Truus Cahen, een leven in dienst van de helende kracht van kunst bij een trauma

Mensen, jong en oud, door tekenen of schilderen inzicht geven in hun trauma’s en zo bijdragen aan verwerking, dat is waar Truus Cahen haar beroep van maakte en waarmee zij naam maakte. Maar zij droeg ook zorg voor de geschreven nalatenschap van haar vader die zelf als kamp-overlever een zware last meedroeg – en overdroeg. Nu beschreef ze haar eigen leven in Vught, Israël en weer terug in Nederland.

door Lauran Toorians

Achterplat, rug en voorplat ‘Nou, dag kind, en Israel is een sof’

‘Anders zijn, je altijd moeten aanpassen, je wisselend ergens thuis of vreemdeling voelen, het verlangen ergens bij te horen, het verdriet afgewisseld met de voldoening nergens bij te horen zijn tegenwoordig veel vaker dan vroeger onderwerp van gesprek. Aan hoe het is om te leven in een spagaat van twee culturen wordt in de media bijna dagelijks aandacht geschonken. Meestal bij monde van nazaten van gastarbeiders en andere nieuwe Nederlanders.’

Met deze zinnen opent hoofdstuk 73 van het boek waarin Truus Cahen haar leven beschrijft. We zijn dan al dicht bij het slot, want het boek telt 86 veelal korte hoofdstukken. Die zijn alleen genummerd, met soms een korte aanduiding van plaats en tijd. Het leven van Truus ging niet over rozen, maar – zo lees ik althans haar boek – heeft haar uiteindelijk wel veel voldoening gegeven. En volop erkenning, want als creatief therapeut geldt zij zeker in Nederland als een voorloper en grondlegger van de methode om met behulp van (beeldende) kunst mensen te helpen om greep te krijgen op hun trauma’s. Ze had daarin lang een eigen praktijk, publiceerde erover, gaf lezingen en cursussen en bood hulp in oorlogsgebieden zoals (voormalig) Joegoslavië en Soedan.

Truus Wertheim-Cahen • Getekend bestaan > Beeldend-creatieve therapie met oorlogsgetroffenen. (1991)
Truus Wertheim-Cahen & Theo Festen • Soms ben je uitgepraat > Het atelier en de geestelijke gezondheidszorg. (2013)

Al jong naar Israël verhuisd

Door mensen te laten tekenen of schilderen kunnen verdrongen herinneringen terugkeren en verhalen loskomen die het mogelijk maken bewust te worden van spanningen die eerder onverklaard en onuitgesproken bleven. Het trauma krijgt een vorm en de tekening of schildering roept associaties op die kunnen helpen om een betere relatie te ontdekken tussen de innerlijke en uiterlijke werelden. Het klinkt wolliger dan het is en het werkt, net zoals het werkt om over een heftige gebeurtenis te praten zodat die vorm krijgt in een verhaal. Truus Cahen leerde deze vorm van therapie kennen in Israël waar zij al jong naartoe was verhuisd en zelf haar weg moest vinden en bijna toevallig via een cursus in dit werk belandde.

Truus Cahen en haar boek. Fotosamenstelling > NOVO3, de publieke omroep voor Vught, Helvoirt en Cromvoirt.

Dat Truus Cahen joods is, maakt alleen al haar achternaam onuitwisbaar duidelijk. Haar voornaam dankt zij aan haar geboorteplaats. Het was de naam van de moeder-overste van Moederheil in Breda, waar haar moeder was ondergedoken toen Truus daar in 1944 werd geboren. Het was een gebaar van dankbaarheid jegens de zusters en misschien ook al een eerste stapje van haar moeder om afstand te nemen van haar joodse identiteit.

Woonachtig in Vught

De ouders van Truus Cahen waren in 1940 getrouwd en woonden in Vught, waar het gezin ook na de oorlog steeds bleef wonen. Vader Max had zich – nadat zijn echtgenote veilig had kunnen onderduiken – gemeld bij Kamp Vught. Pas toen Truus anderhalf was, keerde hij terug als Auschwitz-overlevende. Truus en haar twee jongere broers groeiden op in een gehavend gezin met een moeder die het jodendom liefst achter zich liet, maar dat ook niet echt kon, en een vader die er juist alles aan was gelegen om de joodse tradities in Nederland – en juist ook in Noord-Brabant – levend te houden. Overtuigd zionist, maar nooit bereid om te vertrekken. Thuis was er altijd spanning en vaak ook ruzie tussen beide ouders. En dan de voortdurende spanning om te moeten vertellen dat je joods bent en nota bene woont – of opgroeide – in Vught, of all places.

Max Cahen leert zijn dochter Truus pas kennen na de oorlog. Foto > archief Truus Wertheim-Cahen. Zie: https://nos.nl/bevrijdingsjaar

De beschrijvingen van het jonge gezin in Vught deden mij erg denken aan het gezin van een oom die tijdens de ‘politionele acties’ zijn dienstplicht vervulde in Indonesië. Verliefd en verloofd toen hij vertrok en eenmaal thuis getrouwd zonder toen al te weten hoe zwaar dat huwelijk op de proef zou worden gesteld. Eindeloos terugkerende nachtmerries, hevige en totaal onvoorspelbare stemmingswisselingen en een diepe angst dat buiten achter elk boomblaadje gevaar kon schuilen, bepaalden het leven thuis en tekenden mijn neef en nicht. En dat terwijl de buitenwereld – inclusief de naaste familie – van niets wist totdat in de jaren tachtig de kinderen met hun verhaal naar buiten kwamen. Eindelijk kon er in Nederland openlijk worden gepraat over oorlogstrauma’s.

