Twee gedichten

door Herman Coenen

 

SLAKJE

Vanmorgen word ik wakker met een slakje
als een vreemde dreiging boven mij,
daar hangt hij tegen het helder grijs van het tentdoek,
donker in het midden, aan de randen licht doorschijnend,
een langgerekt puntig lijf, elegant als een walvis, maar zonder zwaarte,
stil en gewichtloos drijft hij als een prooivogel in het zwerk.
Ik met mijn kleine moed, raak hem aan, hij krimpt,
ik pak hem met twee vingertoppen vast, trek hem zachtjes los
van het doek, slakje, ik bespaar jou en mij de ondoenlijke ontmoeting
met een wereld buiten bereik, zinloze sprong over de kloof van de evolutie
en zet je voorzichtig neer in het gras, ga en vermenigvuldig je,
hier waar het nog kan, ik vervolg straks mijn weg, ver van het gewoel
waar ook ik niet echt meer lijk te passen.

 

NAMIDDAG

De laatste droog gebleven rots
in de plotseling gestegen oceaan
pleintje met rozen omkranst
op de trappen twee jonge gezinnen
vier flessen bier, vijf kinderen
en schaduw, in de zon tafels en stoelen
reizigers van waar ter wereld
hier toevallig bijeen, wij kunnen
niet meer weg, maar het maakt niet uit
het café met de vriendelijke vrouwen
heeft in zijn binnenste iets onuitputtelijks
aangeboord, het overleven van de menselijkheid
is verzekerd, de laatste boei voor de nacht komt
en de eerste zonsopgang vanachter de oostelijke horizon.

 

Herman Coenen (1946) is socioloog en oud-hoogleraar van de Universiteit voor Humanistiek (Utrecht) en woont in Tilburg. Hij publiceerde eerder gedichten en korte verhalen in literaire tijdschriften, eigen bundels en op cd. Hij publiceerde eerder in Brabant Literair.

hermancoenen.wordpress.com

© Brabant Cultureel – december 2015