Column: Koffie

door JACE van de Ven

Alweer een paar weken geleden – maar dat maakt niet uit, dit stukje gaat niet over modes of  tijdgebonden grillen – reageerde Tony van der Meulen in een column in het Brabants Dagblad op een interview dat commissaris Wim van de Donk ergens gegeven had. Onze provinciale landvoogd had daarin kennelijk gezegd dat hij zich in Antwerpen meer welkom voelde dan in Den Haag waar er met moeite een kopje koffie vanaf kan, en ook dat hij liefdevolle gevoelens koesterde voor de provincie waar hij geboren is.

In de column van Van der Meulen, die ik niet letterlijk kan citeren omdat hij tamelijk snel in onze papiercontainer belandde, werd, herinner ik me, nogal laatdunkend gedaan over dat kopje koffie en die genegenheid voor Brabant. Je kon toch maar beter zonder koffie zo rationeel mogelijk de wereld inkijken, elke gemoedsaandoening was verdacht. Voor – ik schat de vierde keer in de vijfentwintig jaar dat hij columns schrijft in het Brabants Dagblad – haalde hij de dichtregel van Harriet Laurey ‘Op weg naar Brabant wordt de wereld warmer’ aan als voorbeeld van vals sentiment.

Dat mag allemaal zo zijn en misschien ben ik wel een stiekeme chauvinist, ondanks dat ik niet van chauvinisten houd, maar mij lijkt er niets verkeerd aan een bestuurder met enige affectie voor datgene dat en diegenen die hij bestuurt. Sterker nog: Graag!

Tony van der Meulen is een Fries die een kwart eeuw geleden naar Noord-Brabant kwam afgezakt om, zo vertelde hij toen in een interview in het Brabants Dagblad, er na uiterlijk zes jaar weer te vertrekken. Want na een dergelijke tijdsperiode moet je steeds iets heel anders gaan doen, wil je niet inkakken. Klonk heel energiek.

Vijfentwintig jaar later woont Van der Meulen nog steeds in Brabant en is hij nog steeds niet ingekakt. Twee rationele voornemens van hem blijken empirisch aantoonbaar niet in praktijk gebracht. Waarom? Heeft het virus der liefde voor de woonomgeving hem aangestoken? Zou zomaar kunnen, want liefde voor je woonomgeving is net zo natuurlijk als die voor je geboortegrond of moedertaal. Ach, die plek op aarde waar je woont, met zijn regionale gebruiken, vaak zo vertederend! Neem Friesland met zijn Elfstedenkoorts na elk eerste nachtvorstje of het luidkeels zingen van het Friese volkslied. Hoe sentimenteel dat ook is, in het stadion van Heerenveen. Aandoenlijk toch?

Uit het feit dat hij het serveren van een kopje koffie en iets lekkers bij onderhandelingen verdacht vindt, blijkt dat Van der Meulen met de regionale gebruiken van onze provincie nog niet zo heel veel op heeft. Ook woont hij hier waarschijnlijk niet om de Brabanders. Toen toenmalig adjunct-hoofdredacteur Jacques Luijckx, ook van Friese afkomst, hem na een jaar Brabants Dagblad tijdens een informeel gesprek, vroeg “Hoe bevalt het je hier?”, antwoordde Tony: “Brabant is aardig, maar die Brabanders! Verschrikkelijk.”

Ik heb dat altijd onthouden, omdat ik het zo raar vond dat iemand die in zijn columns en artikelen altijd op zoek is naar de ratio achter de dingen ook vooroordelen kan hebben. Hopelijk is zijn mening ruim twintig jaar later wat milder, of beoordeelt hij iedere mens nu meer als individu in plaats van zulke generaliserende uitspraken te doen. Bij het lezen van zijn column over het interview met Van de Donk kwamen deze gedachten bij mij op. Ik vond Van der Meulens tekst zo zuinig, zo calvinistisch, zo Noord-Nederlands katholiek, zo beledigend naar onze Commissaris van de Koning. Het leek alsof hij vindt dat als je gastvrij bent, je niet integer zaken zou kunnen doen. Quod non. Verre van. Allesbehalve.