De spanningen doorgeven

Natuurlijk is elk verhaal anders, maar het hoeft ook niet op een weegschaal of langs een meetlat. Vernedering en doodsangst kunnen mensen breken en ook een oorlog die maar enkele jaren duurt kan een heel mensenleven vergallen. En meer nog, die spanningen ook doorgeven aan de naasten en dus ook aan een volgende generatie. Kommer en kwel is het niet altijd. Max Cahen had ook humor en zijn inzet om joods leven te documenteren heeft vrucht gedragen en ook mijn oom kon intens genieten van de goede dingen die het leven ook biedt.

Voor Truus Cahen was het voortdurend schipperen, tussen ruziënde ouders, tussen joods zijn en tegelijk een gewoon Vughts meisje en tussen het zionistische ideaal van haar vader en het toch niet willen vertrekken. Al jong hakte zij voor zichzelf de knoop door. Ze nam deel aan joodse jongerenkampen in Nederland en besloot af te reizen naar een kibboets, eerst tijdelijk, maar uiteindelijk om in Israël te blijven. Dat waren vormende jaren waarin ze vrienden voor het leven opdeed, haar man leerde kennen en via meerdere omwegen haar ‘roeping’ ontdekte: het werk als creatief therapeut.

Poster met oproep om een jaar in Israël, in een kibboets, te komen werken. Ontworpen door Yohanan Simon, jaren 1950.

Andere kijk op Israël

Gaandeweg zag zij Israël veranderen en veranderde ook haar kijk op dat land. Het besef dat Arabieren – ook haar collega’s – steeds meer tweederangsburgers werden, de voortdurende dreiging van oorlog en de feitelijke oorlogen die ze er meemaakte, deden misschien het zionistische ideaal niet verbleken, maar maakten wel de kloof tussen ideaal en werkelijkheid pijnlijk tastbaar. Ze realiseert zich ook – ik schrijf het misschien wat cynisch – dat joden net mensen zijn. Van heel rijk tot straatarm, van diep religieus tot totaal atheïstisch, fanatiek of lijdzaam en vertegenwoordigd in het hele politieke spectrum. 

Poster van het Joods Nationaal Fonds die oproept om naar Israël te komen, circa 1960.

Het zijn van joods wordt voor een groot deel gedefinieerd door de buitenwereld en werd ultiem in wetten vastgelegd door het naziregime van Adolf Hitler en de zijnen. Ook binnen de gemeenschap is de speelruimte beperkt en het is tekenend dat moeder Cahen per se niet joods wilde worden begraven en daarom haar lichaam ter beschikking stelde van de wetenschap. En toch was ze joods, zullen velen dan zeggen. Maar wie bepaalt dat?

Gehecht aan de tradities

Truus Cahen zelf was nooit gelovig, maar wel gehecht aan de tradities hield zij altijd vast aan de joodse feestdagen en rituelen. Haar relatie met Israël is bijna net zo dubbel als die van haar beide ouders. Ze houdt van het land en de mensen, maar is ook bitter over de huidige staat waarin het land verkeert en hoe de staat in handen is gevallen van – mijn woorden – een bende oorlogsmisdadigers. Een land dat schijnbaar zijn bestaansrecht ontleent aan het in stand houden en creëren van trauma.

De titel van haar boek ontleende Truus Cahen aan de woorden waarmee haar moeder standaard afscheid nam. Woorden die Truus nu lijkt te onderschrijven: het is een sof, een mislukking. Toch is dit op geen enkele manier een negatief boek. Het is geen afrekening met wie of wat dan ook en er wordt ook volop genoten. Bovendien leest het als een trein en ondanks dat het een superpersoonlijk, autobiografisch verhaal is, voelde ik mij nergens voyeur.

Joods Vught gaf zich niet gewonnen

Truus zorgde eerder voor uitgaves van door haar vader nagelaten werk en maakte een boek over Harry Holla (‘oom Harrie’) die voor het onderduikadres had gezorgd en als verzetsman waardevol werk heeft verricht. Voor wie ook die werken leest, wordt het Vught van het concentratiekamp ook het Vught van Cahen. Die twee verhalen zijn met elkaar vervlochten, maar juist Cahen maakt het ook tot een verhaal van veerkracht. Bitterzoet, zeker, maar joods Vught gaf zich niet gewonnen en dat biedt hoop.

Geheel persoonlijk, vond ik mooi om in dit boek ook nog zuster Emmanuel (‘soeur Emanuel’ in het boek) tegen te komen. Zij verzorgde Max Cahen nadat hij door een hersenbloeding hulpbehoevend in een tehuis in Vught was opgenomen. Blijkbaar konden die twee het goed met elkaar vinden en ze reisden ook nog samen naar Israël.

Zuster Emmanuel heette ‘in de wereld’, Francisca Toorians en was een volle nicht van mijn vader. Zij was vernoemd naar mijn grootvader terwijl mijn vader was vernoemd naar haar vader; de twee broers waren compagnons in zaken. Zelf heb ik haar niet goed gekend. Zij trad al jong in bij de franciscanessen van Oirschot waar de zusters in eerste instantie letterlijk achter tralies zaten. Later werkte zij met hart en ziel in de verpleging en ik weet dat de familie Cahen warme herinneringen aan haar heeft. Dat schept een band, hoe onzinnig dat misschien ook klinkt.

Truus Cahen, ‘Nou, dag kind, en Israël is een sof’. ’s-Hertogenbosch: Aldus Uitgevers 2026, 404 pp., ISBN 078-90-70545-51-2, pb., € 25,00.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *