Martijn Benders schrijft poëzie tegen de onvolmaaktheid van de wereld

‘Nachtefteling’ is de prikkelende titel van de nieuwe dichtbundel van Martijn Benders. In een nawoord beschrijft Benders de bundel als een grimoire. De inhoud is duister, maar ook vol humor en een intelligent woord- en klankspel.

door Lauran Toorians

Martijn Benders (Mierlo 1971) is een productief schrijver van vooral poëzie, maar draait ook voor proza zijn hand niet om. Zijn nieuwste bundel draagt de wonderlijke titel Nachtefteling. Wijst die vooruit naar de wens van het themapark om niet alleen het jaar rond, maar ook de klok rond open te zijn? Of speelt Benders hier met de duistere kanten van de vermaakindustrie en het feit dat voor sommigen ‘Efteling’ een effectief scheldwoord is?

Brief
Op het eerste gezicht heeft de bundel inhoudelijk niets met de Efteling te maken en is de titel een willekeurige aandachttrekker. Pas in een ‘Brief’ die als een nawoord de bundel afsluit, lezen we:

‘Toen ik zestien jaar oud was kwam ik met enige regelmaat bij Hein, de kunstacademie student. Hij draaide platen van Laibach en zijn afstudeerproject behelsde het plan alle Eftelingkabouters blauw te gaan verven ’s nachts. Daar zijn we toen nog voor op verkenning geweest.

De conclusie was al snel dat het project ondoenlijk was, zoals zoveel ondoenlijk is in vroege mensenjaren. Uit balorigheid hebben we toen ’s nachts een Jezusbeeld op een kerkhof blauw staan schilderen. Maar de volgende ochtend was het beeld meteen al weer wit.’

De bundel, hier omschreven als een ‘grimoire van nieuwe gedichten’ zou zijn ontstaan in de wanen tijdens het afkicken van een benzodiazepineverslaving waarin de auteur geobsedeerd was ‘door het zakelijk plan van het openen van een Nachtefteling’ waarin hij ‘alle dichters van Nederland een baan zou verschaffen’. Het plan sneuvelt, maar de droom blijft: ‘Ik blijf er gewoon in geloven. Een plek waar al het groteske en buitenissige de ruimte krijgt, hier ga ik hem bouwen (…). En deze bundel dient u dan maar te beschouwen als een nietszeggende voorbode op de verwezenlijking, als een eerste, kleine verkenning.’ De lezer is dus gewaarschuwd. De nachtelijke Efteling is een sprookjesbos waarin ratten en vossen elkaar beconcurreren om de schillen en de dozen die Holle Bolle Gijs voor het slapengaan niet meer opkon.

Geesten
Een grimoire, overigens, is een boek met toverspreuken, amuletten en rituelen om geesten te bezweren. De geesten die Benders in deze bundel oproept, komen – zoals eigenlijk altijd – uit het verleden. Maar eerst vindt de dichter erbarmen bij het eten van bramen die hij ‘van zwarte kunst’ kan redden in een gedicht waarvoor hij inspiratie vond in het gedicht Blackberry Eating van zijn Amerikaanse collega Galway Kinnell. De braam die op zijn tong uiteen spat is als ‘een heksenmeester die zijn laatste, vermetele spreuk / als klaagzang over de stervende aarde laat galmen’. De grimoire opent en betoont zich meteen machteloos, weerloos.

In de gedichten die volgen maken we als eerste kennis met Martinus, de grootvader van een ik-persoon, die in de meidagen van 1940 in een bunker aan de Maas bij Gennep zonder het zelf te merken door de Duitse invallers werd omsingeld. En vervolgens letterlijk als een dief in de nacht naar huis sloop en zo ontsnapte aan krijgsgevangenschap. Vervolgens is er ‘mijn newtoniaanse vader’, een vader oude stijl die niet op veel sympathie kan rekenen. Ook met andere familieleden maken we kennis, zoals oma Mien en opa Hein, vermeend eigenaar van het Gardameer, wiens hobby het was om met onbekende vrouwen op de foto te staan. En dit alles in een dada-achtig spel met taal en een onwaarschijnlijke woordenschat die de dichter volgens het nawoord dankt aan een autistische zus, ‘een goede leesstimulans’. Associatief en speels zijn de gedichten allemaal en de lezer mag wroeten of er in dat spel ook nog betekenis verborgen ligt. Of dat het alleen gaat om de magie van de klanken. Illustratief is het begin van ‘Anesthesia’:

Hoe graag nam ik een gedicht mee terug uit Anesthesia.
Dat ik jullie aan de hand van Psychopompus
kon laten dwalen waar landen en mensen ophouden

Waar witte wolven dommelen onder een narcotisch maantje.
bloemen mondkapjes dragen in alle kleurvergis.

Klassieken
De eerste afdeling in de bundel draagt de titel NOKS, de tweede ELPH, de derde TOELINK. Die titels spelen uiteraard met de titel Nachtefteling, maar hoe deze woorden zich tot elkaar verhouden, wordt nergens expliciet. Ook hier moet de lezer raden en zelf invullen. De gedichten die onder ELPH zijn gerangschikt lijken een vrije en nogal zwaarmoedige variant op het lange gedicht Narrenwijsheid van J.C. Van Schagen. Of die associatie – mijn associatie – hout snijdt, is niet zeker, maar Benders kent zijn klassieken van Couperus, Van Ostaijen en Lewis Carroll tot Lovecraft en Aphex Twin. Ook Marten Toonder en Christian Morgenstern zijn nooit ver weg. Een enkele keer slaat de meligheid toe, zoals in het gedicht ‘Hoeveel Lebensraum / kan een spatie uitdrukken?’ waarin de spatie de hele pagina in beslag neemt. Dat is flauw, al te flauw.

In de afdeling TOELINK duikt in het gedicht Stilleven met asteroïdengordel en nachtlampjes tweemaal een eenhoorn op, in de vorm van een hiëroglief of emoticon:

Zelf zou ik mijn bibliotheken in de asteroïdengordel opzetten.
Dan daagt de kans dat ooit een boek op aarde inslaat.
Maar dan nog moet je ze een zetje geven. en wat voor zetje! [eenhoorn]

Wat die eenhoorn daar doet, blijft duister. Een vimeofilmpje op Benders’ website (‘Fliermans Passage Boektrailer’) waarin een eenhoorn figureert, bevat misschien de sleutel. Verstopt in dit filmpje zitten enkele regels uit de grote Hymn to Pan van Aleister Crowley: ‘The great beasts come, Io Pan! I am borne / To death on the horn / Of the Unicorn.’ Horens zijn om te stoten en in het geval van de eenhoorn gaat het dan niet om zomaar een zetje, maar om seks.

Jatwerk
Puur jatwerk is dan weer de parodie op het lied That’s Amore dat door Dean Martin werd gezongen in de film The Caddy uit 1953. Tal van varianten ervan zijn op het internet probleemloos te vinden. De toelichting achter in de bundel zegt hierover: ‘Het magische vierkant met nieuwe strofes voor “That’s Amore” is gecomponeerd door acht deelnemende internationale dichters. Drie regels zijn de mijne. U mag raden welke.’ Ik wil het niet weten en zie ook niet wat er magisch is aan deze tekst die dankzij de typograaf geen vierkant is, maar een rechthoek. Twee gedichten in de bundel zijn vertalingen van gedichten van de Georgische, in de VS wonende Nene Giorgadze. Zij maakte ook twee ‘magische vierkanten in het Georgisch’ waarvan er één in de bundel staat, en het andere op de achterkant. het kleinste ziet er zo uit:

ქ ა ლ ი
დ ა ნ ა
მ ა ლ ე
შ ა ვ ი

(‘kagi / dana / mage / shavi’) Dat ziet eruit alsof het uit een echte grimoire komt en of het ook nog iets betekent, blijft een raadsel. Schrijf het op het afgestroopte vel van een pad die bij volle maan is gevangen, verbrand vervolgens dat vel en roer de as in een glas goedkope whiskey dat in één teug moet worden leeggedronken. Beschrijf het visioen dat dit oplevert en de Nachtefteling komt er. Tot die tijd moet de lezer het doen met deze bundel die de zinnen prikkelt en de hersens pijnigt zoals goede poëzie dat hoort te doen.

Martijn Benders, Nachtefteling. Amsterdam: Van Gennep 2017, 85 pp., ISBN 9789461648082, pb., € 17,90.

www.uitgeverijvangennep.nl
www.martijnbenders.nl

 

Zie ook eerdere publicaties op Brabant Cultureel:

Dichtbundel van Martijn Benders toont fascinatie voor actualiteit en humor

Met Dante in de rugzak op weg naar Moskou

 

© Brabant Cultureel 2017