Museum De Wieger viert jubileum met exposities rondom Hendrik Wiegersma

Dat Museum De Wieger nog bestaat na de laatste bezuinigingsronde van de gemeente Deurne is te danken aan een grote groep mensen die zich er belangeloos voor inzet. Een van hen is Lex van de Haterd, sinds 1 januari 2016 de nieuwe conservator. Hij komt niet alleen met een nieuwe basispresentatie over de wereld van Hendrik Wiegersma (1891-1969), maar ook met een nieuwe biografie. Deze komt als geroepen, want eerder verschenen monografieën zijn al jaren uitverkocht.

door Irma van Bommel

Lex van de Haterd (1954), geboren en getogen in Deurne, is neerlandicus. In het dagelijks leven is hij bestuursvoorzitter van het Meridiaan College in Amersfoort. In zijn vrije tijd schrijft hij over literatuur en kunst in het interbellum. Hij heeft al jarenlang een band met Museum De Wieger; de huidige expositie is niet de eerste die hij er inricht. Ook met de zoon van Hendrik Wiegersma, Pieter Wiegersma (1920-2009), die het museum in 1965 oprichtte en die de nalatenschap van zijn vader beheerde, had hij een goede band.

Hendrik Wiegersma in zijn atelier, 1932. Fotograaf onbekend

Hendrik Wiegersma in zijn atelier, 1932. Fotograaf onbekend

In de loop der jaren bouwde Van de Haterd zelf een archief op, bestaande uit documenten, publicaties, kunstwerken (voornamelijk tekeningen en grafiek), manuscripten, foto’s en brieven. Voor zijn onderzoek naar Hendrik Wiegersma ontving Van de Haterd dit archief in fasen van Pieter Wiegersma en na diens dood van de erven. Uit dit archief put hij regelmatig voor exposities en publicaties. In 2004 verscheen zijn boek Om hart en vurigheid. Daarin doet hij uitgebreid verslag van het tijdschrift De Gemeenschap (1925-1941) waar Hendrik Wiegersma illustraties voor leverde. Ook organiseerde hij een expositie over dit culturele tijdschrift voor Museum De Wieger en promoveerde hij op dit onderwerp. In 2014 maakte hij, eveneens voor De Wieger, een expositie en boek met als titel Jan Engelman en Hendrik Wiegersma. Een vriendschap tussen twee verzamelaars. Door schenking en aankoop heeft Van de Haterd ook het archief van schrijver Jan Engelman verworven.

Hendrik Wiegersma met zijn 5 zonen, circa 1930. Fotograaf onbekend

Hendrik Wiegersma met zijn 5 zonen, circa 1930. Fotograaf onbekend

Bij de opening van de expositie De Wieger en verwanten in februari verscheen zijn biografie De Wieger. De man, zijn huis en de collectie. ‘Een uitvoerige biografische schets over Hendrik Wiegersma bestond tot op heden nog niet. Wel zijn er sinds 1933 maar liefst vier monografieën over zijn leven en werk verschenen. In deze boeken staat zijn kunst centraal, niet zijn leven. In het boek dat u nu in handen heeft, is het precies andersom’, staat op de achterkant van het boek. Dat klopt niet helemaal, want juist bij zo’n persoon als Hendrik Wiegersma, die tijdens zijn leven al legendarisch was, draaide het altijd ook om de man zelf. Toch lezen we veel nieuwe wetenswaardigheden, bijvoorbeeld over de breuk met zijn beste vriend Joep Nicolas in 1930, wat alles te maken had met een huwelijkscrisis. Het is een gedegen boek geworden met veel verwijzingen naar bronnen in de noten. Ondanks die gedegenheid is het toch ook heel vlot leesbaar. Bijzonder is dat Van de Haterd tevens een beeld schetst van de geschiedenis van het museum en van de collectievorming.

Brieven
Veel informatie komt uit brieven die Hendrik Wiegersma verzamelde en waar Van de Haterd nu (voor een deel) de beschikking over heeft of die hij ter inzage had uit het archief van de erven Pieter Wiegersma. ‘In beide collecties samen gaat het om ruim 300 personen die ongeveer 1000 brieven geschreven hebben aan Hendrik Wiegersma. De brieven zijn afkomstig van patiënten, kunstenaars, kunstcritici en museumdirecteuren, letterkundigen, artsen en wetenschappers, paters en priesters, en een klein deel familie.’ Tweemaal heeft Wiegersma brieven vernietigd. Beide keren na een ruzie. Na de ruzie met Joep Nicolas vernietigde hij diens brieven. En niet alleen de brieven, ook de kunstwerken! En in 1962 verbrak hij de vriendschap met Jan Engelman en verbrandde alle brieven die hij van hem had ontvangen. In het Letterkundig Museum in Den Haag vond Van de Haterd echter wel de brieven (199 in totaal) die Wiegersma had geschreven aan Jan Engelman. Zo kwam er toch informatie over hun vriendschap boven water.