Man, vat een Beerenburg, dacht ik. Is er iets mis mee om van je geboortegrond te houden? Verstandige mensen kunnen dat heel goed zonder Blut-und-Bodensympathieën te koesteren. Sterker nog, mij lijkt er eerder is mis met iemand die geen natuurlijke sympathie voor zijn eigen afkomst kan opbrengen. Het lijkt mij zoiets als niet kunnen ruiken en daardoor een deel van de smaak missen die nodig is om iets volledig te ervaren.

“Koffie met een Bossche bol? Hoe is het thuis? En met de gezondheid? Dat nieuwe bier van ons, daar zij we zo trots op. Ik geef je straks een flesje mee voor thuis. Maar eerst serieus, we moeten samen een paar harde noten proberen te kraken. We keren ons even tot de koele ratio…”

Column van Tony van der Meulen

 

© Brabant Cultureel 2017

 

 

Eén reactie op “Column: Koffie”

  1. Frans Godfroy schreef:

    Tony van der Meulen zet niet alleen Van de Donk ten onrechte in een verdachte hoek, maar ook dichteres Harriet Laurey. Nu zij zich niet meer kan verdedigen (zij overleed in 2004), neem ik het voor haar op.
    Van der Meulen schrijft: ‘Hiermee belanden we in de wereld van het gevoelsmatige gemis aan nestwarmte dat nogal wat Brabanders overvalt als ze de Maas oversteken, naar de gure moerassen van het noorden. Daarop doelt ook de hier zo gekoesterde dichtregel van Harriet Laurey: “Op weg naar Brabant wordt de wereld warmer”.’
    Van der Meulens uitleg is vilein, maar hij heeft er ook weinig van begrepen. Die dichtregel doelt absoluut niet op gemis aan nestwarmte in het noorden. Dan had er wel gestaan: ‘Op weg naar Holland (of eventueel: naar Friesland) wordt de wereld killer’ of woorden van gelijke strekking. Maar zo zat Harriet Laurey niet in elkaar. Ze was beslist niet provinciaals, laat staan bekrompen. Laurey was weliswaar Brabantse (geboren in Eindhoven), maar verhuisde in 1950 op 25-jarige leeftijd uit eigen beweging naar Amsterdam en later naar Haarlem, waar ze als dichteres nieuwe banden smeedde. Ze werd lid van de Haarlemse sociëteit Teisterbant die o.a. Godfried Bomans, Lodewijk van Deyssel, Mari Andriessen en Anton Heyboer onder haar leden telde. Als haar echtgenoot Ton Neelissen in 1985 niet een baan in Tilburg had gekregen – Harriet was toen 60 – zou ze waarschijnlijk niet naar het zuiden zijn teruggekeerd.
    Kende ze heimwee naar Brabant? Zeker. Maar daar was geen spoor van rancune tegenover het noorden in te ontdekken. Haar heimwee was zuiver op de graat. Zij nam met haar poëzie juist afstand van het valse sentiment en de bombast van het vooroorlogse Brabantia Nostra, dat de Brabantse volksgemeenschap verheerlijkte en terugverlangde naar de tijden van Hertog Jan.
    Laurey bekent in het betreffende sonnet haar liefde voor het Brabantse landschap en het Brabantse dagelijkse leven van haar jeugd. En het is er nog, stelt ze vast als ze het in 1955 publiceert, want het staat in de onvoltooid tegenwoordige tijd. Zij ziet het in het zonlicht door de populieren, en in de glimlach van haar Brabantse vrienden.
    Maar beter is het, het sonnet te lezen zoals zij het heeft opgeschreven, want het is ook nog eens heel mooi. Zou het kunnen dat ook daardoor die door Van der Meulen verdacht gemaakte versregel ‘hier’ zo wordt gekoesterd?

    Op weg naar Brabant wordt de wereld warmer,
    Inniger leven doet zich aan mij voor,
    Vanuit de lage hoeven dringt het door
    En rekt zich uit in de gestrekte armen

    Van populieren, duizelend van licht.
    Dit licht, ik kom het in de mensen tegen.
    Ik zie het in hun oogopslag bewegen
    En rimpels krijgen op een oud gezicht.

    En nergens is het kinderlijk geluid
    Zo zuiver afgestemd op vogelzingen,
    En nergens komen de gewone dingen
    Zo openhartig voor zichzelve uit.

    En nergens ligt een glimlach zo gereed
    Als waar de wereld land van Brabant heet.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.