van Oranje als leider van de opstand te werk ging, kun je verschillend denken. Inderdaad liep er in Brabant van alles mis. Het resultaat daarvan was een slepende en bloedige strijd waarvan vooral de Brabanders het slachtoffer waren. Dat Antwerpen, bakermat van de opstand, in 1585 door de Spanjaarden werd heroverd en dat de demarcatielijn tussen Republiek en Spanje uiteindelijk het noordelijke deel van het hertogdom Brabant doorsneed, betekende een enorme terugslag voor de hervormingsgezinde aspiraties in het zuiden. Willem van Oranje en de zijnen kozen in 1587 voor de Republiek van de Zeven Verenigde Nederlanden en lieten de zuidelijke gewesten aan Filips II. Dat mag als opportunisme worden uitgelegd, maar het is wel de vraag wat er nog meer aan oorlogsinspanningen met de bijbehorende tol aan economische en menselijke schade voor nodig zou zijn geweest om die ontwikkeling te keren, als dat al een haalbare kaart was.

Brabant – geen deel van de nieuw uitgeroepen natie – was vanaf dat moment gedoemd als militaire buffer te fungeren waar de strijd tussen het katholieke, Spaans-Habsburgse monarchie en de gereformeerde opstandige Republiek voor het belangrijkste deel werd uitgevochten. Dat zou meer dan een halve eeuw duren, totdat bij de Vrede van Münster in 1648 het noordelijke deel – het huidige Noord-Brabant – als een soort kolonie aan de Republiek werd toegevoegd. Juist dat gedeelte van het hertogdom dat uiteindelijk tot Nederland zou gaan behoren, heeft waarschijnlijk het hardst geleden onder het uiteenvallen van het bondgenootschap van de zeventien gewesten.

De uitputting in menselijk en economisch opzicht is nauwgezet becijferd en in kaart gebracht door de historicus Leo Adriaenssen (1945-2012). In zijn promotieonderzoek, getiteld Staatsvormend geweld (2007), stelt hij vast dat het platteland van de Meierij vanaf 1579, toen ’s-Hertogenbosch de kant van Spanje koos, in de praktijk door de Staatsen bezet gebied was. De beginfase van die bezetting bestond uit een jarenlang durende verschroeide-aardecampagne, bedoeld om ’s-Hertogenbosch ten val te brengen, wat niet lukte. Vanaf 1588 werd het gebied vanuit grensgarnizoenen uitgeperst via een bezettingsmacht die belasting hief, personen- en goederenvervoer controleerde en toezicht hield op de militaire onderdrukking van de bevolking. Na de val van ’s-Hertogenbosch had het gebied te maken met twee overheden die allebei belastingen hieven.

‘Het waren perioden van materiële en sociale verwoesting, politieke ontrechting en fiscale afpersing. Rond 1600 was de rentabiliteit van de roggebouw, die in de meierij het belangrijkste bestaansmiddel was, als gevolg van de braak [het braak liggen van het land; red.], de hoge belastingen en de risico’s van het goederentransport gedaald met meer dan de helft ten opzichte van de 50 jaar ervoor. (…) De bevolking van de meierij heeft de bevrijdingsoorlog tegen Spanje, die de hare niet was, moeten betalen met een demografisch verlies dat op het dieptepunt was opgelopen tot bijna 70 procent’, schreef Adriaenssen in zijn boek (pp. 422-423). De Staatsen volgden in de meierij een opzettelijke politiek van uithongering. Stelselmatig werden oogsten verwoest, landerijen onder water gezet en dorpen platgebrand. Adriaenssen stelt Willem van Oranje, en zijn zoons Maurits en Frederik Hendrik hiervoor verantwoordelijk.

