Claustrofiele poëzie van Kreek Daey Ouwens is gesloten en prozaïsch

Veel dichters hebben behoefte aan een eigen taaldomein, al was het maar om zich te kunnen onderscheiden in de aanhoudende stroom van papieren en digitale bundels. Ze proberen hun taalgebruik zo origineel mogelijk over te laten komen. De meesten zijn uit op interviews, optredens en besprekingen. Enkelen gaan echter de omgekeerde kant op: nog wel uitgeven (maar zeker niet frequent) en op de achtergrond blijven. Niemand zou echter het liefst in een geluidsdichte en volkomen donkere doos wegkruipen. En dat is precies waar Kreek Daey Ouwens naar verlangt.

door Albert Hagenaars

Kreek Daey Ouwens (1942) debuteerde pas in 1991. Dat was met de bundel Stokkevingers, waarin zowel verhalen als gedichten staan, en sindsdien heeft zij ook niet bepaald een inhaalmanoeuvre uitgevoerd. Haar werk zal nooit het brede publiek aanspreken, daarvoor is het te particularistisch. Lezers die vooral de ontwikkelingen in de poëzie volgen kennen haar echter wel degelijk. Haar teksten worden regelmatig, en terecht, omschreven als gesloten en prozaïsch. Niettemin wordt gewezen op het indringende karakter ervan.

Deze nieuwe bundel met zijn moedig lange naam past precies in het profiel. De titel luidt: Ik wil in mijn huis een raam ik wil het raam dichtdoen. Op meerdere manieren wordt je nog voordat je maar één gedicht hebt gelezen een dualisme opgedrongen. Allereerst door de titel, die door het gewenste raam zowel een streven naar contact aangeeft als een afsluiting. Ten tweede wordt deze titel precies op de cesuur visueel afgebroken. De twee delen worden van elkaar gescheiden door de naam Kreek. De rest van de auteursnaam staat onder het tweede deel. Ontwerper Joost van de Woestijne splitste hiermee knap de vroegste tijd, de periode dat een kind alleen maar een voor- of roepnaam is, en het oudere leven dat bepaald wordt door afkomst en administratieve verplichtingen. Je mag ook zeggen dat hij een verschil wilde aangeven tussen de innerlijke wereld vol fantasie en dromen enerzijds en de wereld van de dialoog met de wereld buiten anderzijds.

Verstoppen
Dit principe zien we terug, en dat is de derde kunstgreep, in de afbeelding (een foto van Martien van Mens). Een sliert van onbepaald materiaal kronkelt in de vorm van een uitgerekte hoofdletter E, valt uiteen in twee stukken die aanvankelijk nog dezelfde vorm hebben en als twee c’s bij elkaar lijken te schuilen, maar dan afstand nemen en passant een a uitbeelden die vervolgens weer overgaat in een o. Ik moet zeggen, bijna een o maakt. Het lukte mij niet een passende betekenis aan die letters toe te kennen, maar dat maakt niet veel uit; de bedoeling is inmiddels duidelijk. Om er toch geen enkel misverstand over te laten bestaan, meldt de tekst op de achterflap, en dit is punt nummer vier, onder andere: “Er is de grote wereld met het grote huis met de grote mensen // en er is het kleine huis waarin je je kunt verstoppen.”

Wie zal er dan nog van opkijken in het eerste gedicht regels te lezen als:

 

Je kunt je verstoppen. Je kunt jezelf
verbergen in een doos. Je kunt de doos
dichtmaken. Al het licht buitensluiten.
Alle geluiden. Van buitenaf ziet de
wereld niets anders dan een dichte doos.
Maar binnen is het stil. Daar kun je
zitten als een vleermuis, zonder dat je
ogen nodig hebt. Je hebt een heel huis
voor jezelf.

 

De al snel opgewekte claustrofobische reactie van menig lezer wordt ontzenuwd, maar pas aan het eind dus, als het effect zijn beslag heeft gekregen, door de slotopmerking “een heel huis/ voor jezelf”. Let op de belangrijke dubbele betekenis van “heel” en de scheiding van de regel. Het gaat echter om één en dezelfde gedachte: pas als je helemaal op jezelf bent aangewezen, niets meer kan zien of horen, ben je volledig jezelf. Dit soort ingrepen onderscheiden de als verhaaltjes overkomende teksten van Daey Ouwens van proza. De vorm past zich overigens niet aan de inhoud aan. Uiterlijk bestaan de gedichten niet, zoals je wellicht zou verwachten, uit gesloten taaldozen. Integendeel, de regellengte varieert behoorlijk en witregels zorgen voor voldoende zuurstof tussen de strofen. In dit opzicht heeft de schrijfster wel een kans laten liggen.

Niets meer kan zien, schreef ik hierboven. Dat werd al aangekondigd in het motto van het boek: You have an eye, it’s an image, van Sylvia Plath. Interessante uitspraak: een oog is niet bedoeld als kijkorgaan maar als zelfstandig beeld en ook hier is sprake van op zichzelf teruggeworpen worden. Nou, dat heeft de nodige consequenties voor het onderzoeken van dit werk, teveel voor een bondige bespreking als deze. Toch twee kanttekeningen: Plaths bewering staat deels haaks op het belang dat Daey Ouwens aan waarnemen hecht. En de lezer mag zich afvragen hoe hij deze poëzie tot zich moet nemen als hij hierin meegaat.

