Een imposant monument voor de joodse Noord-Brabanders, maar met gebreken

“Het zou meestal nog tientallen jaren duren voordat er in de publieke ruimten monumenten worden opgericht die herinnerden aan wat de joden in Noord-Brabant was overkomen.” Met deze voorspellende woorden eindigt het vuistdikke boek ‘Kroniek van ’n Vervolging. Joden in Noord-Brabant 1933-1948’ van Jan Bader. Hij richt met dit monumentale werk zelf een laatste monument op dat niet alleen herinnert, maar tegelijk probeert stem en zin te geven aan levens die op zinloze wijze zijn afgebroken.

door Camiel Hamans

Jan Bader (1942) is de historicus van het Noord-Brabantse jodendom. Hij schreef over de joodse geschiedenis van Breda, van Oss, van ’s-Hertogenbosch, Waalwijk, Eindhoven, Heusden, Geertruidenberg, Veghel, Tilburg, Bergen op Zoom enzovoorts, over joodse begraafplaatsen, over rabbijnen, over elk aspect van het joodse leven in deze provincie. Nu sluit hij zijn reeks publicaties af met een noodlotssymfonie van Mahleriaanse allure. 1398 overvolle pagina’s, vijf en een halve centimeter strak bijeengebonden drukwerk, honderden namen en duizenden details. Een magnum opus, waarvoor iedereen met enige belangstelling voor joodse geschiedenis, voor Shoah en herdenken hem dankbaar zal zijn.

Grootouders
Geen detail blijft onvermeld, want wie weet bijvoorbeeld dat de joodse refugiés die met alle andere Bredanaars begin mei 1940 geëvacueerd zijn op wat ‘de Vlucht’ is gaan heten, niet als hun medestadgenoten per konvooi teruggebracht mochten worden uit het onbezette deel van Frankrijk. Er was nog geen enkele anti-joodse maatregel genomen en toch verbood de rijkscommissaris reeds joden op algemene kosten terug naar huis te brengen. De ‘goede’ burgemeester Van Slobbe beklaagt zich erover bij het Rode Kruis dat het toch gebeurd is (p. 348).

Of wie beseft dat er tot vrijwel aan de bevrijding toe zoveel angst voor de Duitsers bestond dat een Bredase café-eigenaar twee maanden voor de bevrijding nog om een nieuw bordje ‘Verboden voor Joden’ verzoekt, omdat bij een vechtpartij zijn bordje in het ongerede is geraakt. De Bredase politie verzoekt de gewestelijk Politiepresident, die te Eindhoven zetelt, zo’n bordje te verstrekken (p. 1137). Alsof die president niet iets anders aan zijn hoofd had, vijf weken voor hij verjaagd werd.

Of hoe Amsterdammer Jo Juda, na de oorlog jarenlang concertmeester van het Concertgebouworkest – en niet zoals Bader schrijft rond 1930; in die jaren was Juda onder meer concertmeester te Arnhem en Groningen ─ vanuit het gijzelaarskamp in Sint-Michielsgestel probeert aan te tonen dat hij niet van vier joodse grootouders afstamt, maar slechts van twee (p.1014-1015).

Jan Bader. Foto Piet den Blanken.

Jan Bader. Foto Piet den Blanken.

Mutsaerts
Of dat Kamp Vught in 1943 een Aussenkommando Moerdijk kende, dat gevangenen dwangarbeid liet verrichten aan de versterkingen aldaar (onder meer p. 1006-1007 en 1065). Of waar joodse militaire bevrijders begraven zijn (p. 1283), of dat in 1942 de burgemeester van Eindhoven zich druk maakte over de vraag of er op de joodse begraafplaats eventueel een gemeentewapen te zien is (p. 805), of dat op 22 mei 1942 een joodse Bredanaar door een buurvrouw aangegeven werd en vervolgens opgepakt is, omdat hij zonder ster op zijn kleding in zijn tuin werkte (p. 543). Een dag later werd Bredanaar Marcus Cohen opgepakt omdat hij ongesterd zijn vuilnisemmer buiten had gezet, hetgeen hij met de dood in kamp Amersfoort heeft moeten bekopen (p. 543).