Gewetensvrijheid
In hoeverre men Willem van Oranje verantwoordelijk kan stellen voor godsdienstige intolerantie, zoals Van Dijck doet, is de vraag. Het staat vast dat hij zijn Geuzen voorhield bij hun veroveringen gewetensvrijheid te respecteren. Dat hield onder meer in dat kerkplunderingen en vervolging van katholieken om hun geloof moesten worden vermeden. Maar het gezag van de prins had beperkte zeggingskracht onder zijn radicale aanhang, getuige onder andere de marteldood in 1572 van negentien Gorkumse katholieke geestelijken die in handen waren gevallen van de Watergeuzen van Lumey.

Waar gewetensvrijheid uiteindelijk wel werd gerespecteerd, betekende dat overigens nog geen vrijheid van godsdienstuitoefening. In de Republiek werd alleen de gereformeerde religie nog officieel toegestaan. Van Dijck heeft gelijk als hij schrijft dat de katholieken hun kerken kwijtraakten en uit openbare ambten werden geweerd. Die achterstelling heeft in ieder geval voortgeduurd tot de Franse tijd. In de veroverde gebieden van Brabant, waar het merendeel van de bevolking katholiek bleef, zette dat bij velen kwaad bloed. Voor hen kwam de Bataafse Republiek als een bevrijding.

Klik hierboven om driemaal ‘de boekenkist van Hugo de Groot’ te zien.

Dat Van Dijck de geïnstitutionaliseerde ‘koloniale houding’ van de gereformeerde Hollanders tot in de twintigste eeuw laat doorlopen is natuurlijk een bizarre overdrijving. Hij doelt kennelijk op de tot 1983 in stand gehouden afkoopsommen van de Nederlandse staat aan de hervormde kerk wegens onteigeningen in de Franse tijd. Maar die deden niets af aan de feitelijke gelijkstelling van religies in 1795, opnieuw bekrachtigd in de grondwetswijziging van 1848. En hij gaat eraan voorbij dat de roomse zuil halverwege de twintigste eeuw allang een indrukwekkende emancipatiebeweging achter de rug had, die er bijvoorbeeld toe leidde dat de Katholieke Volkspartij in die jaren veruit de grootste politieke macht van het land was.

Roemrijk
Hoewel de critici dus ook zelf chauvinistisch dan wel nationalistisch ingegeven vooroordelen niet altijd lijken te vermijden, hebben zij wel een punt. Het ‘Pronkstuk van Nederland’ en de deelname en uitverkiezing van een omstreden stuk als het ‘Plakkaat van Verlatinghe’ passen in een verdachte trend van de laatste jaren. Een uitdijend gezelschap van historici en politici heeft de canon ontdekt als een handige voorraadkast waaruit men naar believen onderwerpen kan kiezen, die, ontdaan van hun complexe en genuanceerde context, als ‘pronkstuk’ kunnen dienen als er weer eens wat nationale trots nodig lijkt. Op basis van bedenkelijke interpretaties van de geschiedenis tovert men de Nederlanders zo een roemrijk nationaal verleden voor waarop zij trots zouden moeten zijn.

Het begon in 2006 – de canon was nog in de maak – nog betrekkelijk onschuldig met Balkenende, die bij de Algemene Beschouwingen de ‘VOC-mentaliteit’ aanprees als lichtend voorbeeld voor de natie. Met voorbijgaan aan de koloniale uitbuiting waaraan men het toenmalige economisch succes dankte, propageerde hij de ondernemingszin van de Verenigde Oostindische Compagnie die Holland de Gouden Eeuw had gebracht. Balkenende toonde zich verbaasd toen uit de Kamer, maar vooral vanuit de samenleving, verontwaardigd op zijn kortzichtige voorstelling van zaken werd gereageerd. Dat was allemaal niet zijn bedoeling geweest, bezwoer hij. Hij had alleen maar willen onderstrepen dat Nederland minder naar binnen gekeerd moest zijn en over de grenzen heen moest kijken, met name in de samenwerking binnen Europa. Een boodschap waaraan je je eigenlijk geen buil kon vallen. Maar waarom dan toch zo’n historisch foute nostalgisch-chauvinistische toonzetting?