Beklemmend
De smaakmakende omslagtekst heeft het over grote mensen. Er is sprake van een afstandelijke moeder en een sterke grootmoeder. Aan deze dames zijn inderdaad nogal wat regels gewijd, maar er treden meer personages op: een grootvader, een mentaal niet juist functionerende neef Rudi, de vader van waarschijnlijk een vriendinnetje en een gepersonifieerde knuffelbeer. Daarnaast komen dieren aan bod, met name vogels, katjes en een uit ijs te hakken haas.

Mens en dier zijn gevat in een beklemmend kader, niet alleen in ruimtelijk opzicht, maar ook en vooral in onbegrepen en ook daarom dreigende (familie)relaties. Het perspectief is dat van een teruggetrokken kind dat nieuwsgierig genoeg is om vragen op te werpen die ook voor de lezer van belang zijn. Eén van de treffendste voorbeelden is:

 

*

Dit is gisteren gebeurd.
Mamma en grootmoeder denken dat ik niets hoor,
ze praten over mij.
Mamma zegt:
“Ze zal het niet aankunnen.”
Grootmoeder zegt:
“Het moet. Ze heeft het nodig. In het begin
zal het moeilijk zijn, maar ze zal eraan wennen.”
Mamma weer:
“Ze is veel te wijs voor haar leeftijd… ze
weet te veel.”
Grootmoeder lacht.
“Waarom lach je, mamma?”
Grootmoeder:
“Je kunt niet te wijs zijn. Hier niet, en
nergens niet.”
Mamma: “Hoezo?”
Grootmoeder: “Je weet best wat ik bedoel.”

 

Dat doet in eerste instantie denken aan de uitgeklede lyriek van de mannen van Barbarber van een halve eeuw geleden, maar Daey Ouwens past schijnbaar losse gespreksfragmenten dwingender toe, persoonlijker en daarom spannender ook, haast ik me eraan toe te voegen.

Een karige zegging is dus essentieel, waarin onverwacht opdoemende beelden voor de ware poëtische flitsen zorgen. Wat te denken bijvoorbeeld van “Vouw de was voor je moeder. / Zet een groot bord kersen op haar hart.” Je zou door de soberheid van stijl verwachten dat de dichteres symboliek zo ver mogelijk van zich houdt, maar hier word je wel genoopt naar een andere betekenis dan de realistische te zoeken. De was vouwen roept werk op, een verplichting. De toevoegende waarde is, uiteraard, tweeërlei. Er is gereinigd, gezuiverd, én er moet vorm teruggebracht worden, helderheid. Het kan best zijn dat de dichteres het niet als zodanig bedoeld heeft, maar feit is dat kersen al eeuwenlang als erotische verwijzingen fungeren, vooral in de late middeleeuwen. Pien Storm van Leeuwen wijdde daar recent nog aandacht aan in haar selectie van gedichten bij afbeeldingen van Jheronimus Bosch. En ja, hart is zo’n hardnekkig cliché, dat het pas weer begint te kloppen als er bijvoorbeeld vruchten op worden gezet. Hoe dan ook appelleert het aan emotie, beroering, léven.

Kinderlijk
Daey Ouwens’ taalgebruik is niet alleen sober, het is ook, zoals hierboven aangetoond, in dienst gesteld van de kinderlijke ontvangst. Dat register houdt de dichteres consequent tot het einde vol. Tot aan het einde, niet tot en met. In het laatste vers, Epiloog genaamd, komt namelijk een catharsis tot stand, een reiniging misschien, maar zeker een bevrijding want daar ontvouwt zich een volwassene. Een afspiegeling van de schrijfster?

 

Mijn vroegste herinnering is denk ik die
aan mijn derde verjaardag. Iemand droeg
mij naar de kamer. Alles was erg blauw.
Op de blauwe meubels viel een zacht licht.
Aan de muur glansde grootvaders stok.
Ik had een vaag besef dat de stok niet
hetzelfde was als de tafel, de stoelen,
het raam. Het was alsof hij ogen had die
naar je keken, en oren die luisterden.

Ik schrijf nu overal.
Ik schrijf onderweg naar mijn werk.
Ik schrijf in mijn kamer, alleen, achter mijn
typemachine.
Maar ik schrijf niet wat ik zou moeten schrijven.

Eigenlijk denk ik dat je pas kunt schrijven als
je helemaal niets weet.

 

Waarmee we aangeland zijn bij het begin van het boek, de behoefte aan een staat van ‘zijn’ die niet alleen de zintuigen, maar ook het denken zou willen uitschakelen. Deze stabilitas loci en alles wat er bijkomt vergelijk ik dan graag met de bijna gesloten o op de omslag. Er is en blijft een kleine opening, een kijkgat, een uiterst beperkte mogelijkheid tot communicatie. Maar: contact! De bundel zelf zou anders natuurlijk ook niet kunnen bestaan. De lezer van deze claustrofiele gedichten zal zich echter wel aan de door Kreek Daey Ouwens ingestelde perimeters moeten houden. En zo’n concessie zou wel eens net zo leerzaam kunnen zijn als de overgave aan de uitweidingen van een dichter die het bereik van een satelliet nastreeft!

bc2016-albertt_hagemaars-dichtbundel_Kreek-omslag

Kreek Daey Ouwens, Ik wil in mijn huis een raam ik wil het raam dichtdoen.
Amsterdam: Wereldbibliotheek 2016, 88 pp., ISBN: 978-9028-426511, pb., € 19,99.

www.wereldbibliotheek.nl

© Brabant Cultureel – april 2016