Of dat een inwoner van Oss in diezelfde tijd een joodse plaatsgenoot aangegeven heeft omdat deze een niet joodse buurjongen van veertien jaar zijn tuintje had laten omspitten (p. 539), of dat in Breda aan de keurige Baronielaan een Fräulein Goldschmidt aangegeven is omdat ze geen ster op haar kleding droeg. Of dat een goede vaderlander, wonende te Alkmaar, het nodig vond de autoriteiten erop te wijzen dat schrijver Herman de Man, eigenlijk Salomon Herman Hamburger heette en dus ook een jodenster diende te dragen. Dat Herman de Man zich buiten bereik der Nederlandse autoriteiten bevond en via de Londense radio te beluisteren viel, was de briefschrijver klaarblijkelijk ontgaan. De Man, die zich met zijn gezin tot het katholicisme bekeerd had, heeft weinig aan deze geloofsovergang gehad. Toen zijn vrouw en enige van zijn kinderen opgepakt waren om weggevoerd te worden, verzocht de Joodse Raad in ’s-Hertogenbosch bisschop Mutsaerts te interveniëren. Zijn reactie was veelbetekenend: “Vanaf nu zijn ze niet meer katholiek, maar joods” (p. 624-625).

Het beeld 'de Vlucht' van Hein Koreman in het Valenbergpark. Het beeld werd gemaakt naar aanleiding van de ecacuatie en vlucht van de Bredase bevolking in de meidagen van 1940. De jaarlijkse dodenherdenking op 4 mei vind plaats door kranslegging bij het beeldhouwerk. Foto Piet den Blanken

Het beeld ‘de Vlucht’ van Hein Koreman in het Valenbergpark. Het beeld werd gemaakt naar aanleiding van de evacuatie en vlucht van de Bredase bevolking in de meidagen van 1940. De jaarlijkse dodenherdenking op 4 mei vindt plaats door kranslegging bij het beeldhouwerk. Foto Piet den Blanken

Sterilisatie
Of dat sommige virulente antisemieten zich zelfs in het zicht van de nederlaag nog niet gewonnen gaven. Zoals die inwoner van Oss die op 17 september 1944, net voor de bevrijding, de Duitsers opnieuw wees op de onderduikplek van twee joodse medeburgers. Of hoe andere ideologisch gedrevenen het niet konden nalaten hun vreugde te uiten over anti-joodse Duitse maatregelen, en ze nog tot meer probeerden op te wekken. Zo werd op 29 maart 1942 een briefje aangetroffen op de deur van een Bossche school: “Den Jood heeft Christus aan het kruis genageld. Wij nagelen den jood en zijn gevolg aan het kruis. Sterilisatie van het geheele jodenvolk is een weldaad voor de wereld” (p. 523).

Verwey-Jonker
Maar ook goede Nederlanders krijgen een plaats in Baders boek: mr. J.J.A. van der Putt en Hilda Verwey-Jonker, die al in 1939 een Eindhovens vluchtelingencomité opzetten (p. 240). Of de moedige RK Staatspartij-politicus en burgemeester van Geldrop, Harry van der Putt, die niet naliet op te komen voor vervolgden en die zijn inzet met de dood heeft moeten bekopen. Hij legde overigens het accent op katholiek gedoopte joden. Of de burgemeester van Oirschot die in februari 1941 het enige joodse gezin in zijn gemeente ‘helpt’ met het zo invullen van formulieren dat het lijkt dat zij slechts gedeeltelijk van joodsen bloede waren (p. 378).

Mythe
Hoeveel dapperheid, inzet en moed er ook betoond is – wat er over onderduik, verzet en anti-Duitse gezindheid in dit boek opgesomd wordt, is indrukwekkend ─ de nadruk ligt toch op vervolging. Dat kan ook niet anders. Van de 2320 joden die in 1941 in Noord-Brabant woonden, zijn er in 1946 een schamele 650 over.

Een belangrijke doelstelling van Bader, naast het zo volledig mogelijk opsommen van wat er met, rond en door joden gebeurd is in de periode 1933-1950, is daarom ook het ontmythologiseren van de oorlog en het verzet. Veel van de naoorlogse plaatselijke geschiedenissen schetsen een heroïsch beeld van de wijze waarop het goede vaderland zich tegen de Duitsers gekeerd heeft en het opgenomen heeft voor de vervolgde medeburgers.

Een sterk staaltje verhaalt Bader als het gaat over drie bekende joodse, Bossche voetballers, de broers Louis, Benjamin en Salomon Voltijn. Het gedenkboek van hun vereniging dat in 1946 verscheen, beschrijft hoe een paar duizend stad- en clubgenoten op 3 augustus 1942 de broers tot aan het station vergezeld zouden hebben, toen zij zich dienden te melden om op transport te gaan. Niets daarvan! De broers hebben zich ’s ochtends in alle stilte en eenzaamheid gemeld.