In 2008 waren het Wilders en Bosma van de PVV die in een stuk in de NRC en De Standaard het Plakkaat van Verlatinghe en de Geuzenvlag (‘oranje, blanje, bleu’) van stal haalden als bewijs dat Vlaanderen bij Nederland moet worden gevoegd. In Nederland sprak men schande van de verwijzing naar die ooit door de NSB voor hetzelfde doel gebruikte vlag. In België werd het artikel vooral weggehoond vanwege een voor onze zuiderburen nogal denigrerende geschiedvervalsing: niet de opstand van de Belgen tegen de Hollanders in 1830, maar ‘een historische blunder, verzonnen door buitenlandse diplomaten’ was volgens Wilders en Bosma de oorzaak geweest van de Belgische afscheiding.

Acht jaar later was het Plakkaat van Verlatinghe ook in meer traditionele politieke partijen doorgedrongen als voer voor nationalistische propaganda. Sybrand Buma van het CDA verklaarde in 2016 in de NRC over het Plakkaat, dat hij er ‘de wortels van onze waarden’ in zag: ‘Ons normbesef komt voort uit historische waarden. Onafhankelijkheid, vrijheid, inspraak, geen vervolging vanwege godsdienst. Dát is de geschiedenis waar Nederland uit voortkomt, en dat mogen we best wat meer uitdragen.’

De opstandige Republiek als kraamkamer van inspraak en godsdienstvrijheid? Wie de geschiedenis serieus onder ogen ziet weet wel beter. Beslissingsrecht tijdens de Republiek was exclusief voorbehouden aan een kleine bovenlaag. En zoals we hierboven zagen was het – jammer voor Buma’s nationale trots – de Franse bezetter die hier, ruim tweehonderd jaar na het Plakkaat, voor het eerst vrijheid van godsdienst introduceerde, zeer tot ongenoegen van de gereformeerde elite.

Frans Godfroy bij de Sint-Leonarduskerk, bijgenaamd ‘Kathedraal van de Heide’, in Sint-Lenaarts (gemeente Brecht). De kerk ligt op de vluchtroute van Hugo de Groot naar Antwerpen. Foto Piet den Blanken

Canonmusea
Dezelfde Buma lanceerde bij de kabinetsformatie van 2017 trouwens het onzalige plan, inmiddels omarmd door het nieuwe kabinet, om alle schoolkinderen verplicht naar het Rijksmuseum van Amsterdam te sturen waar ze zich dan de canon van Nederland zouden kunnen eigen maken. Die verplichte excursie moet onderdeel worden van een ‘Hollands schoolpakket’. Let vooral op de term ‘Hollands’.

Twaalf musea elders in het land reageerden hierop met een stuk in de NRC getiteld ‘De Canon vind je ook in je eigen buurtmuseum’. Zij besloten om als ‘canonmusea’ te gaan samenwerken om dat idee over het voetlicht te brengen. Op het eerste gezicht lijkt dit een aardig initiatief, omdat het natuurlijk grote flauwekul is dat het Rijksmuseum in Amsterdam het alleenverkooprecht van de geschiedenis van dit land zou hebben. Maar bij nadere beschouwing blijkt ook met dit brede samenwerkingsverband iets merkwaardigs aan de hand. Ten zuiden van de lijn Delft-Arnhem doet er namelijk geen museum mee. In de loop van 2018 wil men het verband weliswaar uitbreiden met nog eens tien musea, maar met uitzondering van het Watersnoodmuseum in Ouwerkerk op Schouwen-Duiveland nog steeds allemaal in Noord-Nederland. Is dat sektarisme van de samenwerkende musea, of sufheid van de zuidelijke collega’s? Het valt zeker niet uit te sluiten dat de musea in Noord-Brabant en Limburg niet op hun qui-vive zijn, maar het kan ook zijn dat ze niks moeten hebben van die Hollandse fratsen.

