Bas-bariton Robert Holl: ‘Het lied moet weer een prominente plek krijgen’

“Lied en literatuur helpen je bij het leven. Andersom trouwens ook: wat je meemaakt, helpt je bij het interpreteren van teksten. Literatuur is niet zomaar een aardigheidje. Het leert je levenslessen en die kun je vervolgens weer beter begrijpen, als je geleefd hebt. Lied is een deel van de literatuur. Daarom pleit ik voor beter literatuuronderwijs op school.” 

Door Camiel Hamans

Bas-bariton Robert Holl (Rotterdam 1947), gelauwerd liedzanger, woont al jaren in Oostenrijk, waar hij in 1990 met de prestigieuze titel Kammersänger is geëerd. Afgelopen mei leidde hij, met steun van zijn vrouw sopraan Ellen van Lier, het eerste Internationale Liedfestival Zeist. “Het festival was een groot succes. Mensen zijn uit heel Nederland gekomen”, stelt hij na afloop in een gesprek tevreden vast. Voor Holl zelf met een avond Schubert im Freundeskreis die hij verzorgd heeft met pianist Graham Johnson, voor de concerten door bevriende collega’s uit Nederland, voor de optredens van door Holl uitgenodigde jonge musici uit Wenen, voor de mastercourse en de speciaal voor amateurzangers en scholieren opgezette themalessen rond Schubert, het familieconcert en het afsluitende optreden door Holl en begeleider Rudolf Jansen met de liederen uit Schuberts laatste levensjaar, Schwanengesang.

Goethe
“Het succes heeft me niet verrast. Lied heeft het weliswaar moeilijk, maar liefhebbers hebben er veel voor over. We gaan daarom verder en maken een traditie van het Zeister Liedfestival, net zoals ik in Oostenrijk met de door mij georganiseerde Schubertiades en festivals doe. Ik denk erover om volgend jaar Goethe als thema te kiezen, er zijn verbindingen te over: Goethe en Mozart, Goethe en Beethoven, Goethe en Schubert. Lied verdient steun. Daarom ook is het een goede gedachte van Annett Andriesen om bij het nieuwe Internationaal Vocalisten Concours in september weer een aparte categorie voor liedduo’s te organiseren. Dus voor zangers met hun vaste begeleider. Ik ben blij dat ik weer in de jury mag zitten. Het is al de vierde keer. Liefhebbers moeten samenwerken om het lied weer een prominente plaats te geven.”

“Het IVC ligt mij aan het hart gebakken. In 1971, een jaar nadat ik op een nationaal Nederlands concours tweede werd  achter John Bröcheler, won ik het IVC. Een jaar later werd ik eerste bij het ARD-concours in München, dat uitgezonden werd door alle Duitse radiozenders. Die twee eerste prijzen hebben mijn loopbaan een forse zet gegeven. In München kreeg je niet alleen een geldprijs, maar ook een serie concerten en dat is nog veel belangrijker dan het bedrag waarmee je naar huis gaat. Dirigent Wolfgang Sawallisch hoorde me en bood me een contract aan bij de opera in München. Dat was overigens niet zo’n succes. Ik studeerde met mijn leraar daar, Hans Hotter, allerlei rollen in, repeteerde bij de opera, maar kreeg weinig optreedbeurten. Dus concentreerde ik me op wat ik in Nederland en elders te doen kreeg aan oratorium en lied. Via een mevrouw die me in Wenen voor een Matthäus uitnodigde, kwam ik in contact met een internationale agent. En toen ging het snel. Met Het Brabants Orkest heb ik daarna bijvoorbeeld Sjostakovitsj gezongen onder leiding van Hein Jordans, een goede dirigent, een goed musicus.”

Foto Gemma van der Heyden

“Het succes heeft me niet verrast. Lied heeft het weliswaar moeilijk, maar liefhebbers hebben er veel voor over.” Foto Gemma van der Heyden

Goede boterham
“Er zit nauwelijks brood in het lied en dat is een van de redenen dat de belangstelling zo verminderd is. Zangers kunnen er niet van bestaan. Opera trekt veel meer en betaalt beter. Maar met een combinatie van oratorium en lied moet het mogelijk zijn een goede boterham te verdienen. In Nederland is het oratorium voornamelijk Bach. Mijn leraar in Rotterdam, David Hollestelle, die alleen maar oratoria zong, deed wel veertig Matthäusen per jaar. Toen ik begon was het repertoire overigens breder. Händel werd toen nog betrekkelijk vaak uitgevoerd. En meer dan alleen een Messiah. Händel heeft veel meer geschreven: Samson, Deborah, Esther, Saul, Jephta, Joshua, Israël in Egypte, Judas Maccabaeus, enzovoorts. Een aantal van die stukken stond indertijd nog op het repertoire. Dat was niet alleen interessant, maar leverde ook werk op. Hier in Zeist heb ik een paar dagen geleden een tenor ontmoet, Jouke Krediet, met wie ik vijtig jaar geleden in de Grote Kerk in Goes de Johannes Passie van Händel heb uitgevoerd. Dat was in 1966. Het was overigens niet mijn debuut. Dat was twee jaar daarvoor met het Requiem van Fauré, uitgevoerd bij de uitvaart van mijn grootvader. De kritiek zei daarover: ‘Een zanger met een volle rijke stem, die nog aan techniek kan winnen.’ Dat was natuurlijk ook zo. Ik kwam ongeveer vers uit het Gregoriaanse kerkkoor, een prima leerschool. Dat wel, want daar leer je hoe je samen moet klinken met anderen, hoe je ensemble moet zingen.”