Stolpersteine aan de Sint Catharinastraat 8 in Eindhoven. Foto Piet den Blanken

Stolpersteine aan de Sint Catharinastraat 8 in Eindhoven. Foto Piet den Blanken

Knuvelder
Bader behandelt, zoals reeds gezegd meer dan de oorlogsjaren. Het gaat hem erom te laten zien dat de uitzonderingspositie waarin de joden tijdens de bezetting verkeerden weliswaar in hevigheid en intensiteit afweek van de periode ervoor en erna, maar dat de gehele tijdspanne er een is van antisemitisme en discriminatie.

De ‘Zaak Oss’, waarbij wel de joodse vleesmagnaat Maurits Zwanenberg in 1938 voor schut ging vanwege ontucht met minderjarigen, maar twee katholieke priesters vrijuit gingen, en die voor Zwart Frontleider Arnold Meijers aanleiding vormde tot een goed georkestreerde antisemitische hetze (p. 177-179) is een gekend voorbeeld. Het geval Haalman uit 1934 is veel minder bekend. De dochter van de Bredase burgemeester Van Sonsbeek had zich op school enige antisemitische opmerkingen gepermitteerd. SDAP-gemeenteraadslid Haalman stelde deze zaak aan de orde. Dat kostte hem niet alleen zijn raadszetel – hij zat al vijftien jaar in de raad ─ maar dwong hem zelfs met zijn gezin de wijk naar Rotterdam te nemen (p. 79-82).

Gerard Knuvelder, na de oorlog rector van een grote scholengemeenschap in Eindhoven en zeer gewaardeerd historiograaf van de Nederlandse letterkunde, kon zonder veel opschudding te verwekken in 1933 in Roeping schrijven: ‘Inderdaad: de Joden vormen een enorme, een gevaarlijke macht in Europa en Amerika; zij zijn in staat een complete hetze te ontketenen op elk gewenst moment. Zij staan achter het grootkapitaal en de wereldpers; de wereldpers en het grootkapitaal staan achter hen. (…) De onttroning van de Jodenmacht was een consequentie van de herstelling der gerechte orde ─ de verbranding van de Schund [bedoeld is de Duitse boekverbrandingen CH] een symbool van terugkeer tot kristelijke gezondheid en zede (p. 47).

Het persoonsbewijs van Maria van Schijndel (1922) uit Veghel dat Betty van Zwanenbergh (1923-2001) gebruikte en waarmee ze de oorlog overleefde.

Het persoonsbewijs van Maria van Schijndel (1922) uit Veghel dat Betty van Zwanenbergh (1923-2001) gebruikte en waarmee ze de oorlog overleefde.

Netty Rosenfeld
Na de bevrijding is de situatie wellicht minder expliciet antisemitisch, maar niet wezenlijk veranderd. Oktober 1944 solliciteert Netty Rosenfeld naar een functie als omroepster bij Radio Herrijzend Nederland in Eindhoven. Toen de luisteraars merkten dat er ‘een jodin achter de microfoon zat’, waren de antisemitische reacties niet van de lucht (p. 1153). En in februari 1945 wijst het Rijksbureau voor Textielgoederen een joodse sollicitant af: ‘Een jood stuit immers op zoveel weerstand in de handelswereld, dat het bureau niet meer joden kan aannemen dan overeenkomt met hun percentage ten opzichte van de gehele bevolking’ (p. 1208-1209).

Palestina
Bader baseert zijn studie op alle toegankelijke bronnen. Dat zijn voor de vooroorlogse en naoorlogse periode vaak kranten, maar daarnaast heeft hij alle beschikbare archieven doorgewerkt, alle beschikbare overheidsbronnen, maar ook dagboeken, gepubliceerde en literair bewerkte zoals Bert Voetens Doortocht, maar evenzeer ongepubliceerde zoals de uitvoerige notities van de voorzitter van de Joodse Raad in Breda, Henry Samuel.

Bader beperkt zich ook niet tot puur Noordbrabantse bronnen en het werk van Lou de Jong en Presser worden frequent geciteerd. Soms is onduidelijk waarom een buiten-Brabantse bron voor een buiten-Brabants feit opgevoerd wordt. Als voorbeeld moge dienen een artikel uit de Leidsche Courant van 27 juli 1946, geciteerd naar het Nieuw Israëlitisch Dagblad van 9 augustus van hetzelfde jaar over ‘Anti-Semitisme in Nederland. Anno 1949’ (sic; p. 1312). Geen woord over deze provincie. Het is een artikel gericht tegen de joodse guerrilla in het Heilige Land. Een ander voorbeeld (p. 1367-1368), deze keer wel uit een Brabantse bron, de Bredasche Courant, maar eveneens uitsluitend over Palestina en de joods-Britse-Arabische gevechten aldaar.