Het is hoe dan ook nogal intrigerend dat de scheidslijn waarachter de samenwerkende canonmusea zich verschansen nagenoeg de Biblebelt volgt. Een scheidslijn waarvoor en waarachter de geschiedenis in veel opzichten een verschillend verloop heeft gehad. En nu gaan 22 musea ten noorden daarvan dus de canon van Nederland onder de schooljeugd uitdragen. Buma en de zijnen kunnen gerust zijn: zo wordt het vast wel een ‘Hollands’ schoolpakket…

Een portret van Hugo de Groot, geschilderd door Michiel Jansz van Mierevelt (1566 – 1641).

Wat heeft dit allemaal met Hugo de Groot te maken? Heel veel. In de eerste plaats heeft die Republiek der Verenigde Nederlanden waar men nu zo trots op is schaamteloos de vloer aangeveegd met Hugo de Groot, die in de canon opmerkelijk genoeg even zo gemakkelijk als nationale held wordt neergezet. De reden voor zijn vervolging, gevangenneming en levenslange ballingschap was dat hij met zijn medestanders tolerantie voorstelde. Hij vond het wel zo raadzaam om binnen de voorgeschreven staatsgodsdienst op één fel omstreden geloofsartikel, namelijk de predestinatieleer, eenieder de ruimte te gunnen om voor de ene of de andere uitleg te kiezen: dat zou de jonge republiek een hoop ellende kunnen besparen. Helaas, de ayatollah’s van de Dordtse Synode, die in het theocratische bestel van die tijd de touwtjes in handen hadden waaraan voorheen de Inquisitie had getrokken, dachten daar anders over. Stadhouder Maurits, nog opportunistischer in zijn streven naar macht dan zijn vader Willem van Oranje, gaf die scherpslijpers ruim baan. De predikanten die de gematigde remonstrantse uitleg van de leer aanhingen, werden verbannen, Hugo de Groot en zijn kompaan Hogerbeets werden na een showproces levenslang opgesloten en Oldenbarnevelt werd onthoofd. Hoezo godsdienstvrijheid?

Boekenkist
Er is nog een verband. Dat is de kandidatuur in het ‘Pronkstuk van Nederland’ van de boekenkist waarin Hugo de Groot op 22 maart 1621 uit Loevestein ontsnapte. Die kist was als museaal voorwerp – dat was een vereiste – ingebracht door Museum Prinsenhof in Delft, een van de canonmusea. Al langer is dit museum met zijn boekenkist in de weer. In 2013 zamelde het nog 2100 euro in als bijdrage voor de restauratie, maar tijdens die klus stelde een onderzoeksteam vast dat dit vrijwel zeker niet de originele kist van de ontsnapping is. De onderzoekers waren aan de slag gegaan om voor eens en voor altijd uit te maken in welke boekenkist Hugo de Groot is gevlucht. Verschillende musea beweren namelijk de enige echte kist in bezit te hebben. De conclusie was dat hoogstwaarschijnlijk geen van die kisten de echte was. Het stond bij aanvang van het onderzoek vast dat al tijdens het leven van Hugo de Groot de kist, die toen werd bewaard door zijn familie, zoekraakte. Het Prinsenhof claimde dat hun kist afkomstig is uit het bezit van de familie De Groot. Maar volgens de onderzoekers is juist die afkomst een aanwijzing dat dit de kist niet is, omdat uitgerekend de familie hem kwijtraakte.

Een flinke tegenvaller voor Museum Prinsenhof, want de kist was de belangrijkste publiekstrekker na het gat in de muur dat Balthazar G., de moordenaar van Willem van Oranje, bij een van de trappen had veroorzaakt. In het businessplan zal de kist toch minimaal voor enkele tientallen procenten van de recette staan ingeboekt. Tot op de dag van vandaag doet het museum dan ook verwoede pogingen de aandacht op zijn kist gevestigd te houden. Op de website staat een vage tekst waaruit de argeloze lezer zou kunnen opmaken dat óf de kist van het Rijksmuseum óf die van het Prinsenhof waarschijnlijk ‘de echte’ is. De conclusie van de onderzoekers die impliceert dat waarschijnlijk geen van beide dé kist is, wordt daar verzwegen.

