Henri

door Jan Vinks

Frontaal, statisch en symmetrisch is niet alleen het mooist maar ook het moeilijkst, beweerde Henri die het had over poseren en modeltekenen. Alsof we nog in de tijd van de piramiden leefden. Maar hij had wel gelijk. Het gelijk van de kunst.

Henri was beeldhouwer en kunstschilder en gaf les in modeltekenen. In Amsterdam op de Rijksakademie had hij het beroemde model Truus Trompert nog getekend. Haar faam was groot en doorgedrongen tot binnen alle academies van het land. Over haar werk werd een boek uitgebracht: Truus Trompert, een leven als model. Op een dag vroeg Henri bij het begin van de les aan een model: “Doe eens een ‘déhanchement’.” Niet begrijpend keek ze hem aan. Hij demonstreerde wat hij bedoelde, maar omdat hij geen heupen had werkte het hilarisch. “Weet je, als die meiden zomaar ergens staan te dromen gaat dat vanzelf, maar als je erom vraagt zitten ze op slot. Truus Trompert kon het, die had een prachtig déhanchement.”

Een andere keer hadden we als model een frêle en slank meisje met een heel witte huid en oranjerode haren. Ze poseerde mooi en glimlachte als Mona Lisa. Bij een bepaalde belichting verscheen er een zachte glans tussen haar benen. “Kijk”, fluisterde Henri, “ze heeft een lampje in haar kut.”

Er meldde zich een plastisch chirurg die naar model wilde leren tekenen, waarschijnlijk als aanvulling op zijn vakstudie. De man deed borstcorrecties: borsten groter, borsten kleiner, borsten weg. Alles met borsten. Henri ontfermde zich over hem, verbeterde wat, hielp hem hier en daar en legde het hem uit. “Hij ziet het niet”, bromde hij. “Hij begrijpt het niet. Hij weet niet wat een borst is. Een borst moet je nooit apart tekenen maar altijd de twee samen, als één vorm. Eerst de ene en dan de andere, dat wordt niets.” Die man hield het niet lang vol en ging weer snel terug naar zijn vrouwen. Henri reed altijd met hoge snelheid, kwam aangescheurd en stopte pardoes. Hij was een wegpiraat. “Bij een gevaarlijk kruispunt moet je extra gas geven, des te eerder is het gevaar voorbij.” Hij schoot eens foutief een eenrichtingsstraatje in en een tegenligger kon er niet langs. “Ik zit fout, maar jij gaat terug”, riep Henri. Uiteindelijk zwichtte die automobilist.

Een naaktstudie van Henri Ubink. Archief Jan Vinks.

Een naaktstudie van Henri Ubink. Archief Jan Vinks.

“Op oudere leeftijd, ik was al getrouwd, kon ik dankzij een erfenis naar Amsterdam naar de Rijksakademie, waar ik les kreeg van Jan Wiegers. Wiegers was bevriend geweest met Kirchner en introduceerde diens expressionisme in Nederland. Ik raakte volledig bezeten, werkte dag en nacht; oogkleppen. Pas later, te laat, begreep ik dat ik zijn opvolger had kunnen worden. Een hint, bepaalde suggesties, het drong niet tot me door.” Hij moest en zou naar Spanje: costas, sierras y cantinas. Zijn vrouw, die net een kind had gekregen, bleef thuis, maar dwong hem een vriend mee te nemen als toezichthouder. Een soort chaperon. Dat was M., bijgenaamd ‘de jonge Mulder’, niet te verwarren met “de oude Mulder”. Beide Mulders waren docent aan de Tilburgse Akademie voor Beeldende Kunsten. Ze reden zuidwaarts heel Spanje door. Het was in de periode van de Francodictatuur, slechte wegen, schaarse richtingwijzers. Henri dacht na over zijn chaperon: ik zal hem iets laten meemaken, ik zal hem afmatten. “Ik heb dorst”, zei M. op zeker moment, “laten we iets gaan drinken.”

“Over een uurtje”, antwoordde Henri.

“Ik heb dorst en honger”, klaagde M. na een uurtje.

“Nog honderd kilometer”, reageerde Henri.

“Ik heb dorst en honger en ik sterf van de hitte”, jammerde M.

“We zijn verkeerd gereden, we draaien om”, snauwde Henri.

M. zat in de auto te janken. Henri was tevreden.

Uiteindelijk bereikten ze de zuidgrens van Spanje en van Europa, Conil de la Frontera. De zon stond hoog aan de hemel. Aan de overkant lag Afrika. Conil was een vissersdorp, hard en gesloten, absoluut wit en absoluut zwart, precies zoals Henri het wenste. Over het strand liep een geul naar zee van een drooggevallen rivier, de Rio Salado. Eb en vloed trokken er doorheen en als je bij het oversteken niet oppaste, ging je onderuit. De Spanjaarden wisten dat, maar de toeristen niet. De vorige dag nog was er een Duitser omver gegaan, meegesleurd en in zee verdronken. Zo braken de laatste vakantiedagen aan. M. moest de volgende maandag les geven.

“Ik lag te slapen op het strand”, vertelde Henri. “Het was eind van de middag. Iets deed mij ontwaken en ik richtte mij op, mijn gezicht naar de zee. Op hetzelfde moment ontplofte het decor en spleet de hemel open. Uit zee kwam een jonge vrouw. Venus ontsproten aan het schuim der golven. Ze had gezwommen, was net gaan staan, de lage horizon verlengde haar gestalte en ze liep recht op mij af, frontaal, overweldigend. Enfin, het was ‘le coup de foudre’. Allebei. Ze kwam uit Montpellier en was lerares Frans. We hebben de tijd zover mogelijk opgerekt, maar ze moest weer naar haar school. M. ook, die had al terug moeten zijn, werd helemaal gek.”

“Ik heb haar teruggebracht naar Montpellier. Het afscheid ’s avonds. Zij op haar balkon en ik beneden op straat. M. moest mij wegsleuren. We reden huiswaarts over Parijs. Op de Champs Elysées had ik het niet meer. Ik ga terug, gilde ik en gooide het stuur om. M. hing aan de andere kant en zo stuurden we zigzaggend tegen het verkeer in door een hel van toeterende Fransen. Tenslotte moest ik mij gewonnen geven. Thuis aangekomen bleek dat M. de hele affaire reeds had doorgebeld. Ze stonden me op te wachten: mijn vrouw, de huisarts met een spuit in zijn handen en de ziekenwagen. Ik werd in de isoleercel gestopt. Twee weken later, in de mening dat ik voldoende genezen was, lieten ze me los. Maar als ik nu, na zoveel jaren, een bericht uit Montpellier zou krijgen, stap ik op dit moment in de auto en rijd ik zonder omkijken voor altijd terug naar haar.”

 

© Brabant Cultureel – juni 2016