Baders behandeling van zijn bronnen lijkt uitputtend, maar helaas bevat de uitvoerige studie geen bronnenlijst of literatuuropgave. Bij de citaten is telkens de vindplaats in het kort aangegeven. Dit is voor wie het boek wil lezen geen bezwaar, voor wie de studie wetenschappelijk hanteert wel. Of Bader alle relevantie bronnen en literatuur gezien heeft, is nu onmogelijk na te gaan. Het zal wel, want hij heeft zoveel gezien, samengevat en geciteerd dat het nauwelijks voorstelbaar is dat hij iets over het hoofd gezien heeft, maar controleren kan men het niet. Evenmin wordt nu duidelijk welke bronnen Bader meer heeft gezien dan andere onderzoekers.

Jan Bader heeft niet alleen monnikenwerk verricht, maar ook een levenstaak vervuld. Foto Piet den Blanken

Jan Bader heeft niet alleen monnikenwerk verricht, maar ook een levenstaak vervuld. Foto Piet den Blanken

Van Straten
Zo zijn er meer problemen met deze eigenlijk boven kritiek verheven studie. Bader werkt chronologisch. Zijn enige indeling is die per jaar, waardoor 1942 – het jaar waarin de deportatie zijn hoogtepunt bereikte ─ het uitvoerigst behandeld is. Zo’n strikt chronologische aanpak leidt ook tot een ander euvel, namelijk dat zaken niet in samenhang behandeld worden, maar per incident.

Een voorbeeld is het lot van de Zevenbergse familie Van Straten. Vader Van Straten, slager van zijn vak, is in november 1940 tegenover zijn zaak aan de Noordhaven te water geraakt, gered door een Duitse soldaat, maar helaas toch aan de complicaties overleden (p. 357). Moeder en zoon blijven over en treden nog een aantal malen op in het boek voor ze gedeporteerd worden. Wie een geschiedenis van de Zevenbergse Van Stratens en hun ongeluk wil schrijven, kan niets anders doen dan de kleine veertienhonderd pagina’s van Bader regel voor regel nalopen om te zien waar ze opduiken. Het boek kent namelijk geen registers. Geen persoonsregister, geen plaatsregister, geen stratenregister, geen zakenregister, niets, hetgeen de bruikbaarheid van het boek als naslawerk zeer ongunstig beïnvloedt.

Wereldjezuïtisme
Wie belangstelling heeft voor de zaak Van Roessel, directeur van de gemeentewerken te Bergen op Zoom, kan eveneens niets anders doen dan pagina na pagina doorzoeken om te kijken of de Bergse ingenieur nog ergens opduikt. Van Roessel heeft in 1938 een antisemitische brochure gepubliceerd De Duivelsche Drie-eenheid, waarin hij de mensheid waarschuwt voor het ‘wereldjodendom, de wereldvrijmetselarij, een kunstmatig jodendom, en het wereldjezuïtisme, gecamoufleerd jodendom’ (p. 198). Dat kostte hem zijn baan, waartegen hij in verzet ging, maar intussen was hij al naar Duitsland uitgeweken. Daar sloten zijn opvattingen meer aan bij de publieke opinie dan in het vooroorlogse Nederland. Van Roessel bleef op het verkeerde paard wedden en komt zodoende nog enige malen voor in Baders boek.

Ook de ‘faits et gestes’ van joodse verzetstrijder Schuschu, die januari 1943 in Breda overleden is, komen door Baders strikt chronologische werkwijze uiterst fragmentarisch aan bod. Bader onderkent dit euvel blijkbaar en vat alles wat eerder over Schuschu – eigenlijk Joachim Simon – geschreven is samen in een overzichtsparagraafje (p. 828-832). Dat volgt meteen op 27 januari 1943, Schuschu’s sterfdag. Voor wie die niet in het hoofd heeft, is deze samenvatting niet te vinden, want in de inhoudsopgave staan alleen de behandelde jaren vermeld.

Hetzelfde probleem geldt voor de befaamde niet-joodse verzetsstrijder Joop Westerweel (p. 1107), wiens band met Noord-Brabant er voornamelijk uit bestaan heeft dat hij de Nederlands-Belgische grens een aantal malen illegaal vanuit Noord-Brabant heeft overschreden en die in Vught geïnterneerd en geëxecuteerd is.