Hugo de Groot verstopt zich in de boekenkist, op een anonieme prent die werd gemaakt door een anonieme tekenaar in de negentiende eeuw.

In 2017 werd in een tentoonstelling in Museum Prinsenhof ook de kist van Loevestein neergezet, waarvan zeker is dat die te jong is om door Hugo de Groot te zijn gebruikt. Nu heette het dat een nieuwe invalshoek was gekozen waarbij de voorwerpen als ‘reliek’ moeten worden gezien, of ze nu ‘echt’ zijn of niet. Ook Hans Goekoop van het tv-programma Andere Tijden vond dit toch echt te veel eer: ‘Het is nog wel logisch om bijvoorbeeld een geuzenglas als reliek te zien. Maar het paardenhaar uit de zitting van een stoel waar Johan van Oldenbarnevelt op gezeten zou kunnen hebben? Dat wordt wel dubieus, om niet te zeggen: onsmakelijk.’

Echt of niet, het weerhield het Prinsenhof er niet van de boekenkist van Hugo de Groot in te brengen als kandidaat voor het Pronkstuk van Nederland. We hadden dus zomaar de potsierlijke uitverkiezing van een niet bestaand voorwerp als belangrijkste museumstuk van het land kunnen meemaken.

Reflex
Er zijn in de loop van de geschiedenis al tientallen boekenkisten van Hugo de Groot opgedoken. Geen daarvan heeft stand gehouden. Ongetwijfeld zullen er claims blijven langskomen. Onlangs nog schreef Charlotte Mutsaers in haar nieuwe boek Harnas van Hansaplast dat de kist in het bezit van haar familie is. Natuurlijk moeten we bij Mutsaers dan ook nog de slag om de arm houden dat de literaire waarheid de echte waarheid in de weg zit.

Dat gedoe met al die kisten is wel begrijpelijk. Het is immers de boekenkist waaraan Hugo de Groot de meeste bekendheid heeft te danken. Aan iedereen tegen wie ik de afgelopen jaren over Hugo de Groot begon – en dat heb ik nogal eens gedaan – ontsnapte bij wijze van reflex pardoes het woord ‘boekenkist’. Henk Nellen, de hedendaagse biograaf van De Groot, liet in een interview al eens weten dat woord niet meer te kunnen horen. En ja, stel je alleen maar voor met welke flauwiteiten die op verjaardagsfeestjes altijd maar weer wordt verwelkomd. Volgens Nellen beneemt de kist het zicht op de ware betekenis van Hugo de Groot. Ik zou het toch liever wat pragmatischer benaderen: Gebruik de kist als aanleiding om de rest van het verhaal te vertellen.

Dat is dan ook precies de bedoeling van het Hugo de Groot Pad. De reconstructie gebruikt het verhaal van de boekenkist als aanleiding, maar plaatst het in zijn veel bredere, historisch relevante betekenis. Centraal staat die gedenkwaardige nachtelijke vlucht van 22 op 23 maart 1621. Niet alleen de complete route van Loevestein tot Antwerpen werd gereconstrueerd, maar ook het hele verloop van de vlucht: het tijdschema, het barre weer en de duisternis, de toestand van de wegen en de door oorlogsgeweld geteisterde dorpen, de ontmoetingen en de helpers, het vervoer op een kar, De Groots dubbele vermomming en zijn ontmaskering kort voor zijn aankomst in Antwerpen. En de vlucht wordt geplaatst in de geschiedenis eromheen. Wat ging er aan de boekenkist vooraf? En hoe verging het De Groot na zijn ontsnapping?