Hendrik Wiegersma, De motorrijder, olieverf op doek, 1926 (langdurige bruikleen collectie erven Pieter Wiegersma).

Hendrik Wiegersma, De motorrijder, olieverf op doek, 1926 (langdurige bruikleen collectie erven Pieter Wiegersma).

Uit de brieven die kunstenaars aan Wiegersma richtten blijkt dat hij regelmatig geld stuurde. Zij schreven bedankjes of vroegen in hun brieven om geld. Ter ondersteuning van bevriende kunstenaars bouwde hij zodoende een kunstcollectie op. Behalve verzamelaar was Wiegersma dus ook mecenas. Hij had een grillig karakter, kon mateloos driftig zijn, maar ook mateloos vrijgevig. Tussen 1925 en 1936 kocht hij kunstwerken als vriend en mecenas, later vooral als verzamelaar.

Contacten
Een aantal kunstenaars uit Parijs ontmoette hij midden jaren twintig toen de schilder Otto van Rees, die een poos in Parijs had gewerkt, zich in Deurne vestigde. Via Van Rees kwam Wiegersma in contact met de Russische beeldhouwers Moissy Kogan en Ossip Zadkine en met de Zwitserse schrijver Charles-Albert Cingria. Eerst kwam hij bij Van Rees als arts, later ook als kunstenaar. Kogan schijnt hem te hebben aangespoord om te gaan schilderen. Maar dat Wiegersma vanuit het niets is gaan schilderen, is een mythe. Uit bronnen blijkt, zo schrijft Van de Haterd, dat Wiegersma op de HBS al een talentvol tekenaar was en enkele uren per week tekenles volgde.

Via Otto van Rees ontmoette hij Jan Engelman en via hem kwam Wiegersma in contact met schrijvers en kunstenaars die werkten voor het tijdschrift De Gemeenschap. Zo ontmoette hij glazenier Joep Nicolas en via hem weer de broers Piet en Matthieu Wiegman van de Bergense School. En via kunstcriticus Albert Plasschaert raakte hij bevriend met Constant Permeke, van de Latemse School in Vlaanderen. Wiegersma legde een voorkeur aan de dag voor expressionistische schilderkunst. Met Permeke ruilde hij werken. Geïnspireerd door Otto van Rees, Piet en Matthieu Wiegman en Constant Permeke ontwikkelde Wiegersma al gauw een eigen stijl. ‘Op basis van deze invloeden creëert hij een geheel eigen mix, voorzien van een vleugje Limburgse barok en een toets die doet denken aan de Spaanse schilders El Creco en Velazquez.’ Zijn tekenstijl werd vergeleken met die van Honoré Daumier. Jan Engelman is de eerste die zijn stijl zo omschrijft. Volgens Plasschaert, die in 1933 de eerste monografie over hem schrijft, is Wiegersma ‘een psychologisch schilder en schildert hij nooit naar model, maar uit het hoofd.’

Hendrik Wiegersma, Zelfportret met gele blouse, olieverf op doek, 1933, collectie Museum De Wieger.

Hendrik Wiegersma, Zelfportret met gele blouse, olieverf op doek, 1933, collectie Museum De Wieger.

Breekpunt
In 1928 heeft hij zijn eerste solo-expositie in het Stedelijk Museum in Amsterdam, waar onder andere de Motorrijder is te zien, en in 1931 een in Den Haag. ‘Zijn naam als kunstenaar is dan definitief gevestigd.’ De Tweede Wereldoorlog bleek een breekpunt. Hij schilderde na de oorlog nog wel, maar behoorde niet meer tot de avant-garde. In 1950 (en eerder al in 1938) werd zijn werk uitgekozen voor een groepsexpositie tijdens de Biënnale van Venetië. In 1951 werd hij geselecteerd voor een groepsexpositie in São Paulo. Hij toonde op de exposities in 1950 en 1951 vooral werk uit de jaren dertig en weinig nieuw werk. Samen met Zadkine werd Wiegersma in 1954 benoemd tot lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Fraaie Kunsten, wat hij als eervol beschouwde.