Stolpersteine aan de Prins Hendrikstraat 46 in Eindhoven. Foto Piet den Blanken

Stolpersteine aan de Prins Hendrikstraat 46 in Eindhoven. Foto Piet den Blanken

Weinreb
Het feit dat het boek uitsluitend chronologisch geordend is, maakt het zoekwerk uitermate lastig en belemmert het overzicht. Dat beseft Bader en daarom voegt hij met enige regelmaat overzichtsstukjes in op een moment dat een zaak actueel is. Zo schrijft hij over Westerbork als de deportaties beginnen (p. 569). Net zo over de onderduik (p. 589), maar dat hij vierhonderd pagina’s later (p. 974) over de hulp aan onderduikers schrijft, en opnieuw over onderduiken vanaf pagina 1101, ziet alleen de volhouder. Ook kruisverwijzingen komen niet voor in dit boek.

Over politie en de organisatie daarvan gaat het bijvoorbeeld op pagina 761 en volgende, maar opnieuw op pagina 859. Lang niet altijd is duidelijk waarom een overzichtsparagraafje opgenomen is op de plek waar het staat. Over Weinreb, de man van de gefantaseerde lijsten die tot uitstel van deportatie konden leiden, gaat het op pagina 712. Over Sperre, een tijdelijke vrijstelling voor deportatie, op pagina 770, meteen nadat Calmeyer behandeld is, de Duitse jurist die over afstammingsonderzoek ging en joden tot geheel of gedeeltelijke ariër kon verklaren. Een relatie tussen Calmeyer en Sperre is niet moeilijk te bedenken, maar die tussen Weinreb en Sperre of Joodse Raad en Sperre zijn zeker zo evident.

Overigens is Bader niet altijd consequent in zijn strikt chronologische aanpak. Het bunkerdrama in Vught waarbij 74 vrouwen in een cel opgesloten werden, waardoor er tien gestikt zijn, heeft zich afgespeeld op 15 en 16 januari 1944, maar wordt behandeld bij 12 november 1943, omdat dit de dag is waarop een van de slachtoffers opgepakt is.

Jan Bader in de synagoge aan de Schoolstraat in Breda. Foto Piet den Blanken

Jan Bader in de synagoge aan de Schoolstraat in Breda. Foto Piet den Blanken

Henri Polak
Baders criteria zijn niet altijd evident of helder. Zo bespreekt hij uitvoerig de lotgevallen van de socialistische voorman Henri Polak (p. 180-181), zijn veroordeling in 1938 vanwege belediging van de fascistische advocaat mr. F.W.Meijer, en zijn politieke loopbaan. De aanleiding lijkt het feit dat een Brabantse krant over Polaks rechtszaak schreef.

Net zo in 1934, als de vehement fascistische redenaar Van Rappard in Arnhem afgeeft op het jodendom (p. 72). Dat argument van een regionale publicatie geldt niet als Bep Turksma (p. 839), bekend uit de polemiek tussen W.F. Hermans en Renate Rubinstein over Weinreb, erin slaagt bij Esbeek de Belgische grens over te steken. Het zeer lange citaat daarover komt uit haar eigen geschiedschrijving. Wat deze, en vele andere, feitjes en beschrijvingen van doen hebben met de vervolging van de joden in Noord-Brabant blijft bij gebrek aan een heldere afbakening van het onderwerp van deze studie onduidelijk.

Dank
Als gezegd Baders studie is een monument, met alle gebreken van een monument: ontilbaar zwaar, onhanteerbaar en bij gebrek aan duidelijke afbakening ook onhelder. Toch kunnen toekomstige generaties onderzoekers niet om Bader heen. Laten we dan wel hopen dat uitgever dr. Perry Pierik van Aspekt het digitale manuscript van dit levenswerk bewaart, zodat er een database van gemaakt kan worden die doorzoekbaar is op namen, data, plaatsen en nog veel meer.

Jan Bader heeft niet alleen monnikenwerk verricht, maar ook een levenstaak vervuld. Hij verdient daarvoor eeuwige dank. Hij heeft stem gegeven aan wie die stem door vervolging en geweld ontnomen is. Hun nagedachtenis zij ons tot zegen.

bc2016-camiel_hamans-kroniek_van_een_vervolging-omslag-0995042-750

Jan Bader, Kroniek van ’n vervolging
Joden in Noord-Brabant 1933-1948
Soesterberg: Aspekt 2016, 1398 pp., ISBN 9789461537799, pb., € 99,95

www.uitgeverijaspekt.nl

© Brabant Cultureel – april 2016