De gids voor het volgen van het Hugo de Groot Pad.

De vraag zou kunnen rijzen of je met zo’n stukje ‘belevingsgeschiedenis’ niet opnieuw een episode uit de canon uit zijn verband rukt om er een dubieus pronkstuk van te maken. Dat gevaar is niet denkbeeldig. Maar het is te vermijden zo lang we maar acht blijven slaan op de vele pro’s en contra’s die we bij het historisch onderzoek telkens weer tegenkomen, en op de vragen die daarbij te stellen zijn. Zo doen we er goed aan, ondanks De Groots reputatie als ijveraar voor de vrede, oog te blijven houden voor diens medeplichtigheid aan de bovenbeschreven oorlog, voor diens aarzeling bij Oldenbarnevelts plan voor een bestand – dat er in 1609 daadwerkelijk kwam en dat ironisch genoeg de val van De Groot en Oldenbarnevelt inluidde – en voor zijn latere inspanningen als Frans ambassadeur van het koninkrijk Zweden om Frankrijk bij de Zweedse oorlog tegen het Habsburgse Rijk te betrekken. Richelieu stemde daar uiteindelijk mee in, waarmee de oorlog oostelijk van de Nederlanden escaleerde naar de Dertigjarige Oorlog die voor de Duitse bevolking jarenlange rampspoed tot gevolg had. De Groot verdedigde die stap met de redenering dat de Habsburgers eerst moesten worden teruggedrongen om daarna tot een aanvaardbare vrede te komen. In de context van de geschiedenis misschien te begrijpen. Maar iets om trots op te zijn?

Voetstuk
Waarmee we aan de kern van het probleem raken. Op het moment dat gebeurtenissen en episoden uit de geschiedenis op een voetstuk worden gezet om er met ‘met z’n allen’ trots op te zijn, gaat het mis. Bijna altijd heeft die trots namelijk betrekking op militaire, politieke of economische triomfen waarbij andere betrokkenen hoofdzakelijk negatieve gevoelens hebben. ‘Wij Nederlanders hebben altijd wat moeite om trots te zijn op daden uit het verleden’, klaagt Paul Brood van het Nationaal Archief in zijn verdediging van het Plakkaat in de NRC. Maar hij vergeet zich af te vragen wie hij met ‘wij Nederlanders’ bedoelt en of alle Nederlanders wel allemaal dezelfde redenen hebben om trots te zijn.

Politici die denken gemeenschappelijke identiteit naar boven te kunnen halen met chauvinistische of nationalistische campagnes, stappen moeiteloos over zulke details heen. Maar wie het goed voorheeft met historisch onderzoek en onderwijs zou zich honderd keer moeten bedenken voordat hij zich aan dit soort campagnes uitlevert. Historici die worden gevraagd voor een geschiedenisprogramma op televisie met de titel ‘Pronkstuk van Nederland’ zouden alleen al bij het horen van die naam voor de eer moeten bedanken. Het is hun taak niet trots op wat voor verleden dan ook aan te wakkeren, noch bij zichzelf noch bij anderen. Zij horen historisch besef te kweken. Dat is iets heel anders. En als zij desondanks van mening zijn historische feiten te kunnen aandragen waar we ‘met z’n allen’ trots op kunnen zijn, zouden ze zich eerst en vooral moeten afvragen of ze hun werk wel goed hebben gedaan.

Frans Godfroy, Hugo de Groot Pad. Historische wandel- en fietsroute. Utrecht: Uitgeverij IJzer 2017, 128 pp. ISBN 978-90-8684-156-1, pb., € 15,00.

www.uitgeverij-ijzer.nl

www.hugodegrootpad.nl

www.pronkstukvannederland.nl

www.leoadriaenssen.nl

www.canonvannederland.nl

www.prinsenhof-delft.nl

 

 

© Brabant Cultureel 2018