Peter H. van Lieshout overleden

Op vrijdag 27 oktober 2017 is Peter H. van Lieshout in Amsterdam overleden. Hij werd in 1946 in ’s-Hertogenbosch geboren en debuteerde in 1966 als negentienjarige bij Uitgeverij Querido met de roman De Generalenrepetitie over het leven van jongeren in ’s-Hertogenbosch begin jaren zestig. Zijn tweede roman Slow Motion verscheen in 1974 bij Uitgeverij Agathon. Hij publiceerde vanaf de jaren zestig vooral poëzie in verschillende literaire tijdschriften en hij was medeoprichter van de poëziestroming De Brabantse School. Daarnaast maakte hij naam als vertaler van moderne Amerikaanse literatuur – onder meer werk van Jack Kerouac en William S. Burroughs voor bijvoorbeeld Poetry International – en als recensent van Amerikaanse en Nederlandse literatuur. Als recensent werkte hij onder meer voor De Volkskrant.

Op woensdag 3 augustus 1966 besloot Van Lieshout samen met twee Bossche collega-dichters Hans Vlek en Frans Kuipers, om spontaan gedichten te gaan voorlezen. Zij wilden dat belangstellenden niet meer naar de boekhandel hoefden om poëzie te vinden en dat gedichten overal konden worden gelezen en gehoord. De allereerste ‘happening’ vond een dag later plaats in de stationshal, de volgende bijeenkomst was weer een dag later op de Markt bij Jeroen Bosch. Het publiek reageerde enthousiast, maar de hoeders van de openbare orde niet en de eerste bijeenkomsten werden door de politie uiteen gejaagd. ‘Dat happenen moet maar in Amsterdam gebeuren’, was de officiële reactie. Hierna bond de burgemeester echter in en kregen de dichters een vergunning waarmee ’s-Hertogenbosch de eerste stad in Nederland werd met een legale poëziehappening op straat. 6 Augustus 1966 is de heuglijke datum.

Samen met Harry Hoogstraten en Jos Knipscheer begon hij in 1975 het ‘tijdschrift voor etno- en avantgarde literatuur’ Mandala, waaruit een jaar later Uitgeverij In de Knipscheer voortkwam. Met Leon de Winter en Craig Strete debuteerde hij bij deze uitgeverij in november 1976 met de bundel Zo goed als nieuw. Bewaarde gedichten 1966-1976. Met Mandala en Uitgeverij In de Knipscheer was hij betrokken bij de befaamde One World Poetry-festivals die eind jaren zeventig en begin jaren tachtig plaatsvonden in Amsterdam.

Zijn intensieve en inspirerende werk als vertaler, recensent en redacteur stond een groter eigen oeuvre in de weg. Zijn aangekondigde roman Bossche Getijden is dan ook nooit verschenen. Peter van Lieshout is een van de geportretteerden in het boek Dit gaat nooit meer voorbij; Bossche popmuziek en literatuur in de sixties. Behalve in de literatuur was Van Lieshout ook in de rockwereld een bekend gezicht. (lt)

Foto Frans de la Cousine

 

gedicht

KIJK: dit is weer zoon gedicht,
wat lang misschien
maar echt geschreven
in een volle trein

De schrijfblok op de knieën –
onderwijzeressen tegenover me
en ik op weg van A’dam naar Ehv,
naar de presentatie van
Nieuw Tijdschrift,
een nieuw tijdschrift uit het zuiden.

De vrouw van Peter Schuddeboom
zei wat de bedoeling was en
Hans van den Waarsenburg
schold Bert SA Peto uit voor lul,

omdat ie niets begrepen had
van de Russische Revolutie
en de Beginselen van het Marxisme
met Lenin als speldje nog wel
op zijn revers. Ik heb een mikrofoontje

opgegeten en terwijl dat ding
door de luidsprekers bulderend
langs mijn kunstgebit heen en
weer schoof een trompet in de
gulp geplaatst en met een strijkstok
aangestreken.

Een leuke avond, zoals je die jaren
geleden vaker meemaakte. Halverwege
vergeten dat ik geen alkohol meer gebruik
en pils gedronken, een ongezonde drank
die onmiddellijk het brein bedekt,
als een natte paardedeken.

Free Jazz, daar houden ze daar nog van,
en van de opgehangen schilderijen
kun je niet zien wat het voorstelt.
Een tijdreis, alweer een tijdreis,
van West naar Zuid, maar wie ben ik
dat ik dat zeggen kan, een week geleden
godzijdank terugverhuisd van Amsterdam
(dode stad midden in de zestiger jaren)
naar Shertogenbosch, magisch centrum,
gehurkt rond de romen kathedraal,
Gods eigen teelichtje, waar Jeroen Bosch
indertijd verlicht door heksenbrouwsels
van doornappels en belladonna
genoot van grote zweterige parels-in-de-reet
visioenen, kristallen stad vol haren

waar nog steeds mijn boekenrekening openstaat en
een dolkomisch klubje kulturele burgers
kasteelavondjes belegt vol letterkunde
en coeverts van dertig ballen per persoon
in mindering gebracht op de subsidie –

een goede gemeente waar, nu de talingen
overwieken en route van Alexandrië
naar Wladiwostok ik bedoel natuurlijk Moermansk
(konvooien eenden die met hun stomme kop
hun reisweg pal boven een eendenkool plannen)
en het gewone straatgras Poa Annua geheten
tussen de brokstukken van de gevallen RK kerk
ontspruit, de lente zich aankondigt

met beloftes waar we paf van staan.

(Oorspronkelijk verschenen in Maatstaf 16 (1968-1969).)