Een kat, een raadsel en een gift

door Herman Coenen

 

Gozer

Op het hout van de vloer lag een huid, lichtbruin en wit,
koe of geit, antilope misschien en daarop in slaapzakken wij
en jij in de trage zondagochtend er nog even bij, als kinderen
geschurkt aan elkaar, we knepen de ogen zo lang mogelijk dicht
tegen de te vroeg aansluipende dag. En ergens tussen onze lijven
hij, onder je hand, met zijn oude vacht altijd onder je hand,
altijd ergens, op je schoot, in een hoek van de kamer, in de groene
slingertuin, de geheimzinnige jungle die je voor hem had aangelegd
in het steen van deze metropool, dook hij op, zeewind in de fijne haren.

Waar was zijn miauw? Achter het verre donkere glas waaide een trompet,
in het stille huis tinkelde het zilver van jouw stem en hij, met het diepe
verstand van zijn dierlijke oren, altijd leek hij te luisteren, begrijpen.

 

 

Enigma

Hoe de schaduw valt van een koe
op het gras langs de bosrand,
het glas thee dat jij zette, hoe het stond
te dampen op het verbleekte hout, terwijl wij
elkaar aankeken en mijn oudste dochter belde,
ja kom maar, en gisteren jij, je stralende ogen,
het zoeken op de kronkelige paden, niet toen,
maar nu, wat nu? De vergelende boompjes
langs het spoor, het zonlicht strelend over de gevels,
stevige Oostenwind in de kruinen – is dit
oppervlakte, is dit kern en wat is toch
dit zintuig dat niet ophoudt als een magneet
de splinters naar zich toe te trekken van iets
dat het herkent en niet anders kan dan beminnen,
wetend dat alles vergaat, waarnemer en waargenomene
één in een onophoudelijk verdwijnen, het glas
dat zich leegt en steeds maar weer wordt gevuld
door een oneindig liefdevolle hand.

 

 

Sokołów Podlaski

Toen ik met A. de stad W. verliet, wisten we beiden van niets.
Ja, de richting, het Oosten, de hoofdweg naar de grens
en de naam van het plaatsje, Sokołów Podlaski, koester hem.
Na de laatste gebouwen, rechte straat met gaten in het asfalt,
witte berkenstammen, verlegen flarden gesprek, de lege ruimte.
Zo ver ben ik nooit geweest in de stilte van dit land,
onbekende namen, hier en daar een laag boerenhuis, akkers
en weer duizenden berken. In mijn binnenzak de envelop.
Koerier in barre tijden. Gedichten schreef ik mondjesmaat,
wel lange brieven overlopend van lyriek, ingehouden bevlogenheid.
De jonge arts aan het eind van onze reis, het armoedig hospitaal,
bedden met ijzeren spijlen in de gangen, bleke kindergezichten,
wist niet waar hij met zijn ontroering heen moest. Dit bedrag.
A. sprak, haar ronde stem met de zilveren kern, meisje,
de van zo lang geleden vertrouwde taal, onverstaanbaar,
geruststellend, emoties bezwerend. Hoe we weer terugkwamen,
het moet al donker zijn geweest, de brede straten vol bevroren stof,
de karige lantaarns, het koude trappenhuis, alles verdwenen.
Het geheugen wil nog maar weinig kwijt. Enkel het heldere groen
van de kleine dokterskamer, de stemmen, de smalle contouren
onder de schrale dekens, het besef een doorgeefluik te zijn
in een groot onoverzienbaar spel, o laat ons niet vergeten.

 

Herman Coenen (1946) is socioloog en oud-hoogleraar van de Universiteit voor Humanistiek (Utrecht) en woont in Tilburg. Hij publiceerde eerder gedichten en korte verhalen in literaire tijdschriften, eigen bundels en op cd. Hij publiceerde eerder in Brabant Literair.

 

hermancoenen.wordpress.com

 

 

© Brabant Cultureel – februari 2017

 

Getagt als