Historisch-geograaf Karel Leenders laat historische waarde van het landschap zien

Als kind achterop de fiets bij zijn vader zag Karel Leenders (1946) de turfvaarten in West-Brabant. Turfvaarten, dacht hij, maar waar is de turf dan? 

door JACE van de Ven

Een dergelijke vraag zou de historisch-geograaf in zijn leven vaker stellen, telkens als hij in een landschap iets zag wat hem bijzonder leek. En met een vaag antwoord, gestoeld op mondelinge overlevering, nam hij geen genoegen. De zaak moest, indien mogelijk, wetenschappelijk worden uitgezocht. Daarmee was de trend gezet voor een nu al vijftig jaar lang durend onderzoek van onderop; “vanuit het kleine is het grote geheel opgebouwd”. Op die manier heeft Karel Leenders ervoor gezorgd dat de regionale geschiedenis van West-Brabant heel pregnant op de kaart is gezet. “Van een betrekkelijk achtergebleven gebied is het, mede dankzij hem, tot een van de best onderzochte en gedocumenteerde regio’s van Nederland geworden”, zei emeritus prof. dr. Jelle Vervloet onlangs op een colloquium in Breda ter ere van de zeventigste verjaardag van Karel Leenders.

Colloquium
Dat colloquium – Historische geografie,  geschiedenis en cartografie van West-Brabant –  was georganiseerd door de geschied- en oudheidkundige kring van stad en land van Breda De Oranjeboom. Een club waar Karel Leenders uiteraard lid van is, maar ook vraagbaak. Want wie zich in Brabant, en vooral West-Brabant met de historie van het landschap bezig houdt, komt ongetwijfeld bij Karel Leenders terecht. In de halve eeuw die achter ons ligt, is hij zelf een baken in het Brabants landschap geworden.

Karel Leenders werd geboren in ‘s-Hertogenbosch op 13 juli 1946, maar zijn ouders verhuisden datzelfde jaar al naar Breda. Op jonge leeftijd had hij al belangstelling voor oude munten, geschiedenis en sterrenkunde en hij ging dan ook na de middelbare school astronomie studeren in Utrecht. Dat werd overigens niks. Dus werd het werken geblazen. Hij vervulde functies in de statistiek en de planologie en eindigde als hoge ambtenaar in Den Haag. Maar daarnaast bleef hij in zijn vrije tijd heel zijn leven lang studeren, archeologie, geologie, cartografie, architectuur etcetera. Uiteindelijk werd hij historisch-geograaf met speciale belangstelling voor landschapsgeschiedenis. De regio die zijn speciale belangstelling heeft is het min of meer vierkant gebied (3600 vierkante kilometer) dat wordt begrensd door Willemstad, Geertruidenberg, Turnhout en Antwerpen.

Karel Leenders. foto Piet den Blanken

Karel Leenders. Foto Piet den Blanken

In 1996 promoveerde hij op het proefschrift Van Turnhoutervoorde tot Strienemonde. Dat gaat over de geschiedenis van zijn studiegebied gedurende de middeleeuwen (400-1350). Eerder had hij al naam gemaakt het in boekvorm gepubliceerde onderzoek Verdwenen Venen. Een onderzoek naar de ligging en exploitatie van thans verdwenen venen in het gebied tussen Antwerpen, Turnhout, Geertruidenberg en Willemstad (1250-1750).  Daarnaast werkte hij mee aan tal van boeken en deelstudies, in totaal meer dan zeshonderd wetenschappelijke publicaties. En ondanks zijn zeventig jaren gaat dat nog steeds door: Meierijse boerderijen, verdwenen venen, lezingen en adviezen aan andere onderzoekers. In 1985 kreeg hij de Belgische geschiedenisprijs ‘Pro Civitate’ en sinds 2012 is hij in België ook lid van de Koninklijke Commissie voor Toponymie & Dialectologie.

Compleet onderzoeker
Op het colloquium in Breda noemde prof. Vervloet Karel Leenders een “zo compleet mogelijk geografisch onderzoeker”. Iemand die multi- en interdisciplinair onderzoek doet, maatschappelijk betrokken is, nieuwe onderzoekmethodes hanteert en de samenspraak met andere onderzoekers niet schuwt. Iemand die een landschap niet alleen van bovenaf bekijkt, maar detailonderzoeken doet en niet door een opdrachtgever gestuurd wordt. “Omdat hij onafhankelijk onderzoeker is, kan hij allerlei nieuwe inzichten een plaats geven.”

Aan het eind van het colloquium na lezingen van dr Ton Kappelhof over de geschiedenis van West-Brabant, prof. dr. Hans Renes over cartografie en drs. Guido van den Eynde over de stedelijke ontwikkeling van Breda, kwam ook Karel Leenders zelf aan het woord. Hij vertelde hoe het allemaal begonnen was. “Als kind achterop de fiets bij mijn vader wees hij op de turfvaarten in West-Brabant. Turfvaarten, dacht ik, maar waar is de turf dan? Als jongen dacht ik heel Brabant uit zand bestond, maar toen ik in de jaren zestig als geïnteresseerde tiener stond te kijken bij afgravingen aan de Emerput bij ons in Breda, zag ik daar een zwarte band in de vrijgekomen zandwand.” Leenders wilde weten wat het was en kwam met hulp van anderen – hulp die hij nu daarom ook graag aan nieuwe onderzoekers verstrekt – erachter dat het hier ging om houtresten van voor de laatste ijstijd. Ook hoorde hij dat het opgegraven zand bestemd was voor de uitbreidingswijk Hooge Vucht.

“Maar hier in de Haagsche Beemden gaan ze straks ook alles volbouwen”, hoorde hij van omwonenden. Hij luisterde naar de verhalen die ze over hun woonomgeving vertelden. Het zou net zo erg worden als de Hooge Vucht. Dat bracht Karel Leenders ertoe om samen met anderen de Werkgroep Haagsche Beemden op te richten die de gemeente Breda ging bestoken met allerlei bezwaarschriften. Het was een smeekbede om het landschap zoals het zich door de eeuwen heen ontwikkeld had, te betrekken in de plannen. Niet overal dwars doorheen walsen. Voor dat kritische werk, dat ook nog eens goede resultaten had, kreeg de werkgroep van een onafhankelijke jury in 1970 de Nassau Breda Cultuurprijs, maar dat lag bij de gemeente kennelijk zo gevoelig dat het tot 1973 duurde voordat hij werd uitgereikt. Het was voor Karel Leenders het begin van een leven voor het landschap, uitgaande van het landschap. Studie en onderzoek die prachtige resultaten opleverden.

Kijken en luisteren
“Gebruik je ogen als je door een landschap gaat en luister naar de mensen die er wonen. Die mensen zijn trots op hun wereld en vertellen er graag over”, verklaart hij. Op die manier heeft hij naast het historisch belang van zijn publicaties ook sturing kunnen geven bij het inrichten van nieuwe wijken, waarbij als hij erbij betrokken raakt gebruik gemaakt wordt van de historische waarden van een landschap dat er voor die wijk al was. Niet meer dan normaal, zou een niet geïnformeerde, logisch nadenkende derde kunnen zeggen, maar, o wee, de tientallen nieuwbouwwijken waar dat niet gebeurd is. Ze zijn letterlijk en figuurlijk unheimisch.

Aan het eind van de bijeenkomst in Breda werd Karel Leenders een liber amicorum aangeboden met als titel Op zand, veen en klei. Daarin publiceren elf specialisten onder redactie van Lauran Toorians en Guido van den Eynde artikelen op het gebied van de historische geografie, cartografie, geschiedenis, archeologie, erfgoedzorg, ecologisch erfgoed en naamkunde met betrekking tot Brabant.

Op zand, veen en klei.
Uitgegeven door stichting Zuidelijk Historisch Contact en uitgeverij Verloren
 € 35,- ISBN 978-90-8704-591-3

www.Uitgeverij Zuidelijk Historisch Contact

www.verloren.nl

© Brabant Cultureel – juni 2016