Poëzie die zachtjes in haar handen heeft lopen blazen

door Kees Hermis

 

NOTIE

De grot heeft het daglicht ingeademd
en gemengd met nacht

op schedeldak en schouders drukt
een koude wolk leegte

tot stilstand gekomen lucht
die soms even beweegt bij
de geluidloze vlucht van een uil

schijndood hangen vleermuizen hoog
aan de gewelven als geslachte kippen
in een abattoir

blauwe neonletters lichten op
over een scherm aan een wand

melden u hebt nog een kwartier
wij sluiten om vijf uur

dus op onze schreden teruggekeerd
naar uitgeademd licht

met ons bewijs van toegang
dat aantoont dat ook dit bezoek
weer onderworpen is aan tijd

 

STEMBEVRIJDING

De poëzie heeft zachtjes in haar handen
lopen blazen, terwijl we moeizaam
volgden het bergpad omhoog

soms neuriede ze ingehouden alsof ze
zocht naar een vergeten melodie
op woorden die nog niet bestonden

we schopten steentjes weg, schudden
met hoofd en schouders aan lucht
en leegte om ons heen

voorbij de boomgrens was ons gaan
in stappen die het vinden vervoegden
tot gevonden was

een rustplaats om te horen
hoe een nieuw lied zich had bevrijd
stemhebbend was geboren

 

DE ASVIJVER VAN AUSCHWITZ

Veegde de regen hun namen uit
blies de wind hun schaduwen weg
waar zijn hun stemmen, woorden, gebaren
wat is er van hun levens gebleven

de bomen weten, het landschap zwijgt
hun as is door het water verdronken
de vijver is een poel des doods

een zwart gedicht dat in zijn sprakeloosheid
uitspreekt de waanzin van de geest
onleven, nacht en ondergang

wat ooit ondenkbaar was staat hier in lucht
en leegte uitgeschreven, een doodssnik
in de tijd voor wie dit water leest

 

WACHTTIJD

Lege dagen waarin stilte
als een steen ligt afgezonken

tijd schrijft etmalen op zijn raam
dat hem verbindt met buiten

ouderdom heeft hem vastgeklonken
aan de kamer waar hij leeft

zijn laatste jaren slijt en blind
de weg vindt naar bed, stoel en tafel

in dit domein is hij alleen
niet eenzaam en helder van geest

hij zit er uren voor zijn raam
waar hij de binnenkant van leest

een spiegel die geen antwoord geeft
of hij er morgen nog zal zijn

het leven dat hem rest bestaat
uit wachten tot het overgaat

 

DE SCHERMENGEL

De kamer ademt avondland
dat wacht en haar ontvangen gaat
nadat zij heeft gebaad

een handdoek om het hoofd geslagen
nog warm vult zij de ruimte die
geurt naar zeep, lavendel

op ranke benen schrijdt zij naakt
tot bij de open haard, geeft prijs
haar volle borsten, vuurrode
harde tepels, haar weelderige
driehoek op de gewelfde venusheuvel
die als een krolse poes haar zangen
spint tussen haar melkwitte dijen

haar gonzend lichaam blaakt
in een rosse gloed als zij een ogenblik
langzaam haar armen strekt omhoog
boven haar hoofd dat weerloos
achterover hangt, een engel die
het teken van totale overgave maakt
de kamer hoort, ziet en aanschouwt
slaat ronkend haar gestalte op

onthoudt hoe zij gekomen is en gaat
als zij met haar verdwijnen niet meer is
dan herinnering in een gedroomde staat

 

BEREIK

Ik droomde
je lag op je buik in het gras
onstuimig schokkende schouders

je huilde zonder tranen
nog meisje, dochter van tien

ik liep naar je toe
maar dichterbij kon ik je niet bereiken
riep tweemaal je naam

je draaide je om
keek me aan

ik schrok wakker
hoorde je stem die zei pappa

 

Kees Hermis (Hulst 1941) debuteerde in 1977 met de dichtbundel ‘Vrijgesproken’. Sindsdien verscheen een groot aantal bundels met als recentste Stuiflicht, een bloemlezing van 25 jaar poëzie’ (2003), ‘Gezongen steen’ (2008), ‘Tijdland’ (2010), de bibliofiele uitgave ‘Wat bomen weten’ (2013) en ‘De val van de witte duiven’ (2014). Daarnaast publiceert hij in meerdere literaire tijdschriften. Hermis woont en werkt in Sint-Oedenrode.

© Brabant Cultureel – april 2016