In gesprek met Liesbeth Lagemaat over haar bundel ‘Ik, mycelium’

De bundel ‘Ik, mycelium’ van Liesbeth Lagemaat verscheen in 2025 bij Wereldbibliotheek. Voor de derde keer op een rij staat ook onder de titel de kwalificatie ‘een episch gedicht’. Voor mij is Lagemaats poëzie overrompelend episch in een tijd van antihelden. Een gesprek met de dichter.

door Carina van der Walt

Op het donkere omslag van je bundel zie ik fijn geaderde takjes. Naar aanleiding van de titel Ik, mycelium, leid ik daar een ondergronds toneel uit af. Heb je ter voorbereiding van deze bundel iets specifieks gedaan?
‘Ja. Ik heb oesterzwammen gekweekt – op koffiedrab in een donker hoekje van onze keuken. Het is helemaal niet moeilijk! Je moet ze gewoon vochtig houden. Ik wilde meer leren over mycelium, het netvormige systeem van ondergrondse schimmeldraden. Die kennis was noodzakelijk om te kunnen schrijven over mijn complexe familie met veel vertakte problemen. Maar wie heeft niet zo’n familie? Paddenstoelen groeien uit een zwamvlok. Ik kroop in de huid van die zwamvlok of mycelium. Wilde mijn familie begrijpen. Ik wilde ze hulp aanbieden, niet als een soort god vanuit de hemel, maar vanuit de aarde.’

Het eerste gedicht in cursief is een opdracht aan zowel de lezer als aan de dichter die over familie wil schrijven. Je moet een kaart openvouwen en nauwgezet volgen om vanuit de woestijn die je familie heeft achtergelaten hopelijk te komen in een paradijselijke tuin. Een fragment uit het opdrachtgedicht:

Vouw de kaart open en volg met je vingers het stratenplan
van een familie. Voel hoe het papier op de vouwlijnen


is verpulverd, later zul je nog minuscule vlokjes witstof
onder je nagels vinden. Je hebt geprobeerd van de ene steeg


naar de andere boulevard te komen, je hand boven de
plattegrond aarzelt. Dan probeer je de route naar het volgende


plein, en zo via het stadspark naar het hart van de stad, maar
je vingers weigeren en in gedachten stel je je voor: de steeg is


geblokkeerd, op de boulevard staat de modder 50 centimeter hoog,
rondom het plein is het asfalt vloeibaar geworden door een plots


opgekomen hittegolf, het hele park is omgewoeld door
bulldozers. Heeft het bovendien zin naar het midden te reizen


van een puinwoestijn?

Deze zoektocht wordt dus onverwacht overgenomen door een overstroming en een hittegolf. Volgens Lagemaat (Bergen op Zoom 1962) ontkomt je niet aan de actualiteit van klimaatverandering. Ook niet wanneer je jezelf in de positie van mycelium verbeeldt of als schrijver probeert een kaart te lezen. Dezelfde soort kaart keert later in de bundel terug, zonder titel en volledig in cursief gedrukt.

Wie kan het stratenplan van een familie lezen?
Elke afslag een klap in het gezicht van de tijd. Of een fondanten


menuet. Geen voetstap laat zich meten. We leven in concentrische
cirkels en de ene periode vereist baggerlaarzen, de andere teen-


slippers of spitzen, de tijd haalt onverschillig de schouders op.
“Wil je dat ik een woelrat ben, een grootmoederlijk ledikant,


een plas op de stoep waar de zon zich in kerft?

Wie ben je, familie, een bijtend zuur in mijn aderen, het bittere hartje
van een madelief op mijn tong? Zijn er vluchtroutes in het stratenplan?


Vouw de kaart dicht en pulk de witte papierpulp onder je nagels
vandaan. Doe een uitroep. Een aanzoek. Ga liggen met je oor


aan de grond. Luister, ook als je eerst nog niets hoort.
Zijn tijd is ruimte.


We moeten weg van hier.
Vouw dat stratenplan van je familie dicht en prop het in je rugzak.


Of in de schacht van je laars.