Pieter Wiegersma zette zich in voor een museum als eerbetoon aan zijn vader. Hij kreeg daartoe van de gemeente de beschikking over het zestiende-eeuwse Dinghuis en Pieter werd de eerste conservator-directeur. In 1965 was de opening, waarbij Zadkine aanwezig was. Als basis voor de collectie dienden de eigen werken van Wiegersma en zijn verzameling. Wiegersma had weinig of geen eigen werk verkocht, hij hoefde er immers niet van te leven. Hooguit had hij met bevriende kunstenaars werk geruild, zoals met Permeke. Overigens had hij in de jaren vijftig ook alweer enkele schilderijen van Permeke verkocht. In 1969, na het overlijden van Hendrik Wiegersma, werd door de familie een groot deel van zijn internationale kunstcollectie (met werken van Permeke, Ensor, Kogan, Zadkine, Cantré) via een veiling verkocht, waarmee de internationale context helaas verdween. Het museum richtte de focus op figuratieve Nederlandse kunst in het interbellum. Gelukkig kocht de Provincie Noord-Brabant in 1969 vele schilderijen van Hendrik Wiegersma aan en gaf deze in bruikleen aan Museum Dinghuis.

Moissey Kogan, Vriendinnen, bronsreliëf, 1933, collectie Lex en Leonie van de Haterd.

Moissey Kogan, Vriendinnen, bronsreliëf, 1933, collectie Lex en Leonie van de Haterd.

Twee jaar voor zijn dood, in 1967, nam Hendrik Wiegersma het initiatief tot een fonds voor kunstaankopen. Ook de gemeente Deurne gaf jarenlang subsidie voor uitbreiding van de collectie. Pieter richtte zich bij aankopen naast het expressionisme ook op kubisme en surrealisme. Behalve kunst uit het interbellum kocht hij ook kunst van tijdgenoten. In 1976 verhuisde het museum naar De Wieger, de woning die Hendrik Wiegersma voor zichzelf had gebouwd. Vanwege het veertigjarige jubileum is daar nu in de voormalige ateliers een overzicht te zien van veertig jaar exposeren. Affiches van Zadkine, Charles Eyck, Henk Chabot, Willi Martinali en Gerrit van Bakel, om er een paar te noemen, getuigen van mooie exposities.

Semipermanent
De vaste presentatie over de wereld van Hendrik Wiegersma, die zich tot voor kort beperkte tot één kamer, is nu uitgebreid over alle ruimtes op de begane grond. Het is een semipermanente opstelling geworden. Dat wil zeggen dat er telkens geput zal worden uit een aantal thema’s en dat de invulling met kunstwerken en documentatie regelmatig wijzigt. De onderwerpen die nu aan bod komen, zijn Huize De Wieger, de zelfportretten van Hendrik Wiegersma, zijn vrouw Nel (zij werd door vele kunstenaars geportretteerd), zijn werk als arts, religie (hij was gelovig, maar niet kerkelijk), zijn voorliefde voor snelle voertuigen, Deurne en de Peel en Dorp aan de rivier (over de verfilming van het boek van Antoon Coolen).

Hendrik Wiegersma, De gebonden Christus, olieverf op doek, 1951, collectie Museum De Wieger.

Hendrik Wiegersma, De gebonden Christus, olieverf op doek, 1951, collectie Museum De Wieger.

Op de bovenverdieping is een tijdelijke expositie ingericht met werk van Hendrik naast dat van zijn zonen Pieter en Friso. Net als Hendrik waren ook zij in meerdere disciplines werkzaam. Behalve voor beeldende kunst hadden ze alle drie ook talent voor schrijven. Maar daarmee houdt zo’n beetje iedere vergelijking op. Hoewel Pieter en Friso Wiegersma ook als autonoom kunstenaar gewerkt hebben, waren zij toch vooral actief in de toegepaste kunsten, waarbij Pieter zich had gespecialiseerd in glas-en-lood en Friso in decorontwerpen.

Museum De Wieger is als een van de weinige musea in Nederland gespecialiseerd in kunst van het interbellum. De rijke collectie maakt het mogelijk om als basis te dienen voor exposities waarbij het werk van Hendrik Wiegersma getoond wordt in een artistieke context.

 

Jubileumtentoonstelling De Wieger en verwanten, t/m 22 mei 2016 in Museum De Wieger:

• De Wereld van Hendrik Wiegersma (permanente presentatie)
• Wiegersma & Zonen
• Beeld van 40 jaar exposeren

bc201602-irma_van_bommel-museum_de_wieger-Hendrik_Wiegersma_cover-1000

Lex van de Haterd, De Wieger. De man, zijn huis en de collectie.
Deurne: Museum De Wieger 2016, 108 pp, 100 afb., ISBN 9789048438815, pb., € 13,50.

www.dewieger.nl

 

© Brabant Cultureel – april 2016