column door JACE van de Ven •
Om eerlijk te zijn had ik een bijbedoeling bij het schrijven van deze zomerserie over 1976. Ik vertelde u al dat ik ooit een novelle begonnen ben die ik in dat jaar laat spelen en waar al ruim dertigduizend woorden van op papier staan. Om verschillende redenen is dat geschrift jammerlijk blijven liggen, zodat ik buiten wat gedichten en korte verhalen alleen journalistieke stukken en columns geproduceerd heb, te weinig om mezelf schrijver te noemen, hetgeen mijn jeugddroom was. Spijtig! Mocht ik deze zomer over 1976 gaan schrijven, dacht ik, dan zou ik zeker het onafgemaakte verhaal weer oppakken en het voltooien. Maar dat is tot nu toe niet gebeurd. Waarom niet?
De belangrijkste reden is, dat ik de noodzaak niet (meer) voel. Echte kunstenaars voelen een urgentie bij alles wat ze maken. De verbeelding die zich in hun geest vormt, moet handen en voeten krijgen en lijkt soms automatisch naar buiten te komen, hoeveel moeite het hen ook kost. Hun gedachten lijken geleid te worden door een onzichtbare kracht. Nadenken mag, maar wanneer de intuïtie het overneemt, is het eigenlijk zoveel te beter. De kunstenaar meent te weten wat hij het publiek wil tonen en heeft een vermoeden hoe de weg daarnaartoe leidt, maar hoe ervaren hij ook is en hoe goed hij zijn vak ook beheerst, soms zal hij moeten gissen of hij links- of rechtsaf moet. Is dat niet zo, dan wordt het eindresultaat te maniëristisch en dus niet spannend genoeg.
Creatief talent is niet alleen verbeeldingsvermogen, maar ook de urgentie om die te delen en de ijver om het maakproces tot een eindproduct uit te voeren. Het mag duidelijk zijn dat daarbij een concentratie hoort die de maker van het begin tot het eind moet kunnen opbrengen. Hij moet zich voor de volle honderd procent geven, je kunt niet een beetje kunstenaar zijn, ga dan macrameeën of paddenstoelen fotograferen met een te dure camera.
Het ontbrak aan urgentie en concentratie. En aan werklust.
Urgentie en concentratie dus, ik denk dat het me daaraan ontbrak. En aan werklust natuurlijk. Schrijven -en ik weet dat dat ook voor alle andere vormen van kunst maken geldt- is hard werken. Het gaat hoogstzelden zoals in de film Amadeus waar de componist Salieri in de manuscripten van Mozart kijkt en ziet dat er nergens verbeteringen of doorhalingen staan. “Hij heeft alles zomaar direct opgeschreven”, verzucht hij jaloers.
Of Mozart alles automatisch opschreef, weet ik niet, wel dat er naast prachtige gedeeltes ook soms passages in zijn muziek voorkomen die in mijn oren te voorspelbaar klinken. Wikken, wegen, timmeren, schaven, schuren, de zaak weer uit elkaar halen en opnieuw beginnen, het geldt volgens mij zelfs voor de genieën onder de kunstenaars. Je kunt dat alleen opbrengen als je volkomen in je eindproduct gelooft of minstens de stellige hoop hebt dat het iets wordt. Twijfelen mag, maar moet, desnoods tegen beter weten in, overwonnen worden, anders kun je niet verder.
Misschien is de twijfel wel de belangrijkste reden dat mijn novelle uit 1976, dat onstuimige jaar met zijn verzengende zomer, nooit is afgekomen. De omstandigheden om het af te maken zijn nochtans ideaal, de zomer is nog gloeiender dan toen en evenals toen praten zij die het weten, het wisten en het altijd zullen weten er weer volop over welke klimaatmaatregelen ze in de toekomst zullen gaan nemen. Haha, het maatschappelijk draagvlak van mijn verhaal wordt me zomaar cadeau gedaan.
Maar die twijfel dus, die wordt gevoed door het gelezen hebben van wereldliteratuur die ik nooit zal kunnen schrijven. Als ik dat had gekund, had ik het allang gedaan, daar had ik geen 76 jaar oud voor hoeven worden. In de jaren tachtig en negentig heb ik voor Brabant Pers een tijd lang de literatuurbesprekingen gecoördineerd. Ja, jeugdige lezers, in plaats van B en B’s vol liefde werden er toen nog boeken besproken in de Brabantse kranten!
De beste gingen naar onze jammer genoeg te vroeg overleden medewerker Ton Bogaard, daarnaast bespraken ook Ton Steijger en kunstredacteur Peter van Vlerken van het Eindhovens Dagblad de nodige werken. Wat er dan nog overbleef van wat ons ongevraagd toegestuurd was, nam ik mee naar huis om te kijken of er iets tussen zat wat de moeite waard was om aandacht aan te besteden. Dat was zelden of nooit het geval, soms ergerde ik me zelfs aan het feit dat iemand het nodig gevonden had om iets uit te geven wat zo oninteressant was dat het alleen maar verveling opwekte.
Wikken, wegen, timmeren, schaven, schuren, de zaak weer uit elkaar halen en opnieuw beginnen, het geldt volgens mij zelfs voor de genieën onder de kunstenaars.
U begrijpt het, toen de twijfel toesloeg, dacht ik aan deze lange reeks van boeken. Moest ik daar nog een extra exemplaar aan toevoegen? Nee natuurlijk. Een tekst kan van mezelf alleen een imprimatur krijgen als zij van een verdedigbaar gehalte is. Zij hoeft geen wereldliteratuur te zijn, maar moet boeiend wezen, met een interessante structuur, met raakvlakken aan wat speelt in onze tijd, dubbele bodems, verwijzingen en noem maar op, terwijl het verhaal de lezer verleidt om door te lezen om mogelijk aan het eind een geheim te ontdekken.
Maar stopte ik al deze zaken niet veel te bewust in het verhaal? Die twijfel weer! Ze sloeg extra toe, toen mijn vriend, neerlandicus en kunsthistoricus Jan Schippers, mij uitlegde dat in de novelle Homme’s Hoest van Willem Frederik Hermans, elk woord verwijst naar zijn eigen realiteit maar tegelijk ook naar iets anders, te beginnen bij de naam Homme. Ik luisterde naar hem en dacht: “Maar dat wil ik allemaal niet, dat lijkt me veel te kunstmatig”. Een kunstproduct moet ook iets toevalligs hebben, iets oers, het mag niet alleen een intellectuele prestatie zijn, hoezeer er ook met kennis van zaken is over nagedacht.

En weer stokte mijn maakproces, waardoor ik nog steeds niet weet of ik het kan, iets schrijven met een langere adem dan een kort verhaal, gedicht of column. Deze serie over een onafgemaakte novelle heeft niets opgelost. Hooguit mogen we concluderen dat ik in elk geval geen extra overbodig exemplaar heb toegevoegd aan de onoverzienbare boekenberg. Laten we hopen dat u dat ook nooit doet. Er is al zoveel shit in de kunst. Mocht u de neiging hebben zelf ooit een kunstproduct te verwezenlijken, wees voorzichtig, volmaakt hoeft het niet te zijn, maar wel waarachtig.
(wordt waarschijnlijk niet verder vervolgd, maar je weet maar nooit)
Lees hier eerdere afleveringen uit de zomerserie van JACE van de Ven op Brabant Cultureel
© Brabant Cultureel 2026