Ik ben als lezer op pagina 72 met mijn oor aan de grond om naar het gedicht ‘Lied van Mycelium’ te luisteren. De beginregel ‘Mijn tijd is ruimte, ja’ sluit naadloos aan op ‘Zijn tijd is ruimte’ in het voorafgaande gedicht. Herhaalde frases of woorden dienen vaak als schakels tussen gedichten. Lagemaat gebruikt in deze bundel twee stemmen – de poëtische stem van het mycelium en de stem van de schrijver. Elke stem is afwisselend in een lied aan het woord. Wanneer ze de eerste maal spreekt in ‘Lied van Mycelium’ vraag ze zich af: ‘Ben ik dan de enige met verantwoordelijkheidsgevoel?’

Is je verantwoordelijkheidsgevoel gericht op familieleden? Vertel eens iets meer van je familie.
‘Zeker. Ik wilde de familiekluwen een beetje ontrafelen. Mijn vader was biochemicus. Mijn moeder had een goddelijk figuurtje, maar werd op haar eenentwintigste zwanger van mij. Ik was negen jaar oud toen ze scheidden. Mijn moeders leven is getekend door het sterven van haar broertje in hun kindertijd. Zij was haar speelmaatje kwijt. Bij mijn opa en oma in Bergen op Zoom was er een portret van dat jongetje dat op zijn derde is gestorven aan difterie. Ik gebruik dit portret om te vertellen hoe zwaar het voor mijn moeder moet zijn geweest. In de negentiende eeuw was er een stroming waar mogelijk contact met de gestorvene via een portret ging. Het grote huis van mijn opa en oma was in tweeën verdeeld. De voorkamer was opa’s kapperssalon, de achterkamer werd de familiekamer. Er waren altijd ruziënde vrouwen in de familiekamer waarvoor mijn opa zich erg schaamde in zijn zaak.’

In ‘Lied van de stamvader’ beeldt Lagemaat haar opa briljant uit in een witte werkjas met zijn schaar, maar de rol van de stamvader blijft beperkt. In alle gedichten met de titel ‘Lied van de moeder, als kind’ wordt de moeder uitgebeeld als gewelddadig, maar zwaar beschadigd mens. Haar karaktertrekken worden het beste beschreven in:

De moeder een schilderij dat op de vloer was gekwakt en
opnieuw in elkaar gelijmd door een blinde.

De moeder een draaimolenlied uit een orgeltje met kapotte pijpen.
De moeder een hand die brandt op je vlees.

De moeder een zin, achterstevoren uitgesproken.
De moeder een carnavalsmasker.

De moeder met knieën als messen wanneer je op haar schoot –
De moeder een jute zak. ‘Kruip maar naar binnen, warm genoeg

voor twee hier.’

Wij kropen naar binnen.

De moeder een hand die de zak dichtknoopt.
Schudden met dat jute.

De ander en de een zetten zich af tegen elkaar.
De moeder schopt de zak voor zich uit.

Haar stem, gebarsten fluitjes of kapotte draaiorgelpijpen.

In ‘Lied van de ander en de een’ is ‘de ander’ de zus van Lagemaat en is zijzelf ‘de een’. Dit lied verwoordt de belangrijkste ontwikkelingslijn in de bundel. De ontknoping van de slechte verhouding tussen de zussen – de ander ‘in een jurkje van angst, de een in een hemdje van vrees’ – is een hoogtepunt in de bundel. Wanneer Mycelium voor de voorlaatste maal in de bundel spreekt, vraagt zij zich af: ‘Is dit dan mijn ultieme taak. Herstel ik een verbondenheid die zo / lang verbroken was, ben ik de heler van dit kapotte mensenweefsel.’

Deze meeslepende bundel wordt episch afgesloten met een aantal wensen uit ‘Lied van de Schrijver’ en ‘Lied van Mycelium’. Onder elkaar uitgeschreven op de laatste pagina’s krijgen die de sfeer van een kerkelijke zegengroet:

Er wordt wel gezegd dat het luisteren naar Bach gelovig maakt. Het lezen van Lagemaats poëzie maakt mij gelovig. Liesbeth Lagemaat is de Bach van poëzie.

Liesbeth Lagemaat, Ik, mycelium. Een episch gedicht. Amsterdam: Wereldbibliotheek 2025, 96 pp., ISBN 978-90-2845433-0, pb., € 22,99.

Liesbeth Lagemaat (r) en Carina van der Walt in Utrecht achter een Victoria amazonica.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *