Metamorfose van Vilnius

Redacteur Camiel Hamans heeft op zijn buitenlandse reizen oog voor de bijzondere, historische details van land, stad of streek. In de toeristische folders vind je daar weinig of niets over. In deze aflevering beschrijft hij de verborgen, ongemakkelijke geschiedenis van Litouwen en het nieuwe Vilnius waar niet zo lang geleden de kippen nog over straat liepen.

door Camiel Hamans

‘What is in a name?’ laat Shakespeare Julia vragen. Het doet er niet toe, antwoordt ze zelf. ‘Als een roos anders heette, geurde hij toch nog even lieflijk.’ In poëzie wellicht, maar de werkelijkheid is prozaïscher. Bruxelles is een andere stad dan Brussel, Kaapstad is de Moederstad, terwijl Cape Town de op een na dichtstbevolkte stad van South Africa is en Sint Petersburg is niet meer het negenhonderd dagen omsingelde Leningrad.

Toch gelooft het toeristenbureau van Litouwen nog steeds heilig dat het Poolse Wilno, het Jiddische Wilne en het Russische, Wit-Rusissche en Duitse Wilna samenvallen met Vilnius, de quasi-Latijns aandoende naam die Litouws blijkt. Een stad met vele gezichten, suggereren de folders. Misschien klopt dat op het eerste gezicht ook wel. En de modale congresganger die het niet aandurft een paar lezingen op te geven voor een nadere inspectie op locatie, zal thuis ongetwijfeld bevestigen dat de stad een aangenaam oord is voor sightseeing en horeca.

Vilnius is een stad vol kerken, geen hoek om of er een staat een volgende, barok en rococo, maar ook een enkele die nog veel ouder is: gotisch en opgetrokken in rode baksteen. Religies in verscheidenheid. De meeste kerken zijn katholiek, maar wie door de pittoreske, kronkelige straatjes van het oude centrum zwerft, stuit ook op een Luthers gebedshuis, een immense, vervallen, maar in gebruik zijnde kathedraal van de Uniaten, Oosters-Katholieken die een orthodoxe ritus volgen maar wel het gezag van Rome erkennen, vervolgens een paar goed bezochte orthodoxe kerken en kloosters en tenslotte nog een enkele sekte.

Katholieke kerken
In de katholieke kerken wordt Pools en Litouws gepreekt, de Lutherse kerk wordt gebruikt door een internationale oecumenische gemeenschap – per slot van rekening wonen er 128 nationaliteiten in het huidige Vilnius, vertelt elke gids vol trots – en bij de Orthodoxen is het alles authentiek Russisch wat de klok slaat. Behalve de lichamen van de drie heilige martelaren die de kerk tentoonstelt in een glazen uitstalkast, hetgeen eigenlijk ondenkbaar is binnen de traditie van het Moskouwse patriarchaat. Normaliter zijn alleen de stoffen pantoffeltjes van de lijken zichtbaar, de rest is goed verborgen onder een kleurig, rijkversierd kleed. Alles wit, inclusief het schoeisel, met Kerst, zwart in het voorjaar en de rest van de tijd rood. Behalve op 26 juni, hun feestdag. Dan ligt het drietal ongekleed te kijk.

Een groep godshuizen ontbreekt: de synagogen. Er waren er meer dan honderd in het vooroorlogse Wilno. De stad behoorde toen tot Polen en Jiddisch was naast Pools de meeste gehoorde taal. Wilne werd het Jeruzalem van het Noorden genoemd. Want de stad is eeuwenlang een centrum geweest van joodse cultuur, met synagogen, een tiental jeshivas, waar volwassen joodse mannen en jongens lernden en hun dagen vulden met het bestuderen van Torah en Talmoed, waar vetes tussen chassidim en gewone orthodoxen uitgevochten werden en waar de joodse bevolking zelfs een eigen naam droeg: Litvak. Daarvan is vrijwel niets over, een kleine joodse gemeente van zo’n drieduizend zielen, terwijl dat er in 1939 een kleine honderdduizend waren. Bij de volkstelling van 1897 bleek Jiddisch de meest voorkomende moedertaal in Vilnius. Nu wordt die nergens meer gehoord. Zelfs het interne blad van de laatste nog functionerende joodse gemeente verschijnt in het Russisch.

De laatste synagoge in Vilnius.

De laatste synagoge in Vilnius.

Nog één synagoge
Er is één synagoge over, een vrij modern gebouw, stammend uit 1903 en dat zijn overleving te danken heeft aan het feit dat het zo bruikbaar was als lazaret voor de Duitsers. Dagelijks komt er een tiental stokoude mannen bijeen om het geloof levend te houden, maar als hun buskosten niet vergoed zouden worden door de joodse gemeenschap was het gedaan met de minjan. En of het hier echt gaat om Litouwse joden? Een groot deel van de gemeente bestaat uit Russische joden die hun toevlucht buiten Rusland gezocht hebben.

De vrouw van de voorzanger leidt enthousiast rond en vertelt dat de synagoge indertijd besteld was door een rijke Duitse familie die graag iets wilde bijdragen aan het Jeruzalem van het Noorden en tegelijk haar naam als mecenas probeerde te vestigen. De Duitse familie, die niet in Litouwen woonde, maar ergens meer dan duizend kilometer naar het westen, had geen idee van de Litvaktraditie met zijn houten schuurachtige synagogen en koos voor een eigentijdse Duitse architect, een zekere Daniel Rosenhaus. Vandaar het stilistisch mengelmoesje van het gebouw. Een strak vierkante opzet, maar druk versierd en geornamenteerd. Moors noemen Duitse architectuurboeken dit, hoewel het eerder een erfenis is van het Sefardische Jodendom dat natuurlijk geen enkele band met Litouwen heeft. Die Moorse stijl was toentertijd in de mode voor nieuwe Duitse synagogen, exotisch, oosters en absoluut onderscheiden van christelijke gebedshuizen. De ‘nieuwe’ Groningse synagoge stamt uit dezelfde school.

Rabbijnen
Het gebouw is eigenlijk niet orthodox genoeg klaagt de voorzangersvrouw, de goedgeefse Duitsers waren niet echt op de hoogte van de regels en sympathiseerden wellicht ook met de reformbeweging, maar om nu aan een monument te gaan sleutelen, dat is ook al zowat. Plus dat er natuurlijk geen geld is. De gemeente beschikt weliswaar sinds kort over twee rabbijnen, maar die moeten het hele land bestrijken, lesgeven, voorlichtingsbijeenkomsten organiseren, commentaar leveren op alles wat er wel en niet gebeurd en hebben geen tijd om daarnaast ook nog geldinzamelingen op poten te zetten.

Ogenschijnlijk lijkt het, zegt ze, veel beter te gaan met het Jodendom in Litouwen dan verwacht. Er is een joodse crèche, een basisschool en een gymnasium. Goede scholen, met prima resultaten en alles betaald door de staat, maar nauwelijks bezocht door joden. Van de 250 leerlingen van de basisschool zijn er naar haar mening, en die is niet die van een extremist of van iemand die de wetten zeer precies uitlegt benadrukt ze, hooguit vier of vijf echte joodse kinderen. De rest komt uit de buurt, omdat het zo’n goede school is. Dat deze niet joodse leerlingen dan ook nog hebreeuws moeten leren en joods onderricht krijgen, nemen ze op de koop toe.

De voorzangersechtgenote is orthodox en zal kinderen met alleen een joodse vader dus niet joods noemen. Het blijft echter moeilijk te begrijpen hoe een gemeenschap van drieduizend joden in Vilnius en nog een tweeduizend elders in het land een school met 250 kinderen kan bevolken.

Onzichtbaar
Joden zijn onzichtbaar in Vilnius en Litouwen. Er is een joods museum, er is een Holocaustmuseum en op een onlangs onbewoonbaar verklaarde woning in het oude ghetto is nog een vaag Jiddisch opschrift te lezen, maar wie naar Paneriai wil, de plek waar zeventigduizend joden en nog enige tienduizenden Polen en Russische krijgsgevangen zijn geëxecuteerd door de nazi’s en hun Litouwse handlangers, moet zelf initiatief ontplooien. Geen enkele gids verwijst ernaar, geen wegwijzer is te vinden en geen excursie wordt georganiseerd. En toch is Ponar, Ponary of Paneriai een goed bereikbaar voorstadje van Vilnius. De Russen waren daar, nadat ze na het sluiten van het Molotov-Ribbentropf pact de vrije hand in de Baltische staten hadden verkregen, bezig een opslagplaats voor olie aan te leggen en hadden al diepe kuilen gegraven voor ondergrondse tanks. Toen vervolgens de Nazi’s toch aanvielen, trok het Russische leger zich terug een aantal diepe kuilen en gaten achterlatend die perfect geschikt bleken om lijken te dumpen. De slachtoffers werden bijeengedreven in de gaten en daar vervolgens met automatische wapens ‘abgeknallt’. Paneriai is na het Oekraïense Babi Jar het grootste nazi-massagraf van Oost-Europa.

Voormalige Litvaks die de Litouwse nationaliteit terugwillen, kunnen daartoe een aanvraag indienen. De wet zegt dat wie onvrijwillig het land heeft moeten verlaten en vervolgens een andere nationaliteit heeft moeten aannemen, zijn oorspronkelijke Litouwse paspoort zonder veel gedoe kan terugkrijgen. Een uitkomst voor bijvoorbeeld Israëli’s die graag over een EU-paspoort willen beschikken. Hoewel. Als zij zich vervolgens melden, vraagt het ministerie waarom ze in de oorlogsjaren vertrokken zijn. Alsof het om een vrijwillige emigratie in plaats van een vlucht ging. Het antwoord dat 95% van de Litouwse joden vervolgd en omgekomen is en dat het daarom onveilig was om te blijven, is niet toereikend: aanvraag afgewezen. Er hebben toch ook Litouwse joden de oorlog overleefd. Dat het merendeel daarvan al voor de Tweede Wereldoorlog door de Russen naar Siberië was getransporteerd of gediend heeft in het Rode Leger, blijkt geen afdoend antwoord.

Ooit machtig land
Litouwen is nu een klein land. Anderhalf keer Nederland en met een inwoneraantal van een dikke drie miljoen. Dat was ooit anders: Litouwen was een machtig rijk, lopend van de Baltische tot de Zwarte Zee. Met een vorstenhuis dat in zo’n groot aanzien stond dat prinsessen graag hun hand schonken aan een Litouwse Groothertog, zeker als die tegelijkertijd ook Koning van Polen was. Vandaar die Barok en Rococo die met een Italiaanse prinses mee naar het Noorden is gekomen. Maar niet alleen kunst en architectuur hebben Italiaanse invloed ondergaan. Tot in de keuken toe zijn nu nog sporen te vinden: tomaten heten in het Litouws pomidoras, in het Pools pomidor, beide verbasteringen van het Italiaanse pomidori.

Het Pools-Litouwse Gemenebest, dat de landkaart van Centraal en Oost-Europa overheerst heeft van 1569-1795, heeft meer sporen nagelaten dan het oude Jiddische Wilne. Kerk na kerk, kastelen en paleizen herinneren eraan of worden om de herinnering te reactiveren opnieuw gebouwd, zoals het oude Groot-Hertogelijke paleis van Vilnius, dat in het begin van de negentiende eeuw afgebroken is, toen de Russen, Duitsers en Oostenrijkers het vermoeide Pools-Litouwse rijk onder elkaar verdeeld hebben en Litouwen aan de Tsaar was toegevallen. Nu staat het er weer. Volgens oud bouwplan, maar voorzien van alle moderne gemakken heropgericht na het herontwaken van het nationale gevoel en de onafhankelijkheid.

Taal van beschaafden
Dat Pools en niet het Litouws ooit de taal van de beschaafden was – er is altijd nog een beduidende Poolse sprekende minderheid met eigen scholen, kerken en eigen organisaties – is vanzelfsprekend bekend, maar wordt absoluut niet benadrukt. De Poolse Nobelprijswinnaar voor de literatuur Czesław Milosz, in 1911 geboren op bezette Litouwse grond, heeft een ereplaquette aan de muur van de Universiteit van Vilnius, omdat hij daar als rechtenstudent ingeschreven geweest is. De tekst vermeldt zijn wereldbekroning van 1980, maar niet dat hij in het Pools schreef. Adam Mickiewicz, de grote romantische dichter, die geldt als vader van de Poolse poëzie en van de negentiende-eeuwse rebelse vrijheidsgedachte, wordt overal in Vilnius, waar hij gestudeerd heeft en enige werken schreef, geëerd. Er is een Adam Mickiewicz Museumpje, een Adam Mickiewicz-cel – waar hij een tijd lang vastgezeten heeft vanwege zijn opstandige gedachten – een Adam Mickiewicz standbeeld en een Adam Mickiewicz Aula in de universiteit, want ook in Litouwen wordt hij geëerd als de ‘godfather’ van de nationale dichtkunst. Begint zijn Pan Tadeusz, het boek dat alle Poolse kinderen op school moeten reciteren en dat naast de bijbel in alle Poolse nachtkastjes ligt, niet met de onvergetelijke woorden: Litwo! Ojczyna moja!

Hoe Pools de woorden ook zijn, er staat: Litouwen! Mijn vaderland! De tekst vervolgt: “Jij bent als gezondheid. Slechts diegenen die jou verloren heeft, kan vertellen hoezeer hij jou mist. Vandaag zie ik en beschrijf ik jouw schoonheid in alle glorie, omdat ik naar je verlang.” Is er een betere aanprijzing van het Litouwse vaderland mogelijk? Jammer alleen dat de tekst in het Pools is en dat Litouwse belangstellenden die dus alleen in vertaling kunnen lezen. Anderzijds zou het begin van het nationale Poolse erfgoed dat ‘Mijnheer Tadeusz’ is, misschien ook Poolse nationalisten enig besef van relativiteit kunnen bijbrengen.

bc201605-camiel_hamans-vilmius-hill_of_crosses_lithuania-1000

Niet eenkennig
Het huidige Litouwen is niet eenkennig: Michal Oginski, voorganger van Chopin en beroemd gebleven door zijn polonaise Vaarwel aan het Moederland wordt geëerd met een recent monumentje dat op verzoek de overbekende klanken afspeelt. Om de talrijke Poolse toeristen te plezieren.

