Foto Joep Eijkens

In het rijk der geesten van Paul Bogaers

Paul Bogaers exposeert momenteel in het Amsterdamse fotografiemuseum Foam. In gesprek met een kunstenaar die fotografie en ruimtelijkheid op een geheel eigen wijze in zijn werk combineert.

door Joep Eijkens

Eind 2003 vond in de zogeheten vertoningsruimte Argument te Tilburg een merkwaardige tentoonstelling plaats. Paul Bogaers exposeerde er een mengeling van foto’s en vreemde van takken en botjes gefabriceerde objecten waarvan sommige aan primitieve Afrikaanse maskers deden denken. Had de Tilburgse kunstenaar zich laten inspireren door zijn verblijf in Zuid-Afrika? My Life in the Bush of Ghosts heette de expositie, een verwijzing naar het cult-album van Brian Eno en David Byrne die de titel op hun beurt ontleenden aan de veel minder bekende roman van de Nigeriaanse schrijver Amos Tutuola.

Twaalf jaar later heeft Bogaers een expositie met dezelfde titel, maar de verschillen zijn groter dan de overeenkomsten. Dat begint al met de locatie. Niet de bescheiden (en inmiddels verdwenen) tentoonstellingsruimte van toen, maar twee zalen en een gang als entree in het Amsterdamse fotografiemuseum Foam.

De eerste zaal tijdens de drukbezochte opening van de tentoonstelling. Foto Joep Eijkens.

De eerste zaal tijdens de drukbezochte opening van de tentoonstelling. foto Joep Eijkens.

Wie het atelier van de Tilburgse kunstenaar wel eens bezocht heeft, krijgt sterk het idee dat een deel ervan overgeplaatst is naar Amsterdam. Zelfs de corridor naar de zalen doet sterk denken aan de met opgezette dieren, oude wandplaten en vreemde objecten behangen gangen in het voormalige schoolgebouw waarin Bogaers een groot klaslokaal tot zijn beschikking heeft. Maar terwijl dat lokaal van week tot week en soms van dag tot dag van aanzien verandert door nieuwe scheppingen, heerst in Foam de rust van – ja, van wat eigenlijk? De rust van een museum? Een rariteitenkabinet? Mischien komt het begrip Wunderkammer er nog het dichtst bij.

Papier-maché
Hoe je het ook benoemt, de bezoeker wordt in Foam geconfronteerd met een buitengewone verzameling schilderijen, sculpturen en andere objecten. Nu eens doen die denken aan primitieve kunst, dan weer aan outsiderkunst. En, heel bijzonder, voor het maken van al die voorwerpen combineert Bogaers fotografie met… papier-maché, een materiaal dat je eerder associeert met de poppetjes die je op de kleuterschool van papierpap kneedde dan met beeldende kunst.

Eén van de eerste keren dat ik werk van Bogaers zag, ging het om een reeks foto’s die hij exposeerde op het Fotofestival van Naarden. Ik herinner mij fotocollages van eigen en gevonden foto’s, associatief, droomachtig, surrealistisch, soms licht erotisch. Die fotowerken hoorden zo duidelijk bij elkaar dat je van één kunstwerk kon spreken, een soort beeldverhaal of een gedicht in foto’s. Al ‘werkten’ ze ook los van elkaar, het geheel was duidelijk groter dan de som der delen.

Hetzelfde kun je zeggen van de tentoonstelling in Foam, zij het dat de objecten nog meer bij elkaar lijken te horen, elkaar versterken en als het ware familie van elkaar zijn. En het is mede dankzij de grote hoeveelheid dat je als bezoeker van deze wonderlijke bushbush overdonderd wordt. Zelf heeft Bogaers het over het ‘geestenbos’ dat hij bijna dagelijks binnengaat bij het betreden van zijn atelier.

Afgerond
Dat atelier, of althans een deel daarvan, ziet er enigszins leeg – om niet te zeggen verweesd – uit als ik Bogaers daar spreek naar aanleiding van zijn tentoonstelling. Dat lege bevalt hem wel, zegt hij desgevraagd.

Sterker nog: ‘Ik wil niet dat die dingen straks weer terugkomen. Ik heb de ruimte nodig om verder te gaan met nieuw werk, een volgende stap te maken. Net zoals toen bij De Pont (in 2010; je) zie ik zo’n tentoonstelling als een afgerond hoofdstuk. Hoe ik het ga doen weet ik nog niet, maar voorlopig zal ik het materiaal opslaan en het proberen te verkopen. Lukt dat niet, dan moet het weg, vernietigd worden. Dan heeft het zijn functie gehad.’

Paul Bogaers: 'Ik ga meer doen met mijn beschilderde vrouwen en minder met voodoo'. Foto Joep Eijkens.

Paul Bogaers: ‘Ik ga meer doen met mijn beschilderde vrouwen en minder met voodoo’. foto Joep Eijkens.

Dat doet denken aan een performance waarvan na de voorstelling niets tastbaars resteert, hoogstens audiovisueel materiaal.
‘Ja, of vergelijk het met theater. Daar bewaren ze toch ook niet de decorstukken?

Je werk heeft de afgelopen jaren een ingrijpende verandering ondergaan en het meest opvallende is natuurlijk de switch van twee- naar driedimensionaal. Een bewuste keuze of niet?
‘Totaal onbewust! Het heeft mijzelf ook verbaasd. Ik zal het je nog sterker vertellen. Zie je daar aan de muur die schedeltjes en botjes? Die heb ik mooi bevestigd op een stukje hout, leuk om te maken, een soort hobby. Het doet denken aan je kindertijd, als je een vogelschedeltje vond en mee naar huis nam. Een jaar of acht geleden zat ik hier met een vriend, Fred van Eldijk en die zei, wijzend naar die schedeltjes: jij zou eens ruimtelijk moeten gaan werken. Absoluut niet! reageerde ik. Ik ben altijd een platte denker geweest. Op de academie had ik ook niks met ruimtelijk werken. Als fotograaf ben je juist bezig de dingen terug te brengen tot het platte vlak.’

‘Vijf jaar geleden had ik een tentoonstelling in De Pont. Na afloop ben ik in een soort crisis terecht gekomen. Ik had geen zin meer met hetzelfde soort fotowerk verder te gaan, het riep zelfs weerzin op. Maar ik wist niet wat ik dan wel moest gaan doen, dus ik zat vast. Om werk te maken moet je door iets gebiologeerd zijn, maar ik was niet eens geïnteresseerd. Er zat niets anders op dan wachten tot er iets kwam.’

Dat ‘iets’ diende zich aan in de vorm van Afrikaanse kunst. Bogaers: ‘De interesse voor Afrikaanse kunst is altijd wel latent aanwezig geweest. Maar ik had er nooit iets mee gedaan. Ik ben me erin gaan verdiepen, gaan kijken op internet en op een gegeven moment dacht ik: ik ga eens zo’n masker namaken, gewoon als studie. Van papier-maché, omdat dat zo’n gemakkelijk materiaal is om iets van te maken. Ik merkte dat ik het fijn vond om te doen – dat plezier was ik in de fotografie ook kwijt geraakt – en om iets met mijn handen te maken.’

Met name het uit tientallen omhoogkijkende figuren bestaande kunstwerk Of Infinite Height trok meteen al op de opening veel aandacht. foto Joep Eijkens

Met name het uit tientallen omhoogkijkende figuren bestaande kunstwerk Of Infinite Height trok meteen al op de opening veel aandacht. foto Joep Eijkens

Maar je was toch al in 2003 bezig met objecten en Afrika, getuige die tentoonstelling in Argument, nota bene onder dezelfde titel als nu in Foam?
‘Dat was ik alweer vergeten,’ reageert Bogaers enigszins verrast en lachend. ‘En je kunt nog verder teruggaan. In 2000 heb ik drie maanden doorgebracht in Zuid-Afrika in het kader van een uitwisselingsproject van kunstenaars uit Nederland en Zuid-Afrika. Ik verbleef bij een zwarte vrouw, een kunstenares, die in een zwart woongebied woonde, in een primitieve plattelandsomgeving. Het was nog in het analoge tijdperk en ik kon daar geen foto’s afdrukken. Dus ik dacht: laat ik iets anders doen, laat ik gaan werken met dingen die ik daar vind. Zo zijn de eerste ruimtelijke dingen ontstaan.’ Hij staat op pakt een vreemd uitziend voorwerp van een hangertje aan de muur. ‘Kijk, zoiets, gemaakt van een hondenkaak en een stuk van een oude schoen.’

‘Ik heb die dingen geëxposeerd in Kaapstad en later dus bij Argument. Maar het was niet meer dan een intermezzo, dusdanig onbelangrijk dat ik het zelfs vergeten was. Ik zat toen dus wel even op het ruimtelijke spoor, maar kon er verder niets mee. Soms kun je iets te vroeg doen. Ken je dat voorbeeld van de fiets en Leonardo da Vinci? Hij tekende een fiets, maar de techniek en manier van denken om er iets mee te kunnen doen, waren er toen nog niet.’

Eigenlijk was je nog veel eerder gefascineerd door Afrika, als we af mogen gaan op je collageverhaal Tropenwee uit 1991.
‘Ja, maar dat had niets met Afrikaanse kunst te maken. Daar ging het over het romantische, negentiende-eeuwse beeld van Afrika.’

Je werk doet zoals gezegd soms ook aan outsiderkunst denken. Veel kunstenaars uit dat genre hebben een extreem autistische of psychiatrische achtergrond en kunnen niet anders dan steeds doorgaan met hun werk. Bij jou gaat het daarentegen om bewuste keuzes, al lijkt er af en toe ook sprake van een scheppingsdrang die aan het obsessieve grenst. Toch een beetje outsider?
‘Ik voel zeker een verwantschap, maar er is een belangrijk verschil: een outsider heeft eigenlijk geen weet van de context waarin hij werkt. Ik weet dat wel, ken mijn positie in het kunstdiscours. Toch schuurt het er wel tegenaan omdat wat ik doe niet past bij wat er verder gebeurt in de kunst. En in zoverre voel ik me toch wel een outsider.’

Hoe reageert het publiek op je tentoonstelling in Foam?
‘Mensen zijn in het algemeen heel enthousiast. Logisch, zo’n tentoonstelling roept verbazing op en verwondering. Of iedereen het ook goed vindt, is iets anders, maar het pakt de mensen wel. Wat mij opvalt is dat er vrijwel geen enkele opmerking komt in de sfeer van: dit is toch geen fotografie, hoort dit wel in een fotografiemuseum? Wat dat betreft roept het minder discussie op als verwacht.’

'Invocations of Beauty and Youth'. Paul Bogaers. Courtesy Galerie Pennings.

‘Invocations of Beauty and Youth’. Paul Bogaers. Courtesy Galerie Pennings.

Dat leidt hem tot een positieve conclusie: ‘Ook als je je aan niets of niemand gelegen laat liggen bij wat je maakt, kun je als randfiguur toch op den duur in het centrum komen – waar jonge kunstenaars zitten die ook die kant opgaan, cross-overs maken met andere media, fotografie combineren met ruimtelijkheid.’ Hij kent wel meer voorbeelden van oudere kunstenaars die pas op latere leeftijd door een nieuwe generatie omarmd werden als pionier.

Heb je al plannen voor nieuw werk?
‘Ja, ik ga meer doen met mijn beschilderde vrouwen en minder met voodoo. Het uitgangspunt fotografie plus ruimtelijkheid wil ik verbreden, er zijn veel meer mogelijkheden.’

Bogaers heeft zich wel eens ‘gedachtefotograaf’ genoemd. En het is die term die me weer te binnen schiet als hij aan het einde van het interview tamelijk onverwacht te spreken komt over geesten. Het lijkt wel alsof hij nu pas goed op zijn praatstoel zit. ‘In mijn hele carrière ben ik bezig geweest om te proberen het onzichtbare zichtbaar te maken,’ zegt hij. En even klinkt het als één van de duizenden, uit honderden boeken geplukte zinnen die het bouwmateriaal vormden voor zijn collageroman Onderlangs. Maar nee, hij meent het serieus.

‘Natuurlijk is dat moeilijk, het onzichtbare zichtbaar maken, zeker met fotografie, een medium dat zo uitgesproken gebonden is aan de zichtbare werkelijkheid. Maar in mijn visie is dat toch waar iedere kunstenaar eigenlijk op uit is: niet een reproductie van de zichtbare wereld maken, maar een openbaring van een onzichtbare, subjectieve wereld daarachter.’

Dat onzichtbare vat hij heel breed op, van gevoelens en fascinaties tot religieuze ervaringen en wetenschappelijke theorieën. ‘De wereld van het onzichtbare is ook die van de geesten. Een term, en ook een manier van denken, die ik ontleen aan de Afrikaanse religies. Wij zouden het eerder hebben over het geestelijke. Wat mij zo aanspreekt in de Afrikaanse kunst is dat ze vrijwel altijd bedoeld is om deze geestenwereld, deze onzichtbare wereld, zichtbaar te maken.’

Paul Bogaers, Black Ellis, 2012. foto Courtesy Galerie Pennings

Paul Bogaers, Black Ellis, 2012. foto Courtesy Galerie Pennings

Medium
Om zichtbaar te worden heeft het onzichtbare een medium nodig, meestal een mens, vervolgt hij. ‘Een priester, waarzegger, spiritistisch medium, wetenschapper of kunstenaar.’ Maar ook het kunstwerk zelf ziet hij als medium: ‘Want het vormt de verbindingsschakel tussen de zichtbare en tastbare wereld van de materie en de onzichtbare wereld van de geest.’

Op een kast staan tientallen houten Afrikaanse beeldjes, een bijzondere verzameling die hij de afgelopen jaren opgebouwd heeft. ‘Volgens Afrikaanse geloofsopvattingen worden dit soort beeldjes en maskers beschouwd als behuizing voor de geesten. Ze lijken wel op mensen of dieren maar zijn dat niet. Die gelijkenis hebben ze alleen om zich er mee te kunnen identificeren, precies zoals bij ons Marsmannetjes en aliens uit sf-romans.’

Bogaers vergelijkt de ‘dingen’ die hij maakt met genoemde geestenwoningen. Hij ziet echter nog meer overeenkomsten, om niet te zeggen geestverwantschappen: ‘In onze westerse traditie wordt een kunstwerk gemaakt en dan is het “af”. In de Afrikaanse manier van denken is een kunstwerk “begeesterde materie”, iets dat leeft. Het kent geen voltooide staat, het is altijd in beweging en in ontwikkeling.’

Voor Bogaers is dat een inspirerende benadering die ook beter aansluit bij zijn eigen werkwijze dan ‘de westerse zienswijze’. ‘Ik heb zelden het gevoel dat een werk “af” is, en heb bovendien het idee dat al mijn werken met elkaar samenhangen. Je zou kunnen zeggen dat ze allemaal bij elkaar één kunstwerk zijn dat voortdurend van vorm verandert. De notie dat een kunstwerk nooit “af” hoeft te zijn, vind ik een hele geruststellende.’

 

‘Paul Bogaers: My Life in the Bush of Ghosts’, t/m 17 januari 2016 in Foam, Amsterdam. 

www.foam.org
www.paulbogaers.com

© Brabant Cultureel – december 2015