Hans Sachs
“Voor opera zoekt men gouden stemmen. Vooral bij tenoren. Als een jury zo’n gouden strot hoort, zijn ze verkocht. Of de zanger kan fraseren interesseert ze niet. Uitspraak evenmin, om over tekstbehandeling maar niet te spreken. Bij lied kun je je dat niet permitteren. En er is nog een ander voordeel van het lied: ook kleinere stemmen kunnen daarin excelleren. Voor lied hoef je geen gigantisch geluid te hebben. Eigenlijk zouden ook operazangers in het lied geschoold moeten worden. Want hoe je met een tekst moet omgaan leer je bij het lied.  Niet dat ik wat tegen opera heb. Mijn Münchener ervaring kwam veel te vroeg, ik was nog te jong voor het werk dat mij ligt. Tien jaar later heeft Barenboim me gevraagd voor Chicago. Het was zijn en mijn eerste Meistersinger. Daarna heeft Wolfgang Wagner me voor Bayreuth gevraagd. Hij wilde nog een keer de Meistersinger ensceneren.”

Hans Sachs is vervolgens Holls lijfrol geworden. Overal ter wereld wil men Holl Sachs horen zingen. In Bayreuth heeft hij daarna nog meer Wagnerrollen voor zijn rekening genomen, zoals bijvoorbeeld Gurnemanz in de geruchtmakende Parsifal van 2004 in de enscenering van de controversiële filmmaker Christoff Schlingensief en onder de muzikale leiding van Pierre Boulez. Een uitvoering, die hem bijgebleven is omdat regisseur en dirigent het niet erg met elkaar eens waren. “Als Schlingensief weer eens met een idee kwam, reageerde Boulez vrijwel steevast: ‘Zu viel Unruhe, passt nicht’. Ik ben gebleven omdat festivalleider Wolfgang Wagner me dat verzocht. Die man heeft veel voor me gedaan. Die laat je dus niet in de steek.”

Foto Gemma van der Heyden

“Dat het, naast het geringe carrièreperspectief, slecht gaat met het lied, ligt vooral aan het onderwijs. Want er wordt op de lagere school niet meer gezongen.” Foto Gemma van der Heyden

Componist
“Ik heb het geluk gehad dat ik op de hbs goede leraren had voor Duits en voor Nederlands. Daar heb ik literatuur leren lezen en waarderen. Dat heeft me niet alleen geholpen als zanger, maar ook als componist.” Holl schrijft namelijk zelf ook. In het najaar komen er drie cycli van telkens drie liederen van hem uit bij wat indertijd de Nederlandse muziekuitgever Donemus was. Op teksten van Timmermans, Van Eeden en Adriaan Roland Holst. Voor een concours in Graz, waar Holl in de jury zat, moesten de deelnemers verplicht een keuze maken uit een van diens Traklliederen. In Wenen heeft hij eens een hele avond aan Trakl gewijd. En ook gedichten en proza van Jean Paul heeft Robert Holl op muziek gezet: “Ik begrijp eigenlijk niet waarom Schumann dat niet gedaan heeft. Zijn muziek en de teksten van Jean Paul sluiten perfect bij elkaar aan”.

Holl is daarnaast ook een groot propagandist van de liederen van Hans Pfitzner (1869-1949), een vriend van zijn leraar Hans Hotter. Pfitzner is een componist die uit de laat-romantiek voortgekomen is en die het beeld van de muziek uit de eerste helft van de 20e eeuw meebepaald heeft, maar die zijns inziens niet genoeg gewaardeerd wordt. Van het Pfitzner-genootschap heeft hij daarom in 1998 het voorzitterschap geaccepteerd.

Literatuuronderwijs
“Dat het, naast het geringe carrièreperspectief, slecht gaat met het lied, ligt vooral aan het onderwijs. Want er wordt op de lagere school niet meer gezongen, er wordt geen belangstelling  voor muziek meer bijgebracht en het ontbreekt aan taalopvoeding in het middelbaar onderwijs. Daardoor wordt er nauwelijks nog liefde voor literatuur bijgebracht. Dat is fnuikend voor de cultuur, voor het lied, maar ook voor het leven. Uit gedichten leer je emoties kennen, zie je hoe je daarmee kunt omgaan. Wie de literatuur verwaarloost, schaadt het leven. Ik mag me gelukkig prijzen dat ik nog leraren heb gehad die vertelden, voorlazen, die reciteerden. Sommigen van hen hadden mijn vader nog les gegeven en die zeiden: ‘Holletje, je lijkt niks op je vader.’ Of ik dat positief of negatief moest zien, weet ik niet.”

51e Internationaal Vocalisten Concours
www.ivc.nu

Internationaal Liedfestival Zeist
www.ilfz.nl

www.robertholl.at

© Brabant Cultureel – juni 2016