Zoals misschien ook de plaquette op het gebouw waar nu de Franse ambassade en een Parijse bistro gevestigd zijn, die het verblijf van Stendhal in december 1812 herdenkt, gezien moet worden als service aan de vele Franssprekende bezoekers van de stad. Jammer helaas dat alleen vermeld wordt dat Stendhal hier op doortocht was met de Napoleontische legers en dat over de recente vondst van een massagraf van zo’n tienduizend Fransen die bij deze expeditie in de buurt van Vilnius van honger, dorst en uitputting omgekomen zijn, niets verteld wordt. Stendhal had in tegenstelling tot de gewone Jan Soldaat een luizenleventje in Wilno, hij was ondergebracht in het huis van dr. Joseph Frank, de beroemdste arts van die tijd, die zelfs op basis van zweetlucht en slechte adem diagnoses wist te stellen. Overigens was Stendhal in die tijd nog helemaal niet Stendhal en hij was daarom ook niet vanwege enige literaire roem te gast bij dr. Frank. Marie-Henri Beyle, zoals de latere schrijver toen nog heette, beschikte over een invloedrijke oom.

Polen en Litouwen
Poolse bezoekers die willen weten waar hun nationale componist Stanisław Moniuszko gewoond heeft, de schepper van Halka, de opera waarmee Poolse schoolklassen opgevoed worden en die voor het eerst in Vilnius als concert ten gehore is gebracht, zoeken overigens vergeefs naar enige aanwijzing, zoals ook alleen degenen die een Pools schoolboek bij zich hebben, het graf kunnen vinden van de moeder van Józef Piłsudski, de leider van de Poolse onafhankelijkheid tussen de twee wereldoorlogen. Piłsudski, die zelf begraven is bij de Poolse koningen in Krakau, liet zijn hart bijzetten in het graf van zijn moeder in Vilnius. Dat is echter iets waaraan de Litouwer van nu liever niet herinnerd wordt, want Vilnius was in die jaren Pools en het kleine onafhankelijke Litouwen moest het doen met Kaunas als tijdelijke hoofdstad.

De toeristenstroom maakt van Vilnius weer een stad met vele talen, maar het is geen Wilno, Wilna, Wilne meer. Het zijn passanten die de klank van meertaligheid meebrengen. Zoals de schilderachtige binnenplaatsen, binnenstraatjes, achter-, voor- en nevenhoven waaraan en waaromheen de huizen in Vilnius gebouwd zijn nu voornamelijk vol staan met automobielen in alle prijsklassen, terwijl ze tot in de jaren tachtig van de vorige eeuw nog bevolkt werden door kippen en een enkel varken dat de families die het complex moesten delen ter bijvoeding jaarlijks vetmestten, zo is het karakter van de stad veranderd. Was het centrum tot enige jaren na de onafhankelijkheid van een schilderachtige armoe, waar een ietwat beter gesitueerde burger niet wilde wonen vanwege het gebrek aan warm water, riolering en straatverlichting, nu bestaat het stadshart uit restaurants, sterrenhotels, terrassen, B&B’s en andere airbnb-lokaliteiten. Wit-Russische SUV’s trachten zich een weg te banen door de toeristengroepen – Minsk is immers minder dan tweehonderd kilometer van Vilnius – en kunstzinnige handwerkdames proberen hun producten te slijten aan een volgende lading bezoekers. Jonge dames laten in de avonduren zichzelf en hun jonge hondjes uit: puppy zoekt pussy. Of is het andersom?

Straatmuzikanten in elke straat en op elk plein. Soms zo voortreffelijk dat de geest van Heifetz teruggekeerd lijkt naar zijn geboortegrond. Op een andere plek speelt een solodrummer, voorzien van een bandje Minus One met Oostenrijkse schlagers en dansmuziek. Alles om de buitenlandse bezoeker zich maar zo thuis te laten voelen dat hij betaalt. Toerisme lijkt het nieuwe verdienmodel van Europa.

 

Camiel Hamans (Herten bij Roermond 1948). Neerlandicus-taalkundige, journalist en politiek adviseur. Was als historisch taalkundige verbonden aan de Rijksuniversiteit Leiden, werkte als chef cultuur voor de KRO-Radio, was adjunct-hoofdredacteur van Dagblad De Stem in Breda, hoofdredacteur van Brabant Cultureel en directeur van de Anne Vondeling Stichting (te Brussel en Straatsburg). Momenteel is hij als hoogleraar Nederlandse taalkunde verbonden aan de Adam Mickiewicz Universiteit te Poznań, Polen.

© Brabant Cultureel – oktober 2016